[p. 240]
[168] Bruydt-Lofs-Gedicht,
Ter Eeren Gualtherus Henricus Gualtheri, Ende Catharina Haghen. *
- 't Is noch niet langh gele'en, dat uyt hun blauwe salen
- De Donder-Godt Iupyn, zyn soon gebood te halen
- De Goden al te saem, om met eerbiedigheyd 3
- Te komen op 't Bancket, dat hy haer had bereyd, 4
- 5
- 't Welck doen het lose wicht, (myn oude Cameraetje,
- Dat my so menighmael verleyd heeft met een praetje)
- Geworden is gewaer, is hy om leegh gedaeld, 5-7 7
- En heeft, naer syn gewoont, my weer om hoogh gehaeld;
- Tot in den Hemel toe, den Hemel vol van weelden,
- 10
- Den Hemel, die niet meer beduyd als sinne-beelden.
- Wel (seyd ick) soetertje, myn hartje, dien ick min, 11
- Wat hebt ghy met u vriend nu weder inde sin? 12
- Waer op het wichtje weer, de gantsche Rey der Goden 13
- Is by den Donder-Godt op een Bancket ontboden:
- 15
- En wyl sy syn vergaerd, so kan het licht geschie'en 15
- Dat ghy yet ongemeens sult tot u voordeel sien, 16
- [169] Waer uyt ghy stoffe schept om eenigh dicht te dichten, 17
- En daer de menschen mee naer u gewoonte stichten. 18
- Ick was seer wel te vre'en, verheughd en onbevreest,
- 20
- Want in dien Hemel had ick menighmael geweest, 20
|
* Gualtherus Henricus Gualtheri, geb. 1592, raadsheer in het Hof van Friesland, trouwde 26 dec. 1619 te Leeuwarden met Catharina Hagen.
3 eerbiedigheyd: vertoon van eerbied.
5-7 toen het listig schepseltje dit gewaar werd, is hij ...
11 soetertje: liefje; hartje: liefje.
12 hebt inde sin: zijt van plan.
16 yet ongemeens: iets bijzonders.
17 eenigh: een; dicht: gedicht.
18 stichten: te stichten.
20 had geweest: was geweest.
|
[p. 241]
-
- Daer sagh ick hoe de Go'on in hare setels saten, 21
- Blygeestigh van gemoed, sy droncken en sy aten,
- En Ceres brocht 't gewas, en Ganimedes schonck, 23
- Een yeder greep de kroes, en elck om 't seerste dronck. 24
- 25
- Ten laetsten, Iupiter verschudde trots syn hayren, 25
- Waer op de Goden stil, en sonder spreken waren,
- Elck schickten hem ter zyd, een yeder sagh op hem, 27
- Die haer aldus aensprack met een verheven stem: 28
- Ick, die de Blixem schiet, en klater met het dond'ren, 29
- 30
- Kan my (is 't niet wat vreemts?) nu nau genoegh verwond'ren 30
- Van d'ongegronde pracht, en d'ydle grootsigheyd, 31
- Die inde harssens van den mensch besloten leyd;
- Want ick vermercke, dat sich veel doen Edel noemen, 33
- En van hun afkomst en hun staten dapper roemen, 34
- 35
- Iae achten haer te syn soo grooten eere waerd, 35
- Als of sy waren Go'on, ia meerder op der aerd: 36
- En Goden syn nochtans besield met hoge Geesten, 37
- Sy menschen maer in schyn, en in de daed vaeck beesten, 38
- Daer in noch wetenschap, noch konst, noch eer, noch moedt
- 40
- Te stampen is, hoe eel sy worden opgevoedt. 40
- Nu seght my groote Go'on, hert-kenners vande menschen, 41
- Wie isser, die my sal vernoegen in myn wenschen? 42
- [170] En seggen my waerom d'een mensche so veel lof
- Verdiend, en d'ander min? heb ickse uyt een stof 44
- 45
- Niet al-te-saem gemaeckt? en ging Prometheus selven
- Niet eenderleije vyer in hare boesems delven? 46
- Hoe komt dan dat den een nu d'ander overtreft 47
- In afkomst, zaet en aerd? en d'eene sich verheft 48
- Tot Edel? en also al syn geslachte noemt, 49
- 50
- Daer hy tot Boeren vaeck veel wyser menschen doemt? 50
|
23 't gewas: de vruchten.
