|
|
|
| |
| | | |
J.W. Steenbeek
De dichter van de ‘Sonnetten van de
Schoonheyt’?
Wie zich verbeeldt de dichter van de twaalf ‘Sonnetten van
de Schoonheyt’ opgespoord te hebben, bedenkt zich vele malen voor hij met
zijn vondst voor de dag komt. Juist die sonnetten immers hebben aanleiding
gegeven tot een van de beruchtste voorbeelden van lichtvaardige toeschrijving
van een anoniem werk aan een bepaalde auteur.
Het was Schepers
1 die zich
tot waarschuwend voorbeeld maakte door de cyclus, die hij in de bundel
Apollo of Ghesangh der Musen
2 van 1615 aangetroffen
had, in zijn geheel op naam van
Bredero te stellen. Zijn voornaamste argument was dat de
bezongen schone met haar blonde haren en bruine ogen alleen maar Margriete kon
zijn, Bredero's grote liefde, de stuwkracht van zijn poëzie. Maar
stereotiepe eigenschappen van het petrarkistisch vrouwenportret zijn natuurlijk
geen basis voor identificatie en de figuur van Margriete is dank zij de
bemoeienissen van Keersmaekers
3 inmiddels
op een kleine rest na tot een hersenschim verdampt.
Het zou overigens onbillijk zijn Schepers over zijn misser al te
hard te vallen, want in zijn tijd was het petrarkisme, althans in Nederland,
nog niet ontdekt en de neiging een oeuvre - en zeker dat van Bredero - als een
dichterlijke zelfbeschrijving op te vatten, zou nog lang onbekommerd uitgeleefd
worden. Bovendien had hij de steun van het harde feit dat de cyclus opent met
‘Vroegh in den dageraedt’, het befaamde sonnet, uit het
Groot-Liedboeck aan elke poëzie-minnaar
bekend en daar degelijk met ‘'t kan verkeeren’ ondertekend. Dat het
ten onrechte onder Bredero's werk opgenomen werd is een mening die later is
opgekomen en pas sinds de verschijning van de nieuwe standaarduitgave een
officiële status verworven heeft.
4
Maar genoeg over Schepers die ik meer dan de man verdient aan het
verontschuldigen gegaan ben, kennelijk in een poging ten eigen bate een
voorbeeld van zachtmoedige beoordeling te geven.
Wie is dan wel de auteur? De Vooys heeft indertijd al een aantal
voorwaarden genoemd waaraan een kandidaat moet voldoen: ‘De | | | | dichter van de twaalf sonnetten is ongetwijfeld een geboren
Zuid-Nederlander, geestelijk verwant aan
Van Mander's kring, en nog geheel doordrongen van de
bekoring der rederijkers-mode’. Het eerste sonnet is inderdaad mooi, maar
de elf volgende zijn ‘voor een groot deel maakwerk van een zwak
talent’. ‘De onhandigheid en gewrongenheid, de duisterheid van
uitdrukking in menige regel, zou het best te verklaren zijn uit de worsteling
met de vorm van een niet al te bekwaam vertaler.’
5
Verwey denkt er net zo over: de dichter heeft ‘oor en gevoeligheid voor
de toen nieuwe verzen en een vermogen, nu en dan, om de indrukken van zijn
lezing weer te geven’. Daar staat tegenover ‘een doorgaans zowel
slappe als gewrongen dictie en een lager soort gemoedelijkheid, die soms voor
scherts wil doorgaan’.
6
Alleen de laatste tien sonnetten worden hier overigens gevonnist, het eerste
blijft van
Bredero, het tweede is van nog een andere en dit keer
verdienstelijke anonymus. De deels zakelijke, deels rijkelijk
impressionistische gronden die Verwey voor zijn opsplitsing aanvoert, kunnen
hier buiten beschouwing blijven; met Stuiveling deel ik De Vooys' mening dat er
maar van één auteur sprake is, een zondagsdichter die uitsluitend
bij het eerste sonnet door de muze gekust werd.
