[p. 220]
[142] Bruydt-Lofs-Gedicht,
Ter eeren Dominicus Ornia, Ende Margarita Boners. *
- Na dat de bruyne nacht met haer gestarde rocken 1
- Het çierelycke blauw des Hemels had betrocken, 2
- En d'heldre dageraed met haer saffrane kleed 3
- De boodschap vande dagh weer aen de menschen deed:
- 5
- Heeft Morpheus zijn wolck, zijn mistigh kleed getogen
- Van myn beneveld' en noch sluymerende ogen, 6
- De sorgeloose slaep verliet mijn, en ick sagh
- Door 't venster in mijn hof, hoe d'heughelijcke dagh
- Syn flauwe (niet-te-min seer aengename) stralen
- 10
- Liet op 't bedoude groen en 't koude Aerdrijck dalen: 10
- Dies sprong ick van mijn bed, verlatende myn rust, 11
- Afkeerigh van 't gemack, beswangerd met een lust, 12
- En brandend' yver om yet çierelycx te dichten, 13
- Waer met ick yemand mocht vermaken ofte stichten. 14
- 15
- Ick schoot mijn kleeren aen, ick maeckte mijn gereed;
- Maer ick was nau gekemd, gewasschen en gekleed, 16
- Of 'k hoorde voor de deur van myn gesloten kamer
- Dry sachte klopjes met een kleyn Metalen hamer: 18
- [143] Wel (docht ick) wat is dit? ick opende de deur,
- 20
- Doen stond Cupido daer met boogh en pylen veur:
|
* Het huwelijk vond plaats te Leeuwarden 21 april 1620 met Margriete Boner.
1 bruyne: donkere; gestarde rocken: kleed met sterren.
3 saffrane: saffraankleurig.
6 beneveld: door slaap bevangen.
12 beswangerd met: aangestoken door.
13 yet çierelycx: iets fraais.
14 mocht: zou kunnen; vermaken: behagen.
16 nau: nauwelijks; gekemd: gekamd.
|
[p. 221]
-
- Ick seyde: wellekoom myn soete Speelgenoodtje, 21
- Waer komt ghy doch van daen? komt in myn kleyne Goodtje, 22
- Hier heb ick Brandewyn met Suycker en Muscaet,
- Cupido, dat 's een dranck die sich wel drincken laet,
- 25
- Besonder smorgens vroegh: nu hartje waerom loopje? 25
- Komt sit wat by mijn neer, ick breng dy eens een soopje: 26
- De brandewijn is warm, die gloeyt in onse borst,
- Die reynighd onse maegh, die hoed ons voor de dorst. 28
- Hoe slechtjes zijt ghy noch (sprack 't wichtjen) in u praten; 29
- 30
- Waer saeghd ghy dat de Go'on oyt droncken ofte aten?
- Sy hebben niet van doen, sy hoeven spijs noch dranck, 31
- Dies weet ick voor die gaef en gonst u weynigh danck, 32
- Ghy kond met dese kost mijn Godheyd niet vermaken: 33
- Dat ick hier by u kom geschied om and're saken:
- 35
- Dus luysterd naerstigh toe tot ick het u vertel. 35
- Wel sit dan (seyd ick) wat soo lang op die schabel, 36
- En leght u boogjen neer, u wonderbare flitsen, 37
- Die maeghden koelen, en der minners hert verhitsen, 38
- Nae 't u behaeghlijck is. De minne-Godt sat neer, 39
- 40
- Hy leyde op mijn disch zijn lieffelijck geweer, 40
- En is aldus met mijn in het gespreck getreden.
- 't Is u noch wel bewust, hoe ick onlangs geleden, 42
- U brocht op een Palleys, in 't midden vande Zee,
- Daer ick u al de pracht mijns Moeders toonen de'e, 44
- 45
- [144] Hoe dat voor hare deur veel klagende Minnaren 45
- Met briefjens in haer hand gestadelycken waren, 46
- Die sy my reyckten toe wanneer ick binnen tradt, 47
- Op dat ick van myn Moe'r haer loopens eynd verbadt, 48
- Met meer omstandigheyd te langh om te verhalen: 49
- 50
- En hoe ick eynd'lyck u brocht in de gulde zalen,
- De zalen vol geneughd, de zalen vol geluck,
|
25 besonder: vooral; hartje: liefje.
