[p. 202]
[124] [Kond' Orpheus stemme]*
- Stemme: D'Engelsche Kloke Dauns, &c. Fol: 44.
-
- 1.
- Kond' Orpheus stemme, 1
- Kond' Orpheus spel,
- Kond' Orpheus Liers-geklanck 3
- De Dieren temmen,
- 5
- En wonder wel 5
- Doen danssen op zijn sanck;
- So naer syn snaer 7
- De Zee syn baren dringt, 8
- 't Geboomt haer tacken dwingt,
- 10
- En met haer blad'ren springt.
- O Dieren, Bomen, Zeen
- Danst nu met alle re'en, 12
- Want myn Astraea singt.
-
- 2.
- Syn eens door eenen
- 15
- Amphions geest,
- En honigh-soete praet
- De koude steenen
- Beweeght geweest 18
- Te danssen op de maet,
- 20
- Tot dat een Stadt,
- Daer uyt (dewyl hy spreeckt) 21
- Met muyren sich opsteeckt, 22
|
3 konden de klanken van de lier van Orpheus.
5 wonder wel: voortreffelijk.
12 met alle re'en: met alle reden, eerst recht.
18 beweeght: bewogen, ontroerd; er toe bewogen (om).
22 sich opsteeckt: zich verheft.
|
[p. 203]
-
- Iae deur de Wolcken breeckt.
- O steenen luysterd weer!
- 25
- En danst nu thienmael meer:
- Want myn Astraea spreeckt.
-
- 3.
- Was eens gedwongen
- Een Draeck seer fel, 28
- Te minnen met bescheyd 29
- 30
- Een Harders Iongen! 30
- Heeft d'Arend snel, 31
- Een schoone Griexsche Meyd 32
- Besind, bemind,
- Iae vaeck om haer gedaeld, 34
- 35
- [125] Van daer de Sonne praeld,
- En om haer heen gemaeld! 36
- Komt Vog'len, komt gediert
- En nu van minne tiert, 38
- Midts myn Astraea straeld. 39
-
- 4.
- 40
- Doch so de bomen, 40
- De steenen, 't Vee,
- 't Gevogelt uyt de Lucht
- Niet strax kan komen 43
- By mijn Astree,
- 45
- En danssen van genucht: 45
- Maer lang en bang
- In droefheyds weyden graest:
- Denckt dat kleyn liefd wel haest 48
- Begind, en dapper blaest: 49
- 50
- Maer dat so groote min,
- Als daeld van de Goddin 51
- Astraea, elck verbaest. 52
|
28 een draeck seer fel: een zeer boosaardige draak.
29 met bescheyd: met oordeel.
31 heeft ... besind: heeft ... bemind; d'Arend snel: de snelle arend.
34 ja, is hij vaak om haar gedaald.
36 gemaeld: gedraaid, gecirkeld.
38 En nu tiert: en gaat nu te keer.
48 denckt: bedenkt; kleyn: kleine; haest: haastig, snel.
49 dapper: erg; blaest: snorkt, pocht.
52 verbaest: verbijstert, verslagen maakt.
|
[p. 204]
-
- 5.
- Syn dan de beesten
- So seer versuft, 54
- 55
- Als sy Astraea sien:
- Wat sal den Geesten,
- Die met vernuft 57
- Begaeft syn, dan geschie'n? 58
- Hoe seer! hoe veer 59
- 60
- Of elck den geest ontsinckt
- Die van haer minne drinckt,
- En op haer schoonheyd dinckt: 62
- 'k Wed elck betoverd staet,
- Die d'oogen open slaet,
- 65
- Als myn Astraea blinckt.
|
62 dinckt op: denkt aan, let op.
|
|
|