[p. 208]
[128] Bruydt-Lofs-Gedicht,
Ter Eeren D'Heere Rembt Rengers ten Post, En Iuffr. Fransisca van Camminga. *
- Na dat de gryse Vorst zyn wit gheflockte kleed 1
- Had over 't aerdrijck ruym drie maenden lang gespreed: 2
- De sachte wateren doen hard te samen stremmen, 3
- En als een stalen muyr vast aen malkander klemmen.
- 5
- Verscheen de soete Lent, waer door de blonde Son 5
- Syn krachten, metter tyd weer krachtiger begon 6
- Aen 't bleeck versturven groen der velden uyt te deelen; 7
- So dat het gras en kruyd van vreughd begon te teelen: 8
- 't Gebacken sneeu versmolt, de Christalyne vloed 9
- 10
- Wierd wederom versacht door Phoebi gulden gloed. 10
- Het onvernuftigh Vee sprongh uyt de muffe daken 11
- Der schuren: en begon in 't groen sich te vermaken:
- Doen myn een lust bevingh om het boomrijcke Stiens, 13
- Of Belcum te besien, 't was my vast even iens: 14
- 15
- Ick trad ten poorten uyt en liet myn oogen weyden
- Daer haer myn grage lust begeerigh was te leyden, 16
- Ick sagh een reys na 't Veld en merckte datter was 17
- Een wonder seltsaem dier aen 't hipplen in het gras, 18
|
* Johan Rempt Rengers tot den Post trouwde 7 mei 1620 op Camminghastate met Franscke van Cammingha, geb. 5 maart 1591, dochter van Sicke, heer van Ameland.
1 wit gheflockte kleed: kleed van witte vlokken.
3 (had) doen hard te samen stremmen: had doen bevriezen.
6 metter tyd: langzamerhand.
7 versturven: verstorven.
9 't Gebacken sneeu: de bevroren sneeuw.
10 wierd: werd; versacht: week.
11 onvernuftigh: redeloos.
14 Belcum: Berlikum; 't was my vast even iens: 't was mij helemaal hetzelfde.
16 daer: waarheen; grage: begerige.
17 een reys: eens; na: naar.
18 wonder: zeer; seltsaem: zeldzaam, vreemd.
|
[p. 209]
-
- [129] 't Welck doen ick recht besagh, begon ick te bemercken 19
- 20
- Dat het Cupido waer, die met syn vlugge vlercken
- Het groene Veld deurvloogh, en pluckten hier en daer
- Veel schoone Myrten-bla'en, en ionge Bakelaer. 22
- Wel (seyd' ick) kleyne Godt, wat heeft het te beduyden
- Dat ghy dus besigh zyt in 't plucken vande kruyden? 24
- 25
- Is u Vrou-Moeder sieck? of heeft sy tovery, 25
- Of so wat in de sin, ick bid u seght het my?
- Neen, sey Cupido, neen, ick make Myrthen kroonen,
- Voor die, wiens trouwe liefd mijn Moeder sal beloonen 28
- Met alderleye vreughd, met wederliefds geluck,
- 30
- 't Begin van alle lust, het end van alle druck. 30
- En soo ghy met myn wild, ick sal u op den Toren
- Doen komen, daer myn Moe'r Vrou Venus is geboren,
- Gelegen in de Zee, dat heerelyck Palleys,
- Alwaer des liefdes twist bepleyt word naer den eys. 34
- 35
- Daer sult ghy mogen sien en duydelyck aenhooren, 35
- (Soo veer ghy daer maer toe verleenen wild u ooren), 36
- Hoe wettelyck, hoe wys myn Moe'r is in haer recht, 37
- Hoe wel men valschlyck hier heel anders van haer seght.
- Ick stemde tot de reys, wy vlogen beyd te samen, 39
- 40
- Soo lang, tot dat wy by de groote Toren quamen,
- Daer sayden wy gelijck; Cupido die ging veur, 41
- Maer Goon! wat waren daer al minnaers voor de deur!
- Elck sprack Cupido aen, elck gaf hem een biljette, 43
- Elck bad hem dat hy wou op syne saken letten,
- 45
- [130] En vorderen syn gonst, en mind'ren syn elend; 45
- En schicken dat syn saeck quam tot een goeden end, 46
- Op dat hy spoedigh mocht tot loon van syn verdrieten, 47
- En trouwe dienst, door trou syn lieve lief genieten. 48
- Wy quamen op het lest met grooten arbeyd voort: 49
- 50
- Cupido klopten aen, men opende de Poort,
|
19 en toen ik 't goed bezag begon ik te merken, dat het C. was.
25 u Vrou-Moeder: Mevrouw, uw Moeder.