26 ick breng dy eens een soopje: ik neem een slok op Uw gezondheid.
29 slechtjes: dwaas, onnozel; noch: nog altijd; wichtjen: schepseltje.
31 niet: niets; van doen: nodig; hoeven: behoeven.
32 dies: daarom; gonst: genegenheid; weet danck: ben dankbaar.
33 kond: kunt; mijn Godheyd: mij, die een God ben; vermaken: behagen.
35 naerstigh: ijverig, nauwlettend.
36 sit: ga zitten; schabel: voetbank.
38 maeghden: meisjes; koelen: koel maken; verhitsen: verhitten, doen gloeien.
39 nae 't u behaeghlijck is: al naar het u behaagt.
40 disch: tafel; geweer: wapen.
42 bewust: bekend; onlangs geleden: kort geleden.
44 daer: waar; toonen de'e: liet zien.
46 haer: hun; gestadelycken: aldoor.
48 verbadt: zou afsmeken, door vriendelijk verzoek zou verkrijgen.
49 omstandigheyd: vijven en zessen.
|
[p. 222]
-
- 't Begin van 's Minnaers vreughd, en 't eynde van haer druck: 52
- Alwaer ghy saeght een rey van vrolycke Gelieven,
- Die geestigh haer geluyd ten Hemel toe verhieven, 54
- 55
- En bloncken van çieraed, van wien ghy 't eerste Paer 55
- Wel kond, en vraeghden myn wat dat te seggen waer: 56
- 't Syn Minnaers (seyd' ick) die het eynd van haer verdrieten
- En d'aenvang van haer vreughd gereed syn te genieten, 58
- Haer pleyt is inde sack, haer loopen is gedaen, 59
- 60
- En 't vonnis van haer recht sal tot haer vordeel gaen, 60
- Doen opende de deur, de deur van Diamanten, 61
- Daer ghy myn Moeder saeghd omringd aen alle kanten
- Met Raden wys en oud, wiens namen ghy wel weet, 63
- Vermidts ick u dies tydts daer van de wete deed; 64
- 65
- Partyen wierden inge-eyscht, om hare saken 65
- t'Ontdecken, door haer Rechts-geleerden en Veur-spraken: 66
- Die quamen voor den dagh, en pleyten op de rol, 67
- Waer op myn Moeder selfs het vonnis wysen sol: 68
- Sy sat op haren Throon, sy hoorden met en tegen, 69
- 70
- En liet het daer na van de Reden overwegen; 70
- [145] En vindende dat Paer, in afkomst, deughden, le'en, 71
- Ieughd, schatten, liefd, verstand, en oock van sinnen een: 72
- Wees sy d'een d'ander toe, en wensch[t]en haer te samen
- Van d'aldereerste uur dat sy te samen quamen,
- 75
- Tot op haer sterfdagh toe, geluck, voorspoed, geneughd,
- En nae haer beyder dood, den Hemel tot haer vreughd.
- Doen hoorden ghy terstond Trompetten en Schalmeijen,
- En saeghd de gantsche Raed door d'after-deure scheijen. 78
- Wy keerden wederom nae d'eerste gulde zael,
- 80
- Daer was des Minnaers rey veranderd al-te-mael: 80
- Wel (seyd ghy) wat syn dit nu weer voor nieu Vertoners, 81
|
55 bloncken: schitterden; çieraed: versierselen.
56 kond: kendet; te seggen waer: te betekenen had.
59 haer pleyt is inde sack: hun zaak is in kannen en kruiken.
60 tot haer vordeel gaen: tot hun voordeel strekken, goed voor hen aflopen.
63 Raden: raadsheren; wiens: wier.
64 vermidts: daar; dies tydts: toentertijd; de wete deed: op de hoogte bracht.
65 wierden: werden; inge-eyscht: opgeroepen, gedaagd.
66 t'ontdecken: bloot te leggen, te ontvouwen; Veur-spraken: advocaten.
67 pleyten: pleitten; op de rol: in 't gerechtsgebouw.
