[p. 199]
[123] Noch al op de selve.*
Een Ronden-dans, om de Bruydt te bedde te danssen.
- Stemme: O myn Engeleyn, ô myn Teubeleyn, &c.
-
- Iongmans.
- 1.
- Luchtige Maeghden, datmen u vraeghden, 1
- Wat dat dit droevigh treuren beduydt, 2
- Ghy kond wel veynsen, Maer u gepeynsen 3
- syn; Wy waren so garen de Bruydt. 4
- 5
- 't Sal noch wel komen,
- Sit niet te dromen,
- 't Sal noch wel komen
- In 't leste besluyt. 8
-
- Dochters.
- 2.
- Dit is wat bysters, scheld ghy de Vrysters, 9
- 10
- Die doch de meeste vreughde broe'n; 10
- Twee van ons spelen, singen en quelen
- Soeter als twintigh Jongmans doen. 12
- Wat dese Vryers
- Sitten als Snyers, 14
- 15
- Wat dese Vryers
- Die syn niet groen. 16
|
1 luchtige: levenslustige; dat: gesteld dat, als; vraeghden: vroeg.
3 kond: kunt; gepeynsen: gedachten.
8 in 't leste besluyt: tenslotte.
10 broe'n: bedenken, uitvinden.
12 soeter: liefelijker; als: dan.
14 snyers: snijders, kleermakers (zo stil?).
|
[p. 200]
-
-
- Iongmans.
- 3.
- Dit doet de donder, is dit geen wonder 17
- Dat ons de Meysjes quellen so? 18
- Laet ons eens singen, danssen en springen,
- 20
- Huppelen rondom als een vlo; 20
- Laet u geleijen 21
- Meysjes aen 't Reijen, 22
- Laet u geleijen,
- Of doet ghy 't no? 24
-
- [124] Dochters.
- 4.
- 25
- Weest niet verlegen van onsent wegen,
- Maer de Bruydt most met ons gaen. 26
- Bruydt weest wat soetjes, rept doch u voetjes, 27
- Steld u me voorlijck op de baen. 28
- Nu Jongelingen dan,
- 30
- Wil g'er wat singen van,
- Nu Jongelingen dan
- Vangt het an.
-
- Iongmans.
- 5.
- Nu dan eens rustigh, toond u wat lustigh, 33
- Vrolycke Bruydt springht lustigh om, 34
- 35
- 't Veynsen wild staken, en u vermaken
- Met ons en uwen Bruydegom,
- Die u met kusjes,
- Die u met lusjes, 38
- Die u met kusjes
- 40
- Heet wellekom.
|
17 dit doet de donder: wel verduiveld; geen wonder: niet vreemd.
21 geleijen: geleiden (ten dans).
22 aen 't Reijen: aan 't reidansen.
24 no: node, met tegenzin.
27 soetjes: lief, aardig.
28 steld u: ga; voorlijck: vooraan; baen: dansvloer.
33 rustigh: aardig, flink.
|
[p. 201]
-
- 6.
- Nu, waerom lachje? ist wijl het nachje
- Van uwe vreughd voorhanden staet? 42
- 'k Acht datmen waer seyd, dus maeckt geen swaerheyd 43
- Maer u met blijdschap voeren laet,
- 45
- Daer ghy met lusten 45
- Vrolick sult rusten,
- Daer ghy met lusten
- En vreughd omgaet.
|
42 voorhanden staet: op handen is, aanstaande is.
43 waer seyd: waarheid spreekt; swaerheyd: zwarigheid.
45 daer: waar; met lusten: met genoegen; omgaet: rondgaat.
|
|
|