30 lust: genoegen; druck: verdriet.
34 naer den eys: zoals het hoort, naar voorschrift; twist: pleit, geschil.
36 soo veer: voorzover, als.
37 wettelyck: naar de wetten; recht: rechtspraak.
39 ick stemde tot de reys: ik verklaarde mij bereid tot de reis.
41 sayden: daalden, zegen neer; gelijck: tegelijk (ertijd).
45 vorderen: bevorderen; gonst: genegenheid, liefde; minderen: verminderen.
46 schicken: het schikken, het zo maken.
49 arbeyd: moeite, inspanning; voort: vooruit, verder.
|
[p. 210]
-
- Daer ging het karmen aen en 't suchten der minnaren 51
- Die binnen het Palleys in d' eerste kamers waren.
- D'een was syn lief te straf, de tweede was te stuur, 53
- De derde schold syn lief voor een metalen muur
- 55
- Die onbeweeglyck was, de vierde voor ontrouwe, 55
- De vyfde vloeckten op de dubbelheyd der Vrouwen: 56
- D'een wenschten dat hy noyt geboren had geweest, 57
- En d' ander dat hy strax mocht geven synen geest, 58
- 't Was vreemd te sien hoe d'een hem in syn vreughd verblyden, 59
- 60
- En hoe sich d' ander weer bedroefden in syn lyden.
- 't Langmoedige Geduld, verselschapt met de Hoop, 61
- Die waren nimmer stil, maer altyd op de loop, 62
- Die spysden haer al t'saem met troostelycke woorden, 63
- Alwaer sy somtydts wel, en somtyds niet nae hoorden.
- 65
- Doen klommen wy voort op de trappen van Metael, 65
- Tot dat wy raeckten in de kostelycke Sael, 66
- Van goud was d' heele vloer, de wand aen alle kanten
- Van Helder blau Saphier, 't gewulf van Diamanten, 68
- De Pylaers waren Peerl, de glasen Cristalyn, 69
- 70
- Ick docht, dit moet voorwaer der minnaers Hemel zyn.
- [131] In 't midden vande Sael (het welck my best behaeghden) 71
- Sagh ick een schoone Rey van Iongmans ende Maeghden,
- Al staende twee en twee op 't lieffelyckst by een, 73
- In wien de soete vreughd alleen te wonen scheen.
- 75
- Voor aen in 't eerst gelit stond d' eerste van myn vrienden,
- De Heer Rembt Rengers, die een soeten praet verlienden, 76
- Der welgeboren Maeghd Fransken van Camminga: 77
- Daer volghden Ornia en Margrietje Boners na. 78
- Meer sagh ick die ick kond, bequaem gevoeght by paren, 79
- 80
- Ick bad Cupido dat hy my wou openbaren 80
|
53 d'een was: voor de een was, de ene vond; te: zeer; straf: hardvochtig; stuur: onwillig.
56 dubbelheyd: dubbelhartigheid.
57 had geweest: was geworden.
59 hem: zich; verblyden: verblijdde.
61 langmoedige: lankmoedige; verselschapt met: in gezelschap van.
62 op de loop: in de weer.
63 spysden: spijzigden; troostelycke: troostende.
65 voort: verder; dadelijk.
66 raeckten: terechtkwamen; kostelycke: kostbaar versierde.
68 gewulf: gewelf, zoldering.
69 pylaers: pilaren; peerl: van parel; glasen: ruiten.
71 best: 't best, 't meest.
73 twee en twee: twee bij twee; op 't lieffelyckst: zo liefdevol mogelijk.
76 die een soeten praet verlienden: die een aangenaam gesprek onderhield met.
79 kond: kende; bequaem gevoeght by paren: met oordeel tot paren samengevoegd.
|
[p. 211]
-
- Wat dat te seggen waer, die my tot antwoord gaf, 81
- Dit is een blyde schaer, wiens pleyt nu daed'lyck af 82
- Gedaen sal worden: sy verwachten Venus Oordeel, 83
- Die 't vonnis strycken sal volkomen tot haer voordeel: 84
- 85
- Dus barst de blye vreughd haer tot de oogen uyt; 85
- D'een midts hy Bruygom wordt, d'aer midts sy wordt de Bruydt. 86
- Kom laet ons nu te saem in dese kamer treden,
- Daer sult ghy hooren aen, hoe treffelijck met reden 88
- Beweerd word hare saeck, en hoe men overleyd 89
- 90
- Haer deughden, schatten, roem, haer Stammen loflijckheyd, 90
- Eer 't heyligh, bondigh Echt, haer beyde komt te geven, 91
- De vreughden van te saem altijd in vreughd te leven.