68 selfs: zelf; sol: zou, moest.
70 Reden: Rede; van: door.
71 vindende: bevindende; le'en: leden.
72 schatten: bezit; van sinnen een: één van zin, geest, gemoed.
78 after-deure: achterdeur; scheijen: weggaan.
80 al-te-mael: geheel en al.
81 nieu: nieuwe; vertoners: betogers?
|
[p. 223]
-
- Is 't Douwe Ornia met Margarita Boners
- Niet, die in 't eerst gelit van dese Reye staet?
- 'k Loof nau dat hare trouw op 't uyterst swanger gaet. 84
- 85
- Cupido was dat waer! mocht ick dat vast geloven!
- Ick sweer u dat den Heer, den Opper-Heer hier boven,
- Gevoeghelijcker Paer noyt t'samen heeft gevoeghd, 87
- Daer my en al de Werld heeft beter aen ghenoeghd. 88
- In deughden beyd volmaeckt, in çierelijcke leden,
- 90
- In heuschen ommegang, in treffelijcke zeden, 90
- In schatten, afkomst, staet, in vrienden groot en ryck, 91
- Iae wat de Wereld heeft: malkander soo gelyck,
- Dat noyd den Hemel ded' gelycker Paer vergaren, 93
- Wiens vreughde groeijen sal met 't groeijen van haer iaren.
- 95
- Derhalven bid ick u, dat als haer saeck bepleyt
- Word voor de Throone van u Moeders Majesteyt,
- [146] Ghy u daer oock vervoeght, om naerstich nae de reden 97
- Te luysteren, op dat ghy al d'omstandigheden
- My vriendelijcker wijs weerom verhalen meught:
- 100
- Ick sal u eeuwigh weer sijn danckbaer voor die deughd. 100
- Ick nam het willigh aen, ghy badt dat ick niet sloften, 101
- Nu om u te voldoen in 't punct van mijn beloften 102
- Ben ick weerom ghekeerd, om u te doen verstaen, 103
- Hoe dat de saeck is in het pleyten toegegaen. 104
- 105
- De Raed die was vergaerd, de bancke wierd ghespannen, 105
- Daer wierden ingheheyst twee treffelijcke mannen. 106
- Veurspraken van dees twee ghelieven, dien de Re'en 107
- Afvraeghden, wie daer was versoecker van hun tween, 108
- De Iongman of de Maeghd. Des Iongmans Rechtsgeleerde
- 110
- Sijn ooghen daedlijck nae de wyse Reden keerden; 110
- En seyden, dat bin ick, die van mijn Meesters zijd 111
|
84 loof: geloof; nau: nauwelijks; hare: hun; op 't uyterst swanger gaet: op 't punt staat beklonken te worden.
87 gevoeghelijcker: beter bij elkaar passend.
88 daer my heeft aen ghenoeghd: waar ik behagen in heb.
90 treffelijcke: voortreffelijke; zeden: manieren.
91 schatten: bezit; staet: positie, aanzien.
93 ded': deed; vergaren: bijeenkomen.
97 ghy u daer vervoeght: gij u daarheen begeeft; naerstich: ijverig; reden: woorden.
101 willigh: graag; badt: verzocht; sloften: zou treuzelen.
102 voldoen: bevredigen; in 't punct van: wat betreft.
103 weerom: terug; verstaen: weten.
104 hoe dat: hoe; is toegegaen: zich toegedragen heeft.
105 de bancke wierd ghespannen: de rechtzitting werd formeel geopend.
106 ingheheyst: ingedaagd.
107 veurspraken: advocaten; dien: aan wie; Re'en: rede;
108 afvraeghden: afvroeg; versoecker: hij, die aanspraak maakt.
111 seyden: zei; van mijn Meesters zijd: uit naam van mijn meester.
|
[p. 224]
-
- Bid, dat ghy nu den draed van syn verdriet af-snijd, 112
- En hem tot synen Bruyd, de schoone Maeght verliendt, 113
- Dien niemand meer als hy, door reyne liefd verdiendt,
- 115
- Waer op de Reden tot des dochters Advocaet.