24 om 't seerste: om 't zeerst, om strijd.
28 haer: hen; verheven: luide.
29 schiet: werp; klater: lawaai maak.
31 van: over; pracht: hoogmoed; grootsigheyd: trots.
34 staten: positie; dapper: zeer; van: over.
37 en ... nochtans: maar; jawel ... echter.
38 in de daed: inderdaad.
41 hert-kenners: harten-kenners.
42 die my sal vernoegen in myn wenschen: die mijn wensen zal bevredigen.
46 eenderleije vyer: hetzelfde vuur; delven: verbergen, onderbrengen.
48 zaet: nakomelingschap.
50 terwijl hij mensen, die vaak veel wijzer zijn, als boeren betitelt.
|
[p. 242]
-
- Hier mede sweegh die Godt, en endighde syn reden. 51
- Waer op Minerva uyt haer zetel is getreden
- Met Mars verselschapt, en heeft met eerbiedighe'en 53
- Dus d'hooge Godt Iupijn geantwoord op syn re'en: 54
- 55
- Eerwaerde Vader, dat den een eer op de trappen 55
- Des lofs als d'ander styght, komt, of door wetenschappen,
- Geleerdheyd, wysheyd, deughd, ervarenheyd en konst,
- Of door de felle krygh, en door des kryghs-Godts gonst, 58
- D'een word door syn verstand en wetenschap verheven,
- 60
- Tot heerscher van het volck, en inde hand gegeven 60
- Den staf van 't grootsch gebied, waer in hy dan betoond 61
- Of in syn borst een e'el of one'el harte woond;
- Want so hy in de deughd volhardt, en soo de Staten
- Die hy besit, bestierd, dat alle Ondersaten 64
- 65
- In voorspoed leven en in rust door syn beleyd,
- En dat hy yeder recht, nae recht en billickheyd: 66
- Die mensch word van elck een gehouden dan in waerden, 67
- En voor een Godt ge-eerd, ia meerder op der aerden, 68
- [171] En d'ander wederom word door syn grootsch gemoed,
- 70
- Wanneer hy onvertsaeghd het selve blijcken doet 70
- Inde bebloede krijgh, in 't midden der gevaren, 71
- Daer hy sich selven noch syn leven soeckt te sparen,
- Tot dienste van syn land, maer door zijn moedigheyd, 73
- Het flauwe volck verstout, en tot de krijgh aenleyd: 74
- 75
- Niet anders, of sy tot een blyde Bruyloft gingen, 75
- En meer door syn beleyd, als door hun kracht, bedwingen
- Den Vyand van haer rust, die word met recht gevierd, 77
- Tot Oversten erweeld, ge-Adeld, en Laurierd. 78
- Dus synder op den Bergh der Eeren veel gestegen, 79
- 80
- Op dese wys alleen word d'Adel eerst verkregen.
- En op dat hun geslacht, hun kind'ren allegaer,
- Oock souden treden in de spooren van haer Va'er,
|
51 hier mede: hierop; reden: redevoering, woorden.
53 met Mars verselschapt: in gezelschap van Mars; eerbiedighe'en: vertoon van eerbied.
54 dus: aldus, als volgt.
58 felle krygh: wrede oorlog; gonst: genegenheid.
60 inde hand: hem in de hand, in zijn hand.
61 grootsch: trots; gebied: gebieden; betoond: toont, laat zien.
64 bestierd: bestuurt; ondersaten: onderdanen.
67 van: door; gehouden in waerden: geëerd.
68 voor: als; meerder: als meer (nog).
70 wanneer hij laat zien dat dit onbevreesd is.
74 flauwe: matte, uitgeputte; verstout: opwekt, moedig maakt; aenleyd: aanvoert.
75 niet anders, of: precies als of.
77 haer: hun; met recht: terecht; gevierd: geëerd.
78 overste: aanvoerder; erweeld: gekozen; laurierd: gelauwerd.