- Midts opende de deur, de deur van klaer Robyn, 93
- Daer sagh ick opgepronckt, gelijck de Sonne-schyn, 94
- 95
- Vrou Venus in haer Throon, omringd met deftigheden, 95
- Met Raden kloeck van geest, en treftigh in haer zeden. 96
- [132] Wysheyd, Voorsichtigheyd, Sorghvuldigh achterdocht, 97
- Deughd, Eer, standvaste Liefd Godvruchtigh opgebrocht, 98
- Recklycke Matigheyd, Rechtvaerdigheyd in daden, 99
- 100
- Dees waren op die tyd haer redelycke raden: 100
- En d'opperste van al was Reden selfs, die 't woord 101
- In 't eerst en 't laetste deed, gelyck na re'en behoord. 102
- Doe wierd daer sterck gescheld, midts quamen in de kamer 103
- Twee mannen braef ter tael, ick hoorde noyd bequamer; 104
- 105
- Die vast op dese wys in Nederduytsche spraeck 105
- Verdedighden het recht van hare Meesters saeck.
- Also (sprack d'Advocaet) de gaven van myn Heere, 107
- Syn Ridderlycke Stam, beroemd in alle Eere, 108
|
81 wat dat te seggen waer: wat dat te betekenen had.
82 wiens: wier; afgedaen: beslecht.
83 verwachten: wachten op.
84 strycken: uitspreken; haer: hun.
85 haer tot de oogen uyt: uit hun ogen.
86 midts: omdat; aer: ander.
88 treffelijck: voortreffelijk; met reden: met pleit-redenen.
89 beweerd: verdedigd; overleyd: bespreekt.
90 schatten: rijkdom; haer Stammen loflijckheyd: de voortreffelijkheid van hun voorvaderen.
91 bondigh: bindend; Echt: huwelijk; komt te geven: zal geven.
93 midts: inmiddels; opende: ging open.
94 opgepronckt: van alle luister voorzien.
95 deftigheden: ernstige lieden.
96 raden: raadsheren; treftigh: voortreffelijk; in: wat betreft; haer zeden: hun manieren.
97 voorsichtigheyd: vooruitziende blik; achterdocht: overleg.
98 godvruchtigh: godvrezend; opgebrocht: opgevoed.
99 recklycke matigheyd: inschikkelijke gematigdheid.
100 redelycke: wijze; Raden: raadsheren.
101 Reden: de rede; selfs: zelf.
102 in 't eerste en 't laetste: bij 't begin en aan het slot; na re'en: naar redelijkheid.
103 wierd: werd; sterck: luid; gescheld: gebeld; midts: inmiddels.
104 braef ter tael: welbespraakt.
|
[p. 212]
-
- Syn ingeboren deughd, syn ommegang, syn staet, 109
- 110
- Syn vroom, syn heusch gemoed, syn vriendelyck gelaet, 110
- Syn lof by yeder een, syn onbevleckte leven,
- Het welck hem tot de staet des hoogheyds heeft verheven, 112
- Syn onvervalschte liefd tot syn beminde Vrou:
- Tot we'erliefd een Prinçes met recht bekoren sou. 114
- 115
- Heb ick my voor u Throon, Vrou Venus, willen setten,
- Versoeckende dat ghy niet langer wild beletten
- D'onsprekelycke vreughd die d'Heer genieten sal, 117
- Wanneer ghy eenmael hem vereenighd met syn al, 118
- De vierbaeck van syn kours, de zeylsteen die syn sinnen 119
- 120
- Getrocken had en heeft om eeuwigh haer te minnen. 120
- Gedenckt eens Raden, en het vonnis recht verliend, 121
- Of hy haer tot syn Vrou niet wettelyck verdiend: 122
- [133] Die syn beroemd geslacht ruym seven honderd jaren,
- (Gelyck de Schryvers der Historien verklaren)
- 125
- In alder eeren teld, wiens groote loflyckheyd 125
- Tot aen des Werelds end is loffelyck verbreyd;
- Was 't Rengers niet die hem so treflyck had gedragen,
- Dat hy tot Ridder van de Keyser wierd geslagen?
- Was 't Rengers niet, dien wierd syn eygen Tol en Munt 129
- 130
- Twee honderd iaer verle'en, so heerelyck gegund? 130
- Wat soud' ick van die Stam wel deftigheden noemen! 131
- Maer wyl d'Historien so loflyck daer van roemen, 132
- Acht ick onnoodigh en tydquistigh dat verhael: 133
- Midts die bekend is aen de Raden altemael.