- Wat Ionck-vrou ist, die haer soo dapper bidden laet? 116
- Ondeckt ons haeren staet, deugd, afcomst, schoonheyd, schatten: 117
- Doen sprack de voorspraeck tot de Heeren die daer satten, 118
- Margrieta Boners ist, de pronck van onse jeughd, 119
- 120
- De roem van onse Stadt, de woonplaets van de vreughd, 120
- Wiens Vader rijck in eer, deugd, schatten, wijsheyd, vrienden, 121
- Dat treffelijcke ampt in synen tijd, bedienden,
- [147] Van Generael Commijs, tot troost van die hem vroom, 123
- Tot schrick van die hem droeg gansch tegen redens stroom,
- 125
- Die nae dat hy hem so in d'eerst', als laetste daghen, 125
- Had als een voorbeeld van de vroomheyd selfs ghedragen, 126
- Verciert met alles wat den Heer oyt menschen gaf, 127
- Met onverwelckbaer roem gedaeld is in sijn graf.
- Nae latende dit beeld begaeft met alle gaven,
- 130
- Die oyt Natura heeft in 't menschlijck rif begraven. 130
- Haer blonde hayren daer de blonde Phoebus self
- Sijn blonde glans van haeld, tot pronck van 't blau-gewelf:
- Sijn gulde kettens, die de sinnen en 't vermoghen 133
- Der Iongmans vleuglen, die haer yverich be-oogen. 134
- 135
- Haer poeselachtig vel, verwind de schoonheyd van 135
- De blanckste schuymen, die de Zee opwerpen kan, 136
- Wanner sy is versteurt, en d'onbewogen rotsen 137
- Schijnt met haer golven vol onstuymicheyts te trotsen. 138
- Haer voorhooft hoog en breed, is een yvoren veld,
- 140
- Waer in Natuer ten thoon haer rijcke gaven steld.
- De lieve lidtjes van haer lieffelycker oogjes: 141
- Syn Peerle deckseltjes, omringd met goude boogjes, 142
|
113 verliendt: verleent, geeft.
116 haer: zich; dapper: erg, zeer.
117 ondeckt: ontdek, openbaar; staet: positie.
119 de pronck: het sieraad, het puikje.
120 de woonplaets van de vreughd: de altijd blijmoedige.
123 tot steun van degene, die zich flink gedroeg, tot schrik van degene, die zich gedroeg in strijd met wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden.
126 vroomheyd: flinkheid.
127 verciert met: begaafd met.
130 rif: lichaam; begraven: ondergebracht.
133 gulde: gouden; kettens: kettingen; sinnen: gedachten, geest; 't vermoghen: kracht.
134 vleuglen: bevleugelen; be-oogen: bekijken.
136 schuymen: vlokken schuim.
137 versteurt: vertoornd.
141 lieffelycker: liefelijke.
|
[p. 225]
-
- Besluytend onder haren kas een Sonne-schyn,
- Waer voor Apolloos glans beschaemd sou moeten syn,
- 145
- Haer oogjens teyst'ren als twee held're morgen-Sterren, 145
- Het welck den wysten mensch syn sinnen sou verwerren: 146
- 't Schynd dat de vreughd, ia dat de voncken van de min
- Daer houden hun Palleys en schoonste schou-plaets in.
- [148] Iae dat Cupido self daer çierlyck sit te proncken,
- 150
- En schiet syn pylen door haer lodderlycke loncken, 150
- In yder Minnaers hert, sy trecken elcx gemoet
- Veel stercker na haer toe als zeyl-steen 't yser doet. 152
- Saeghd ghy in 't witte Melck oyt twee Provinçe-Rosen, 153
- Soo siet haer wangen aen in 't schoonste van het blosen: 154
- 155
- En seght my dan eens of de blonde Dageraet
- Oock schoonder bloost, als sy van hare bed opstaet? 156
- Haer neusje welgemaeckt op 't çierelijckst verheven, 157
- Daer d'Asem soet van reuck soo traeghjes uyt komt sweven, 158
- Dat 't schijnd dat d'Asem self seer nood verlaten sou, 159
- 160
- Haer schoone woonplaets in soo overschoonen Vrou.