79 dus: zo, op deze wijze.
|
[p. 243]
-
- Die noemt men Edel-lie'n, om dat sy souden mercken 83
- Op d'Ouders Edeldom, en volgen hare wercken: 84
- 85
- Maer soo dat niet geschied, en soo sy van haer aerd
- Afwycken, zijn sy gonst, noch eer, noch Adel waerd. 86
- Want Deughd baard Edel, die alleenich inde daden 87
- Lof-waerdigh uytgerecht bestaet, of wyse raden.
- Dit syn de redenen (o groote God!) waer uyt
- 90
- Den rechten Adel in, en van de menschen spruyt.
- Wel wyse Dochter, ghy hebt treflijck op mijn reden 91
- Geantwoord (sprack Iupijn) waer door ick wel te vreden
- En dapper ben vernoeghd, dies schenck ick u tot loon 93
- Een beed; 't sy wat ghy eyscht, ick sweer u by mijn throon 94
- 95
- [172] En by den Blixem self, dat ghy die sult genieten 95
- In spijt van die 't benijd, en wie het mach verdrieten. 96
- Ick danck u heuscheyd seer, sprack doe Minerva weer. 97
- En dees' is dan de beed dien ick van u begeer:
- Het rusteloose wicht heeft met syn heete schichten 99
- 100
- Een lesscheloose brand doen inde boesems stichten 100
- Van twee gelievekens, die beyde syn gedaeld 101
- Van sulcken Adel als ick voren heb verhaeld. 102
- Den eenen een Iongman, die wijslyck in de sporen
- Der deughden van syn Vaer treed, (dien hy heeft verloren)
- 105
- Sijn Vader, segh ick, die door af-komst noch door gonst
- Gestegen is tot staet: maer door syn eygen konst: 106
- Wiens treffelijck verstand, wiens kloeck en deughdigh leven 107
- Geleerd' ervarentheyd, hem waerdigh heeft verheven, 108
- Tot roer en stuerman der Regierders vande Stad,
- 110
- En hem, en syn geslacht bekroont met eer en schat: 110
- Van wien soo menigh mensch, met swarigheyd beladen 111
- Ontlast is en vertroost, door syn versmetste raden, 112
- Wiens gryse hayren noyt de schand een vleckjen gaf, 113
|
83 die noemt men: noemt men die; om dat: opdat. mercken: letten.
87 alleenich: alleen; daden lofwaerdigh uytgerecht: op loffelijke wijze verrichte daden.
91 wel: zeer; treflijck: voortreffelijk.
93 dapper: zeer; vernoeghd: tevredengesteld; dies: daarom.
94 beed: (de vervulling van een) wens; 't sy wat: wat ... ook.
96 in spijt van die: trots ieder, die.
99 wicht: schepsel; schichten: pijlen.
100 lesscheloose: niet te blussen; stichten: ontstaan.
102 voren: hiervoor, eerder.
106 gestegen is tot staet: tot aanzien gekomen is; konst: vermogen.
107 deughdigh: deugdzaam.
108 geleerd' ervarentheyd: beproefde ervaring; waerdigh verheven: waardig bevonden.
111 swarigheyd: zwarigheid, moeite.
112 vertroost: geholpen; versmetste: schrandere; raden: adviezen.