- 135
- Nu, om den braven Heer te komen tydlijck nader, 135
- Wat loffelijcke lof verdiend syn oude Vader, 136
- Van iongs geoeffend in geleerde wetenschap,
- En nu gestegen tot des Eers beroemdste trap?
- Die d'allereerste mael, doen 't moedige Groningen 139
|
109 ingeboren: ingeschapen; staet: aanzien, positie.
110 vroom: edel; gelaet: houding, doen en laten.
112 staet des hoogheyds: aanzienlijke positie.
114 prinçes: vorstin; bekoren: bewegen, overhalen.
117 onsprekelycke: onuitsprekelijke.
119 vierbaeck: vuurbaken; kours: koers; zeylsteen: magneet; sinnen: gedachten, geest.
120 getrocken: aangetrokken, er toe gebracht.
121 gedenckt: bedenkt; recht: naar recht; verliend: geeft.
122 wettelyck: volgens de wet.
125 in alder eeren: in alle eer; loflyckheyd: voortreffelijkheid.
130 verle'en: geleden; soo heerelyck: op zo vorstelijke wijze.
131 deftigheden: aanzienlijke lieden; noemen: kunnen noemen.
132 wyl: daar; so loflyck: met zoveel lof.
133 tydquistigh: verkwisting van tijd, tijdverspilling.
135 braven: edele; tydlijck: in tijd, wat de tijd betreft.
136 loffelijcke: voortreffelijke.
139 moedige: overmoedige, hoogmoedige.
|
[p. 213]
-
- 140
- Sich door de krachten liet der Heeren Staten dwingen, 140
- Gedeputeerde Staet erweeld is van dat Land, 141
- Om syn manhafte deughd, getrouheyd en verstand.
- En Heerlyck 't selvigh Ampt tot nut van Stadt en Landen, 143
- Tot lof van hem en syns, bevrijd van alle schanden, 144
- 145
- Bediend heeft, tot men het Bestand heeft aengegaen, 145
- En doen het wederom (om reden) afgestaen. 146
- En al-hoe-wel hy nu teld viermael twintigh iaren,
- Wil hy zijn dienst tot nut syns Vaderlands niet sparen;
- [134] Van alle man bemind, van yeder onbeklaeghd, 149
- 150
- Hy sich Curator noch des Academijs draeghd. 150
- Maer ick begeer geensins, ô dubbel wyse Raden!
- Te trecken al zijn roem uyt zijn voor-Ouders daden, 152
- Die hem tot een voorbeeld verstrecken, en tot eer, 153
- So hy haer sporen volghd, so niet, tot schande weer. 154
- 155
- Maer op zijn eygen lof, zijn eygen naerstigheden, 155
- Sijn eygen e'el gemoed, zijn eygen goede zeden,
- Sijn eygen lust tot deughd, die nieuwen Adel baerd, 157
- Roem ick met reden, als een saeck wel roemens waerd. 158
- Midts hy het spoor vervolghd van zijn voor-Ouders wegen, 159
- 160
- En van zijn kindsheyd af met arbeyd is gestegen 160
- Op des geleerdheyds bergh, met lust en naerstigheyd,
- 't Welck yeder op het pad van lof en eere leyd,
- Wat Land, wat hooge School is schier voor hem verholen? 163
- Die d'Academien en al de hooge Scholen
- 165
- Meest yvrigh heeft doorsien, daer eerlijck lang verkeerd, 165
- En van een yeder wat tot synen lof geleerd.
- Die 't lieflijck Engeland heeft door en door gereden,
- Die Vranckrijck heeft doorreyst met al haer trotsche Steden,
- Italien doorsien, van d'Hadriaetsche strand
- 170
- Tot op den Tyber toe, te water en te Land. 170
- En na hy op zijn reys geleerd had met vermaken, 171
|
140 krachten: legermacht.
143 heerlyck: uitmuntend; 't selvigh: dit.
144 syns: de zijnen; bevrijd van: vrij van.
145 bestand: wapenstilstand; aengegaen: gesloten.
146 wederom: weer; om reden: om gegronde reden, terecht.
149 van: door; alle man: iedereen; van yeder onbeklaeghd: door niemand aangeklaagd.
150 sich draeghd: de positie inneemt van.
152 te trecken: af te leiden.
154 so: als; so niet: als hij dat niet doet.
155 naerstigheden: ijver.
157 adel: adeldom; baerd: doet ontstaan.
158 roemens waerd: het roemen waard.
159 midts: daar; vervolghd: volgt.
160 met arbeyd: met moeite, door inspanning.
163 schier: (bijna) nog; verholen: verborgen; onbekend.
165 meest: zoveel mogelijk; doorsien: bezichtigd; eerlijck: met eer; verkeerd: vertoefd.