- Haer lipjes als Corael, ia als de karsjes gloeijen, 161
- Wanneer sy naulycx ryp in 't schoonst syn van haer groeijen,
- Daer tusschen dryft en sweefd soo honigh-soeten dou,
- Dat Ganimedes dat voor Nectar keuren sou. 164
- 165
- Haer tandtjes kleyn en gaef als twee yvoren rijen
- Op 't alder-çierlyckst in haer roode mondtje vlijen, 166
- Haer wel-gemaeckte kin, de buurman vande Mond,
- Kleyn, maetlyck breed, verçierd met een verheven rond. 168
- Maer als ick op haer hals myn geest en myn gedachten
- 170
- Volkomentlycken voed, waer by sal ick die achten? 170
- Waer sal ick doch haer glans by vergelycken recht? 171
- By een pylaer van Peerl, Albaster is te slecht, 172
- 't Schynd dat Natura die met vlyt heeft willen draeijen, 173
- Om daer des werelds vreughd en wellust in te zaeijen, 174
|
146 wat de geest van de wijste mens zelfs in verwarring zou brengen.
150 door haer lodderlycke loncken: door middel van haar liefelijke blikken.
152 haer: zich; zeyl-steen: een magneet.
153 Provinçe-Rosen: rozen uit Provence.
154 in 't schoonste van het blosen: wanneer zij zo schoon mogelijk blozen.
157 op 't çierelijckst: zo fraai mogelijk; verheven: vooruitstekend; welgemaeckt: welgevormd.
159 seer nood: met grote tegenzin.
164 voor: boven; keuren: kiezen.
168 maetlyck: met mate, naar behoren; verçierd met: voorzien van.
170 voed: te gast laat gaan, vergast; waer by sal ick die achten: waarmee zal ik die vergelijken.
171 recht: naar verdienste.
173 draeijen: draaien, beeldhouwen.
174 wellust: geluk; zaeijen: leggen.
|
[p. 226]
-
- 175
- [149] Daer heeft sy çierlyck op verheven, doch niet hoogh,
- De kleyne aderkens als een lazuren boogh. 176
- Haer boesem sou een mensch in syne sinnen krencken, 177
- De reste sietmen niet, daer mach elck 't syns van dencken. 178
- Maer wat haer reysigh lyf, en wat haer lichaems stal, 179
- 180
- Haer geestige gebaer, haer middel aerdigh smal, 180
- Haer handtjes kleyn en sacht die 't witste wit beschamen, 181
- Daer ghy siet warme snee met sacht yvoor versamen, 182
- Daer beeckjens stromen door van helder blau Saphier.
- Belangd; wat is het min als Hemelsche playsier? 184
- 185
- Haer lange vingertjes met Amatiste entjes, 185
- Onsteken als een lont de sulpher-heete Ventjes. 186
- Haer kleyne voetjes, die sy nae haer wille set,
- Syn Prinslyck, 't welck sy toond in aerdigheyd van tret, 188
- In 't kort Vrou-Venus, als men recht sal overleggen 189
- 190
- Haer schoonheyd met u glans, men moet nootwendigh seggen:
- Ghy sijt den Hemel tot des schoonheyds pronck gebaerd, 191
- Sy is des werelds roem, en 't çiersel vander aerd, 192
- In deughden opgequeeckt, in treffelycke zeden, 193
- Niet min uytmuntend als in cierelijcke leden: 194
- 195
- Soet-vloeijende van tael, heusch, minlyck van gelaet, 195
- Seer ned'righ van gemoed, en deftigh van gewaed, 196
- In 't groeijen van 't verstand, in 't bloeijen van haer iaren,
- In 't soetste van haer tyd om met een man te paren.
- Doen sweegh de Voorspraeck; en de gulde Reden sprack,
- 200
- Voorwaer dat waer een Maeghd die geen çieraed ontbrack. 200
- [150] Wie, en hoedanigh is de Iongman, dien de Goden
- Uyt liefde, tot de liefd van dese Maget noden? 202
- Het is Dominicus, 't is Ornia die haer
- (Sprack 's Iongmans Advocaet) volgd deugdelycken naer. 204
|
176 lazuren: hemelsblauw.
177 in syne sinnen krencken: van zijn verstand beroven.
