[p. t.o. 244]
[G'lijck een die met syn oogh des Hemels hooghte' afmeet]
G'lijck een die met syn oogh des Hemels hooghte' afmeet,
Sijn voet set in een put, en smoord al eer hy 't weet,
2
Verval ick in een put van droefheyd en elende,
3
Dewijl ick, lief, mijn min naer uwe hoogheyd wende.
4
2
smoord:
stikt.
3
verval:
val.
4
dewijl:
omdat;
uwe hoogheyd:
u, die zo edel, verheven zijt;
wende:
wend of wendde?