171 na: nadat; met vermaken: voor zijn genoegen.
|
[p. 214]
-
- De Spaensche, Fransche, en d'Italiaensche spraken,
- Met eeren t'huys gekeerd, daer daed'lijck sich begeven 173
- Om hem tot lof, zijn land tot nut en dienst te leven,
- 175
- [135] Tot Redjer-Rechten en tot Oever-Rechten, met 175
- De Scheppery der dry Delfzielen strax geset. 176
- Daer nae tot Heer en Raed seer loffelijck verkoren 177
- Van d'Admiraliteyt, geen tijd ging hem verloren,
- Want doe hy dat verliet, wierd hy met meerder eer 179
- 180
- Gedeputeerde Staet van Stadt en Landen weer.
- Waer in hy op een nieu vernieut is, en op heden 181
- 't Noch loffelijck bediend, ia eerd door syne zeden. 182
- Nu, sulcken braven man, van goedertieren aerd, 183
- In wien de deughden zijn volkomentlijck vergaerd,
- 185
- So treffelijck van Stam, en in zijn ionge iaren 185
- So wel in alle konst en wetenschap ervaren:
- Dus vierigh, dus volmaeckt, heeft zijn getrouwe min 187
- Gevest op dese Maeghd; dat hy haer voor Goddin 188
- Van zijn gedachten houd, en sy hem weer, ô Reden! 189
- 190
- Wat reden is 't dat sy van hem word afgesneden?
- Voeghd doch door d'Heyligh' Echt dees twee geliefkens t'saem,
- Ick sweer u, 't voegen sal hun beyd zijn aengenaem. 192
- Hier heeft den Advocaet des Iongen Heers geswegen,
- En 's Iuffrous Voorspraeck is doen weder opgestegen: 194
- 195
- Die, na dat hy gegroet had Venus en haer Raedt,
- Aldus geantwoord heeft den eersten Advocaet.
- Of schoon d'Heer Rengers met een yverigh verlangen, 197
- Wenscht om gewenschte troost van mijn Meestérs t'ontfangen, 198
- En om haer gonste bid, en om haer liefde smeeckt, 199
- 200
- Daer ghy soo dapper van tot synen voordeel spreeckt: 200
- [136] Denckt eenmael wie sy is, en of men een waerdye, 201
|
173 sich begeven: zich er op ingesteld (heeft).
175 redjer-rechten: het ambt van redjer (rechter); over-rechten: het ambt van overrechter.
176 scheppery: waterschap; Delfzielen: zijlen (sluizen) in de Delf; strax: onmiddellijk; hem geset: zich gezet (heeft).
177 loffelijck: op eervolle wijze; verkoren: gekozen.
179 wierd: werd; meerder: groter.
181 op een nieu: opnieuw; vernieut: weer aangesteld, verlengd; op heden: nu.
182 't: dit ambt; eerd: eervol maakt.
183 sulcken braven: zo'n voortreffelijk.
185 Stam: afstamming; in: voor.
187 vierigh: vurig, ijverig; dus: zo.
188 gevest: gevestigd; dat: zodat.
192 't voegen: de vereniging.
194 Juffrou: jonkvrouw; voorspraeck: advocaat; weder: op zijn beurt; opgestegen: opgestaan.
198 wenscht om: er naar verlangt; gewenschte: verlangde, aangename; meestérs: meesteres.
199 gonste: genegenheid, liefde.
200 daer .... van: waarover; dapper: zeer.
201 denckt: bedenk; eenmael: eens; waerdye: waardevol bezit.
|
[p. 215]
-
- Gelijck mijn Iuffrou, kan verwerven sonder lyen? 202
- Denckt om haer hooge Stam, haer schoonheyd, kuysheyd, deugd, 203
- Haer deftige gelaet, haer lieffelycke ieugd; 204
- 205
- En of een sake daer soo veel is aen gelegen, 205
- Oock worden kan dan door seer grooten moeyt verkregen? 206
- Denckt dat dees schoone Zon, dien hy wenscht tot syn Bruydt,
- Van Camminga dat oud beroemd geslachte spruyt.
- Van Camminga die door syn groote' aensienlijckheden, 209
- 210
- Ruym vyfthien honderd iaer en seventigh geleden,
- Wierd met syn medgesel gesonden als Legaet, 211
- Van wegen Friesland, en de gantsche Friesche Staet,
- Aen Keyser Nero, die grootmoedigh binnen Romen 213
- In het Theatrum van Pompejus is gekomen,
- 215
- Daer, doen hy met syn med-Gecommitteerde quam, 215
- Hy onder den Senaet van Romen plaetse nam.