180 geestige gebaer: bevallige bewegingen; aerdigh: bevallig.
181 beschamen: overtreffen.
182 snee: sneeuw; versamen: zich verenigen.
184 belangd: betreft; min als: minder dan, anders dan.
186 Ventjes: jongemannen.
188 prinslyck: als van een vorstin; aerdigheyd: bevalligheid.
189 recht: naar verdienste; overleggen met: vergelijken met.
193 opgequeeckt: grootgebracht, opgevoed; treffelycke zeden: edele manieren.
194 cierelijcke: bevallige.
195 gelaet: houding, manier van doen.
200 waer: zou zijn; die: aan wie.
204 deugdelycken: in voortreffelijke kwaliteiten; volgd naer: navolgt, nabijkomt.
|
[p. 227]
-
- 205
- 't Is Ornia die haer geplaetst heeft in syn sinnen, 205
- Die, als syn eygen siel haer eeuwigh sal beminnen,
- 't Is Ornia, wiens deughd en wandel onbevleckt,
- De Iongmans tot een spoor en tot een voorbeeld streckt,
- Wiens Vader oud in deughd, en nutte wetenschappen, 209
- 210
- Met lof geklommen is op d'Eers beroemde trappen; 210
- Die tot syn sterfdagh sich een trouwe Raeds-verwant
- Getoond heeft voor syn Stadt, tot nut van 't Vaderland:
- Van dat hy eerst het ampt met waerdigheyd bekleeden, 213
- Tot dat hy inde dienst des Ampts is overleden,
- 215
- Hy syn hulpsame raed en daed haer noyt ont-trock, 215
- Dies was syn dood de Stadt een droevigh ongelock.
- Nae dat dees droeve dood had Ornia gescheyden
- Van synes Vaders troost, wiens raed hem plach te leyden:
- Waer toe begaf hy hem? niet tot de wulpsigheyd, 219
- 220
- Die meest de ionge ieughd in sulcken toeval vleyd: 220
- Niet tot de ledigheyd, maer tot de naerstigheden, 221
- Om so de witte deughd met arbeyd nae te treden, 222
- Der talen kennisse, en des geleerdheyds spoor,
- Hy tot het wit, waer hy na doelen wou, verkoor. 224
- 225
- En nae dat hy hier lang in de Latynsche sprake
- Geschept had al syn lust en opperste vermaken. 226
- [151] Nae Vranckryck heeft hy sich gewend, die tael geleerd,
- Dat weeligh land doorsien, en is weer t' huys gekeerd, 228
- Met goede kennisse van spraken ende Steden,
- 230
- Wtmuntend in de deughd en alle brave zeden, 230
- T'huys synde, hoe heeft hy syn leven aengesteld? 231
- Heeft hy oock ydelyck verquist syn Ouders geld? 232
- O neen: maer heeft syn tyd met naerstigheyd versleten, 233
- Om 't houden 't geen hy wist: wat hy niet wist te weten,
- 235
- Hovaerdigh, noch gemeen, niet gierigh nochte ry: 235
- Als een die niet aenvangd, of heeft daer reden by: 236
|
205 sinnen: gedachten, geest.
210 d'Eers beroemde trappen: de roemrijke trappen van de eer.
213 van dat hy eerst: van het eerste ogenblik af, dat hij.
215 hulpsame: behulpzame; ont-trock: onthield.
219 waer toe begaf hy hem: waar gaf hij zich aan (over).
220 meest: gewoonlijk; toeval: omstandigheid; vleyd: behaagt.
221 naerstigheden: ijver, werk.
222 witte: reine; nae te treden: te volgen, na te streven.
224 wit: doel; doelen: richten; verkoor: koos.
228 weeligh: rijke; doorsien: bezichtigd.
230 brave zeden: goede manieren.
231 aengesteld: ingericht.
233 met naerstigheyd versleten: ijverig gebruikt.
235 gemeen: (te) gemeenzaam; nochte: noch; ry: verkwistend.