Bij de elf andere sonnetten begeleidde hem alleen zijn geliefde. Het
lijkt me namelijk dat hier meer aan de hand is dan het meedoen aan het
petrarkistische spel door een trendgevoelige beginneling. In de cyclus zitten
een paar passages met een ongebruikelijke aandacht voor het wettig huwelijk,
zoals sonnet 9, r. 8:
Och! salich die se [nl. haar handen] mocht eens wettelijck
inhanden,
en voor het moederschap als resultaat van een wettig huwelijk, bijv.
sonnet 11, r. 9-12:
Och die 't eens weten mocht, wat Hemels suyghelinck
Daar noch aanlegghen sal [nl. aan haar borsten], hoe metten gouden
rinck,
Sijns moeders echt cieraat, het dertelijck sal spelen
En sitten op haar schoot, verslaan zijn kinderpraat.
Dat de dichter zich niet belangeloos in deze moederweelde vermeit
kan blijken uit de regels 5-13 van het zevende sonnet:
Een hals ist die my maackt voornemigh en beduchtigh,
Soo dickwils als ick sie, dien vijftigh root als bloet,
| | | |
Hoe fraey dat sy omringht, soo dringht my mijn ghemoet,
Met d'armen alle beyd' daer me te zijn omvluchtigh.
Maar dan en dorst ick niet, als ick vrees dat haar lach
Veranderd' in ghekijf, voor my een hardt ghelach:
Den hals is al te waard, Aglay heeft s' haar ghegheven.
Oock waart van my te veel, gheluckigh noch ghenoech,
Dat sy se my laat sien, 't misbruycken al te vroech,
Achter het lyrisch ik staat hier toch wel een aanstaande bruidegom
die bekent dat hij graag zijn geliefde innig zou omhelzen. Maar daarvoor is het
nog te vroeg, haar hals omstrengelen zou nu nog haar misbruiken zijn, het is al
mooi dat zij zich zo gedecolleteerd aan hem vertoont. De ongenaakbare schone
ontpopt zich als een burgerjuffrouw die wil dat haar vrijer zijn handen
thuishoudt zolang ze nog niet getrouwd zijn.
Zou iemand die misschien ook uit onwetendheid en onhandigheid, maar
toch vooral omdat hij er zo vol van is, in strijd met de petrarkistische code
zijn aanstaand huwelijk en het moederschap ter sprake brengt, ook niet de naam
van zijn geliefde kunnen invlechten? Die vraag kwam op naar aanleiding van het
woord ‘Arents neus’. De regels 6-7 van het zesde sonnet luiden:
Een Arents smalle neus / in schoonicheyt de keur /
Wel overvallend heeft sijn rechte plaats gekoren.
De neus is in de petrarkistische poëzie een verwaarloosd
orgaan. C. Ypes
7 ruimt er dan ook terecht in haar schets van het
traditionele vrouwenportret geen plaats voor in. Wel is hij een vast onderdeel
van al die gedichten die direct of indirect teruggaan op Ronsards
‘Elégie à Janet’.
8 Maar bij mijn weten is
nergens sprake van een adelaars- of arendsneus, noch in de Franse, noch in de
Nederlandse literatuur. Als dit type neus, zoals Fechner
9 laat zien, bij mannen al een ongewenst attribuut was, dat vaak
voor satirische doeleinden benut werd, dan zal het in een vrouwenportret wel
helemaal misplaatst geweest zijn.
10 Het zou nu voor de hand liggen
te concluderen dat er voor de uitzonderlijke arendsneus in de ‘Sonnetten
van de Schoonheid’ een bijzondere reden moet zijn, ware het niet dat bij
niemand minder dan Ronsard zelf de adelaarsneus wel voorkomt (r. 75):
pein le moi donc gresle, long, aquilin
| | | |
door Van der Schuere
11 aldus vertaald (r. 67-68):
Dus maecktse dan / verheven dunne wat /
‘Gresle’ gecombineerd met ‘aquilin’ heeft
‘verheven dunne’ opgeleverd. Dat ‘verheven dunne’
‘Arents smalle’ geworden is helemaal buiten
Ronsard om is al te toevallig. Wel kan men zich
voorstellen dat Ronsards voorbeeld onze dichter geïnspireerd en hem de
moed gegeven heeft tot zijn formulering die met het schoonheidsideaal van zijn
tijd zo botste dat hij er helemaal alleen in stond. Zelfs Ronsard maakte bij de
revisie van zijn werk voor de uitgave van 1584 en de postume van 1587 een
volte-face door de bovengeciteerde regel te vervangen door:
Pein le moy donc ny court, ny aquilin.