- Van Camminga die in de Christelijcke stryden, 217
- In 't heetste van 't gevaer, in 't opperst van het lyden, 218
- Doen den AEgyptischen Soudaen met sulcken klem 219
- 220
- Den Koning Balduin van 't oud Jerusalem
- Bestreed, hun hebben soo manhaftigh staegh gequeten, 221
- Dat al d'Historien daer van te seggen weten.
- Van Camminga dien Held die Frieslands Potestaet 223
- Grootmoedigh is geweest, soo wel in raed als daedt, 224
- 225
- Van Camminga die in de Hulding onser Landen 225
- Aen Prinçe Carel van Hispanien, hun verstanden 226
- [137] En trouheyd blijcken de'en, die ruym dry honderd iaer 227
- De brave Heerlyckheyd van Ameland in haer 228
- Graed hebben staegh gehadt, het welck door het believen 229
- 230
- Van Maximiliaen met Keyserlycke brieven
- Seer sterck bevestighd wierd, tot Lof van 't braef geslacht,
- Dat soo veel Helden trotsch had loflyck voortgebracht. 232
|
202 Juffrou: Jonkvrouw; lyen: lijden.
204 deftige: ernstige; gelaet: manier van doen.
205 daer soo veel is aen gelegen: van zo grote betekenis.
206 oock worden kan dan verkregen: wel kan worden verkregen op een andere wijze dan.
209 aensienlijckheden: aanzien.
213 aen: naar; grootmoedigh: zelfbewust.
217 stryden: oorlogen, gevechten.
218 in 't opperst van het lyden: in het ergste lijden.
219 soudaen: sultan; klem: kracht, vuur.
221 hun: zich; staegh: steeds.
223 potestaet: machthebber.
224 grootmoedigh: groot van karakter.
225 hulding: huldiging, het afleggen van de eed van trouw.
226 prinçe: vorst; verstanden: verstand, inzicht.
227 trouheyd: trouw; blijcken de'en: bewijs gaven van.
229 graed: graad van bloedverwantschap, familie. believen: goedkeuring.
232 helden trotsch: trotse helden; loflyck: op eervolle wijze.
|
[p. 216]
-
- Dees wel-geboren Maeghd van Vry-Heers Stam gesproten, 233
- Heeft, watmen wenschen kan van d'hooge Godt genoten, 234
- 235
- Ia, 'k acht dat de Natuyr het uyterst van haer kracht 235
- In 't çieren van haer lyf te wege heeft gebracht, 236
- In deughden munt sy uyt, van aerd seer goedertierigh, 237
- Van wesen lieffelyck, in zeden seer manierigh, 238
- Haer hayr, het welck in glans de Son syn glans beroofd, 239
- 240
- Als een gekrolde kroon omringd haer gulden hoofd, 240
- Wiens strickjes goude dra'en gelyck, vol schoone krullen, 241
- Den wyste syn gemoed in liefd verstricken sullen, 242
- Haer poeselachtigh vel schynd wit; maer sacht, yvoor;
- Daer spelen flau en schoon de blauwe ad'ren door, 244
- 245
- Haer hooge voorhoofd schynd een silverbergh te wesen,
- Waer uyt men kan de geest van hare harsens lesen, 246
- Haer oogjes als een git in 't blauwe Cristalyn
- Op 't çierlyckst in geset, twee tintel-starren syn, 248
- Haer kleyne wynbrauwen gelyck twee Ebben boogjes, 249
- 250
- Of als een halve Maen omçingelen haer oogjes, 250
- Haer wesen Prinçelyck is soo vol Majesteyts, 251
- Dat ick noyt in een Vrou sagh soo veel deftigheyts. 252
- [138] Haer lipjes als een kars, of brandende robynen, 253
- Waer door haer tandtjes als geslepen peerlen schynen,
- 255
- Haer wangen als een roos, met daeltjes schoon verçierd, 255
- Waer op het blancke sneeu op 't lieffelyckste swierd, 256
- Haer kin op 't schoonst geklooft, in 't kort, in alle deelen 257
- Des lichaems soo volmaeckt, dat, had ick honderd keelen,
- En honderd tongen, met een yseren geluyt,
- 260
- Noch soud ick haren lof niet konnen beelden uyt. 260
- 't Schynd dat het snel gerucht heeft aller menschen monden
- Gevoeghd by haer basuyn, om loflyck te verkonden
- Haer wel-verdiende lof, so loflyck is haer deughd,
|
233 van vry-Heers stam: afstammend van de vrijheer (v. Ameland).
235 het uyterst van haer kracht: het beste, wat zij vermag.
237 goedertierigh: goedertierend.