236 een: iemand; niet: niets; reden: een bedoeling.
|
[p. 228]
-
- Heusch in syn omme-gang, en deftigh in syn wesen, 237
- Waeruyt men magh het boeck van syn gedachten lesen. 238
- Beleeft by yeder een, voorsichtigh wat hy spreeckt, 239
- 240
- Wat eyscht ghy van een man dat dese man ontbreeckt?
- Van vrienden treffelijck, en treffelijck begoedight: 241
- Wiens voorgang in de deugt, elck tot de deugde moedight, 242
- Van goedertieren aerd, van 's lichaems brave stal, 243
- Van Frische leden, iae in kort geseyt, van al
- 245
- Het gheen den Hemel oyt verleenden aende menschen,
- Op 't loffelijckst versien. Hoe sou de maeght dan wenschen 246
- Bequamer man als hem? Die haer soo seer bemind, 247
- Dat hy sijn levens lust aen hare liefde bind. 248
- Hier sweegh de Veurspraeck op, doen antwoorden de Reden. 249
- 250
- De maeght sal wis in Vreughd haer tijd met hem besteden: 250
- Maer seght my Voorspraeck, die dees dochters saeck bewaerd 251
- Heeft oock sijn liefd' in haer een weder Liefd gebaerd? 252
- [152] Vermagh sy hem oock wel? Sy siet hem altijd garen, 253
- En laet de Reden selfs wat red'lick is, verclaren, 254
- 255
- Gaf hy tot antwoord weer. Partijen gingen uyt, 255
- Doen quamen weder in de Bruygom en de Bruydt, 256
- Tot wien mijn Moeder sprack, Deughtsame jonge lieden
- U hertens wil en wensch sal naer u wensch gheschieden,
- Margrieta ghy liefd hem, ghy Ornia lieft haer, 259
- 260
- Weest dan in Godes naem noch liefelijcker paer,
- Den Hemel gun u soo veel vreughts en heyls te samen,
- Als aen de blauwe Lucht oyt gulde sterren quamen,
- Hier med' verdween den Raed, en ick vloogh yligh voort 263
- Naer uwe woningh toe om u te houden woort. 264
- 265
- Nu dan vaert wel weerom, wilt alle traegheyt staken, 265
- En tracht een Bruylofts dicht tot haren lof te maken:
|
237 deftigh: ernstig; in: wat betreft; wesen: gelaat.
238 waaruit men zijn gedachten kan opmaken.
239 voorsichtigh: lettend op.
241 van: wat betreft; begoedight: wat bezit betreft.
242 moedight: aanmoedigt, aanspoort.
243 van 's lichaems brave stal: wat het lichaam betreft flink van gestalte.
246 op 't loffelijckst: zo voortreffelijk mogelijk; versien: voorzien.
247 bequamer: passender, aangenamer; als hem: dan hij is.
248 hare liefde: liefde voor haar.
249 hier ... op: hierop; antwoorden: antwoordde.
250 besteden: doorbrengen.
253 vermagh: mag (lijden); altijd: stellig; garen: gaarne.
263 hier med': hiermede, vervolgens; yligh: snel; voort: dadelijk.
264 om u te houden woort: om woord te houden tegenover u.
|
[p. 229]
-
- Mits ging Cupido deur en liet mijn gansch verheught, 267
- Iae tot de ooren toe bedoven in de vreught. 268
- Om 't brave Huwelijck soo wijselijck besloten. 269
- 270
- Och dat sy doch te saem soo veel ghelucx genoten, 270
- Als drupplen waters, jae als sanden sijn in Zee! 271
- En Haertjes op het Vee! noch wensch ick yvrig mee, 272
- Dat gonst van groot en kleyn, aensienlijckheyt van staten 273
- Veelvuldigheyt van schat, haer nimmer magh verlaten,
- 275
- Dat hare liefde groey, en dat haer vreught vermeer 275
- In welvaert, voorspoed, deughd, Godtsaligheyt en eer.
-
- Finis.
|
267 mits: inmiddels; deur: er van door.
269 brave: edele, voortreffelijke; besloten: gesloten, waartoe besloten was.
270 genoten: deelachtig mochten worden.
272 noch: verder; yvrig: vurig; mee: ook.
273 gonst: genegenheid; staten: positie.
275 hare: hun; vermeer: vermeerdere, toeneme.
|
|
|