[177] [O Angenietje] *
|
1 -bietje: -bijtje.
4 fonteyn: bron.
6 lusje: geluk.
7 mijn kostbaarst bezit.
8 Vrou: meesteres.
10 u veynsen: u anders voordoen dan ge zijt.
11 daer: terwijl.
13 u vermaeck: wat u behaagt.
16 soeten: aangename.
17 vermaeck: genoegen.
21 pijnd: inspant.
23 lust: geluk; streckt: dient.
|
|
25 toe begeeft: aan overgeeft.
27 waar lijkt dat op?
30 qualijck: slecht (wat niet slecht voor haar afliep).
34 dat komt gantsch niet by: dat geeft helemaal geen pas.
35 slijt: breng door.
38 verheughd: vermaakt.
39 wijl: terwijl; meucht: kunt.
40 denckt: bedenkt.
41 geestige: bevallige.
42 gaeu: levendig.
43 haest: weldra; graeu: grijs.
46 bol: rond, mollig.
49 alheel niet: totaal niets; swack: teer.
51 seyd: spreekt.
52 vleyd: tracht over te halen.
|
|
54 wederom: van Uw kant.
55 miend: liefheeft.
56 vierigh: vurig; bid: smeekt.
58 lusjes: genoegens.
61 weer: dan, op zijn tijd.
62 teer: zwak.
65 altijd: dat is zeker.
|