238 wesen: gelaat; manierigh: zoals het behoort.
242 den wyste syn gemoed: het gemoed van de wijste.
246 harsens: hersens, verstand.
248 op 't çierlyckst: zo sierlijk mogelijk.
249 wynbrauwen: wenkbrauwen; ebben: ebben-houten.
251 haer wesen prinçelijck: haar vorstelijk gelaat.
253 kars: kers; brandende: stralende, fonkelende.
255 daeltjes schoon: schone kuiltjes.
256 op 't lieffelyckste: zo bevallig mogelijk.
257 in 't kort: om kort te gaan.
260 konnen beelden uyt: kunnen uitbeelden.
|
[p. 217]
-
- So braef haer ommegang, so kuysch haer ionge ieughd,
- 265
- So eerbaer haer gelaet, so çierelyck haer zeden, 265
- So lieffelyck haer aerd, so treffelyck haer reden. 266
- Dan wijl d'Heer Rengers door syn deughdelycken aerd, 267
- Sich selven lof en eer by al de wereld baerd, 268
- En syn standvaste min haer duyd'lyck heeft doen tonen: 269
- 270
- Wil sy zyn trouwe liefd met wederliefd belonen,
- So veer 't de Reden en de Raden dunckt gera'en, 271
- Sy sal naer uwe wil en u geboden gaen.
- De Reden die gebood partyen te vertrecken,
- Die volgens syn gebodt oock daed-lyck gingen decken, 274
- 275
- Daer wierd doen rypelyck beraedslaeghd, of men sou
- Toelaten ofte niet dees hoogh-begeerde trou.
- Het stond in twyffel eerst, maer doen de raed der vrienden 277
- Haer wil aen beyde zyds tot dit versaem verlienden, 278
- [139] Beslootmen 't endlyck, en de Goddelycke Echt 279
- 280
- Heeft beyd haer lichamen een-sieligh t'saem gehecht. 280
- Doen ging 't Trompetten aen, doen kloncken de Schalmeijen, 281
- Doen saghmen op de Zael een groote vreughd bereijen, 282
- Cupido die vertrock, ick volghden hem bekans 283
- Tot op de Vorst van 't huys, tot inde cop'ren krans: 284
- 285
- Daer sagh ick op de Zee dwars door de blauwe baren
- Een treffelyck groot schip van verre komen varen.
- Ick vraeghden 't vlugge wicht, de stoock-brand vande min, 287
- Wat heerlyck schip is dat, en wie is doch daer in?
- 't Is (seyd Cupido weer) den wel-geboren Heere
- 290
- Van Ameland, die doet d'Heer Rengers aen de eere,
- Dat hy zyn lieve Bruydt, zyn dochter voeren laet
- Na Groningen, en haer verheerlyckt met zyn staet, 292
- Alwaer hy haer met lust bly-geestigh sal ontfangen. 293
- 't Schip quam vast bruyssend aen, ô Goon wat ging het gangen! 294
|
265 gelaet: houding; zeden: manieren.
266 reden: conversatie, woorden.
267 dan: maar; wijl: daar; deughdelyck: deugdzaam.
268 baerd: verwekt, veroorzaakt.
269 doen toonen: getoond, bewezen.
271 so veer: voor zover, indien; Reden: Rede; gera'en: geraden.
274 decken: zich terugtrekken.
277 het stond in twyffel eerst: het was eerst twijfelachtig.
278 wil: toestemming; zyds: zijden; dit versaem: deze vereniging.
279 besloot: sloot; 't: het huwelijk.
280 eensieligh: één van ziel, tot één ziel; beyd haer: hun beide.
282 op: in; bereijen: gereedmaken.
287 stoock-brand: aanstoker.
292 verheerlyckt: eer bewijst; staet: aanzien.
294 wat ging het gangen: wat maakte het gangen.