Belleau,
12 in zijn
aanlengende bewerking van Ronsard, was hem daarin al jaren eerder voorgegaan
met zijn ‘non voutis’ dat
De Harduwijn
13 vertaalt met ‘noch
oock gecrught’, door de annotator verklaard als ‘geen
adelaarsneus’.
Het is dus wel helemaal zeker dat een arendsneus in een
petrarkistisch portret een corpus alienum vormt. Toch zijn er nog andere
argumenten nodig om waarschijnlijk te maken dat niet alleen maar een argeloze
ontlening aan Ronsard of een mij ontgane navolger in het spel is:
Aan het eind van de cyclus verschijnt de arendsneus ten tweeden
male. Op zichzelf is dat niet opmerkelijk, want het twaalfde sonnet
recapituleert de voorgaande en geeft dus nog eens het petrarkistisch portret in
duodecimo (r. 1-8):
Ick hebbe 't al ghesien al wat hier is gheschreven,
Haar silvren voor-hooft ruym, omringht met gouden hayr.
Twee swarte booghskens soet, twee bruyner ooghskens klaar,
Twee blijde lipkens root, twee zijden paarlen even,
Orangie wanghskens twee, twee marmeren die leven,
Twee handekens daer aen, twee voetkens snel eerbaer,
Hals, bosem, Arents neus, twee borstkens ront voorwaar,
Twee korskens rijp die mijn doen suchten ende beven.
Wel heel zonderling is de plaatsing van de neus, niet daar waar hij
organiek thuishoort maar tussen boezem en borsten. Een mal-en- | | | | tendu
noemde Verwey dit al. Maar zou het niet eerder in plaats van een
allerongelukkigste onhandigheid, opzet geweest zijn, een bewuste keuze? De
arendsneus staat nu centraal tussen die onderdelen van het lichaam die de
sterkste erotische lading hebben en het meest met huwelijk en moederschap
verbonden werden. Had de dichter de bedoeling duidelijk te maken dat het de
hals van een heel bepaald meisje was waar hij omheen zou willen vliegen, het
háár boezem en borstjes zijn die een lust baren ongestadich en te
zijner tijd een zuigeling zogen, dan vond hij zo een aesthetisch verwerpelijke
maar wel een doeltreffende mogelijkheid.
Nog een ander argument is dat ‘Arents’ - losstaand en
zelfs niet door een koppelteken met ‘smalle’ en ‘neus’
verbonden - beide keren met een hoofdletter begint, terwijl toch verder in
dezen grote zuinigheid betracht wordt: alleen God en Goden, Goddelijk, Hemel en
Hemels, Sonnen, de vier elementen, Maaght, Moeder, toch ook Elpenbeen en verder
uiteraard de eigennamen zijn ermee bedeeld. Is ‘Arents’ dus ook een
eigennaam?
Na de voorgaande bevindingen en overwegingen leek het in elk geval
de moeite waard na te gaan of er omstreeks het verschijningsjaar van
Apollo een meisje Arents in het huwelijk was
getreden. Ze moest dan wel rooms-katholiek zijn, want dat is uit sonnet 10 r. 9
af te leiden waar over haar voetjes gezegd wordt: ‘Sy zijn vol heylicheyt
als sy gaan na 't aflaat’
14 en misschien ook uit sonnet
7 r. 6 ‘dien vijftigh’ = snoer, maar eigenlijk: rozenkrans.
Nu is het bekend dat
Bredero nauw bij de bundel betrokken is geweest: hij
schreef het grote openingsgedicht ‘Apolloos aanspraack totte
Nederlantsche Jonckheyt’ en Keersmaekers
15 telt nog twaalf andere
bijdragen van zijn hand. Het was dus heel goed mogelijk dat hij de dichter van
de twaalf sonnetten persoonlijk gekend had. Maar veel geringer was de kans op
een zo nauwe relatie dat hij hem, en als onze hypothese juist is, zijn bruidje
Arents een Epithalamium gewijd had. En toch, in het voorjaar van 1615 schreef
Bredero een ‘Bruyd-lofts-gedicht, ter eeren
Cornelis Ianszoon Schooneman, ende
Marya Arents de Lange’. De ondertrouw vond plaats
over de pui
16, zodat het paar,
althans de helft ervan, niet tot de hervormde kerk behoord heeft.