|
[p. 244]
-
- Maer die met eer en roem gedaeld is in zijn graf,
- 115
- Nalatende tot lof, syn kinderen ervaren
- In talen veelderley, en des geleerdheyds baren, 116
- In wysheyd opgequeeckt, tot sedigheyd gewend, 117
- In gulsigheden vreemd, in soberheyd bekend, 118
- Met schatten soo versien, dat sy in 't heerlijck leven 119
- 120
- Een Edel-man van staet niet hoeven toe te geven. 120
- [173] De Dochter wederom gedaeld van soo een man, 121
- Wiens tweede men nu nau in Friesland toonen kan. 122
- Die van syn kindsheyd af, niet wetende van rusten,
- Wt de bebloede krijgh geschept heeft al syn lusten, 124
- 125
- Die, als een Iongen Mars, heeft dickwils onvertsaeghd
- Den vyand van syn land een koorts op 't lijf gejaeghd, 126
- En mannelijck in 't veld zyn eere heeft verkregen, 127
- Die tot den hooghsten top der Eeren is gestegen,
- Niet door syn vrienden gonst, niet door de Cuypery 129
- 130
- Gelijck nu menigh doet: maer heerlijck, door waerdy, 130
- Door mannelijck in 't veld voor 't Vaderland te stryden,
- En, als een ys'ren beeld des vyands last te lyden, 132
- Door nut, door lof, door roem, voor 't Vaderland behaeld,
- Die hy met wonden en weer-wonden heeft betaeld. 134
- 135
- En soo op 't laetst met eer bepeerld syn gryse hayren, 135
- Als Capiteyn geweest ruym acht en dertigh jaren,
- Als een die Colonel, als een die Gouverneur
- Geweest is, daermen had de vyand voor de deur: 138
- Dit 's Adel in der daed, dees twee, als die te samen
- 140
- Versamen, mogen recht haer kinders Edel namen, 140
- Als overtreffende in af-komst en waerdy 141
- Veel snuyvers, die 't geweer doen binden op de zy, 142
- Die suypen dagh en nacht, en houwen, steken, kerven,
- G'lijck of den Adel waer door drincken te verwerven.
|
117 tot sedigheyd gewend: aan zedigheid gewoon.
118 in: wat betreft; bekend in: bekend met.
119 versien met: voorzien van; in: wat betreft; 't heerlijck leven: hun leven als heer.
121 wederom: aan de andere kant; gedaeld: afgestamd.
122 tweede: gelijke; nau: nauwelijks.
127 mannelijck: door zijn mannelijk gedrag.
129 syn vrienden gonst: de begunstiging van zijn vrienden; cuypery: omkoperij.
130 menigh: menigeen; heerlijck: op voortreffelijke wijze; waerdy: verdienste.
134 wonden en weer-wonden: wonden en nog eens wonden, wond op wond.
140 versamen: zich verenigen; recht: met recht; namen: noemen.
142 snuyvers: snoevers; geweer: wapen.
|
[p. 245]
-
- 145
- Maer als ick recht aenschou dit lieffelijcke Paer, 145
- Het is of ick syn Moer en Mars haer Vader waer.
- [174] Derhalven Hemel-vooghd versoeck ick dat u Godheyd
- Niet achtend' op het wicht noch syn verwaende sotheyd, 148
- Die garen minnaers plaeght, gund, datmen haer verleend 149
- 150
- De gonst, dat Iuno hun beyd in 't huwelijck vereend, 150
- 't Sal soo (sprack Iupiter) geschieden desen dage, 151
- Om dat ghy hebt soo wel geantwoord op mijn vrage.
- Terstond verdween den hoop, en ick was metter vaerd 153
- Al eer ick daerom docht weer by mijn eygen haerd. 154
- 155
- Doen onderstond ick my de straten door te jagen, 155
- Daer hoorden ick hoe dat Gualterus zijn be-Hagen
- Gevonden had in 't oogh van d'Ed'le jonge Maeghd
- Die in des schoonheyds roem de hooghste Croone draeght,
- Wtstekend' in de deughd, uytmuntend' in manieren
- 160
- Die nae haer wil en wensch haer wesen weet te stieren, 160
- En dat sy wederom op syne deftigheyd, 161
- Geleertheyd, staet en schat haer sinnen had geleyd. 162
- Wel dan, geluckigh Paer, met alle heyl begoten,
- Wiens huwelijcx verdragh in d'Hemel is besloten, 164
- 165
- Ick wensch u veel gelux, en dat ghy meught te saem
- Vermeerderen de lof van uwe ouders naem,
- Leeft vrolijck, leeft gerust, bly-geestigh in u vreughden,
- Voorspoedigh in u Echt, volstandigh in u deughden. 168
-
- Eynde.
|
149 garen: gaarne; gund: vergunt; haer: hun.
151 desen dage: vandaag (nog).
153 hoop: troep; metter vaerd: onmiddellijk.
155 onderstond ik my: ondernam ik, begon ik.
160 wesen: gelaat; stieren: sturen, regelen.
161 wederom: van haar kant; deftigheyd: ernst.
162 staet: positie; schat: bezit; geleyd: gezet.
168 volstandigh: volhardend.
|
|
|