|
[p. 218]
-
- 295
- Het dansten staegh van vreughd, als of het seggen wou,
- Hier heb ick in myn roef de alderschoonste Vrou
- Dien oyt Natura schiep, de trotsche zeylen swollen
- Hovaerdigh, doen de wind de wimpels uyt de' rollen, 298
- Tot teycken van zyn pracht, om dat door zyn behulp 299
- 300
- De Nimphe vorder quam, Neptun zat op een Schulp 300
- Met zyn dry-tande Vorck, en Triton blies den horen 301
- So krachtigh, dat ick het kon hooren op den Toren,
- 't Was vreemd wat Tethys en wat Amphitrite de'e
- Met haer gespelen in de sporelose Zee, 304
- 305
- [140] Hoe soet sy lobberden, hand-backten, speelden, songen, 305
- De baren selfs om 't Schip van groote blydschap sprongen, 306
- Om dat sy op haer rugh de Phoenix van dit land,
- Die beyd in le'en en ze'en de kroon van Vriesland spand 308
- Geluckigh voerden med', ia 't scheen wanneer sy scheyden 309
- 310
- Aen 't druypen van het schip, dat sy weemoedigh schreyden,
- Om dat sy tegen danck verlaten mosten haer, 311
- Wiens tweed' in haer gebied nau meer te vinden waer. 312
- Dus rolden 't Schip vast voort dwars door de soute stromen,
- Tot dat het by 't Reydiep ten laetsten is gekomen. 314
- 315
- Daer sat Pausylupe en d'oude Nereus weer,
- Met Doris, Phocis en veel stroom-Goddinnen meer,
- Te wachten op haer komst die haer met vreughd ontfongen, 317
- En dit bly-geestigh Liedt tot haerder eeren songen:
|
299 pracht: pralerij; door zyn behulp: met zijn hulp, door zijn toedoen.
300 vorder: verder, vooruit; schulp: schelp.
301 dry-tande: drietandige.
304 sporelose zee: zee zonder rimpels.
305 lobberden: plasten, waadden; hand-backten: in de handen klapten.
308 beyd ... en: zowel ... als; in: wat betreft.
311 tegen danck: tegen hun zin; mosten: moesten.
312 wiens tweed': wier evenbeeld; nau: nauwelijks.
317 ontfongen: ontvingen, verwelkomden.
|
[O Nymph seer hoogh van waerd]*
- L'Avognone. Fol. 26.
-
- 1.
- O Nymph seer hoogh van waerd, 319
- 320
- Wiens schoonheyd en deughd een pronck is vander aerd. 320
- Weest wellekoom, op onsen stroom,
- Die ghy beseyld, bevryd van schroom.
|
319 waerd: waarde, aanzien.
320 wiens: wier; pronck: sieraad.
|
[p. 219]
-
- De Goden, die noden u ieughd 323
- Tot vreughd, vermidts u deughd 324
- 325
- U soo verrijckt, en heerlijck blijckt, 325
- Dat ghy Areta gantsch gelijckt.
-
- 2.
- U blyde Bruydegom
- Verwacht u, dien ghy sult syn soo wellekom,
- [141] Als in 't begin, Tethijs Goddin
- 330
- Ons swager Peleus was door min. 330
- Syn oogen, die poogen allien 331
- Te sien, u (schoone) in wien
- Syns levens lust, volkomen rust: 333
- Wiens hette u komst door liefde blust. 334
-
- 335
- Dus singende verdween de Zee-triumph op 't laest 335
- Geheel uyt myn gesicht, maer dat my meest verbaest 336
- Gemaeckt heeft, was, dat strax versonck den grooten Toren,
- En ick vond my weerom iuyst daer ick was te voren, 338
- Cupido, 't blinde wicht, was voor St. felten heen, 339
- 340
- En ick stond suyvertjes te kycken daer alleen. 340
- Wel dan, gewenschte Paer, dewyl dit als in 't dromen 341
- My voor de oogen en ten ooren is gekomen,
- En u gewenschte Echt door wel-beleyde min 343
- Begangen is naer u, en uwer vrienden sin: 344
- 345
- Wensch ick dat d' Opper-Heer, die alle aerdsche saken
- Naer synen wensch bestierd, u levens loop wil maken 346
- So vreughdigh, vol geluck, voorspoedigh en beroemt:
- Dat ghy u selven selfs altyd geluckigh noemd.
- Dat geenderleye ramp, noch nyd van d'een of d'ander 349
- 350
- U liefden oyt in haet, noch vreughd in rou verander.
- Dit gun u d'hooge God die al ons doent beleyd, 351
- En naer uws levens eynd de ware saligheyd. 352
|
323 u ieughd: u die zo jong zijt.
325 verrijckt: rijk maakt.
331 poogen allien: streven er slechts naar.
333 volkomen rust: geheel berust.
334 hette: liefdegloed; u: uw.
335 triumph: triomftocht.
336 meest: het meest; verbaest: verbijsterd.
339 wicht: schepsel; was voor St. felten heen: was er als de weerlicht van door gegaan.
340 suyvertjes: helemaal (bij: alleen).
341 gewenschte: geliefde, beminde.
343 gewenschte: begeerde (waarnaar gij verlangd hebt); wel-beleyde: goedoverlegde.
344 begangen: begaan, gesloten; u: uw; vrienden: familie.
346 bestierd: bestuurt, regelt.
351 doent: doen; beleyd: regelt.
352 naer: na (het einde van uw leven gunne hij u etc.).
|
|
|