Er was nu wel een mogelijkerwijs r.k.-meisje Arents gevonden, maar
bevat Bredero's gedicht aanwijzingen dat haar partner de auteur van de twaalf
sonnetten is?
Regel 26 luidt: ‘Soo sal de goedheyt Gods U doen In liefden
bloeyen.’ (De laatste drie woorden zijn in de tekst gecursiveerd.) Deze
zinspeling op het devies van De Eglantier is alleen maar aardig | | | | wanneer de bruidegom zelf lid van die Kamer is geweest.
Bredero was toch niet zo egocentrisch en parmantig om
ervan verdacht te mogen worden de zinspreuk alleen maar op grond van zijn eigen
lidmaatschap op dit huwelijk toe te passen.
Het vermoeden dat
Schooneman tot De Eglantier behoord heeft
wordt versterkt door het slot van het gedicht waarin het bruidspaar de
traditionele rijke kinderzegen wordt toegewenst (r. 108-110):
Dat sij voorts wassen op als spruyten van u deucht
Dat gun u Israels-Godt! dien ons allen wil gheven,
Na dees Bedroefde tijdt het blyde, eeuwich leven.
Het gaat om de laatste regel die opvalt doordat ze op de eerste twee
woorden na gecursiveerd is. Na andere veronderstellingen denken de annotatoren
aan de mogelijkheid dat de bruidegom zelf lid was van De Eglantier en dat dit
zijn kenspreuk was. Gecombineerd maken de vermoede implicaties van r. 26 en de
slotregel mijns inziens het lidmaatschap vrijwel tot een feit.
Op de kenspreuk komen we zodadelijk nog terug, maar eerst vraagt nog
een derde regel aandacht, de bijzonder intrigerende r. 75: ‘Siet nu de
schoonheyt an, die ghy wel eer soo preest’.
Het is verleidelijk dit zo te parafraseren: Bewonder nu als
echtgenoot vrijuit van dichtbij haar schoonheid die je indertijd op zedige
afstand in je ‘Sonnetten van de Schoonheyt’ zo geprezen hebt.
Zou die parafrase in essentie kloppen, dan was daarmee het onderzoek
ten einde. Maar als advocatus diaboli zou ik de regel ook zo kunnen lezen: kijk
maar eens goed hoe knap ze is; vroeger vond je dat ook en had je de mond vol
van haar schoonheid, maar de laatste tijd doe je erg vervelend tegen haar. In
dat geval hoeft niet aan in poëzie vervatte lof gedacht te worden. Deze
interpretatie vindt een zekere steun in de eerste veertig regels van het
gedicht waarin de bruidegom vermaand wordt zijn korzeligheid af te schudden en
lief te zijn voor zijn bruid. Hier staat tegenover dat
Bredero na r. 45 overschakelt en dan verder een
traditioneel bruiloftsgedicht schrijft met toch een hartelijke persoonlijke
noot. Binnen die context past zelfs geen suggestie van iets onaangenaams en
daarom is de tweede interpretatie die in r. 75 een angeltje van vermaan
veronderstelt, erg onwaarschijnlijk.
Al leverde de combinatie van allerlei gegevens de figuur van
Schooneman op, de speurtocht ging over glad en dun ijs
en het is nog maar de vraag of de vaste wal werd bereikt. In elk geval zou
versteviging van de hypothese welkom zijn en gelukkig is dat mogelijk.
| | | |
Zoals gezegd besluit
Bredero zijn gedicht met ‘Na dees Bedroefde tijdt
het blijde, eeuwig leven’ waarin autoriteiten in het vak de kenspreuk van
Schooneman vermoeden, dit althans niet uitsluiten. Nu
heb ik deze spreuk of varianten ervan verder nergens aangetroffen behalve onder
het ‘Liedeken’ dat in
Apollo tussen het negende en het tiende sonnet
van de Schoonheyt afgedrukt staat: ‘Na de Doodt Ionck-spruyten’.
Het lijkt me dat Bredero dit devies dat associaties wekt aan Joh.
12:24-26 en I Cor. 15:36, met behoud van de betekenis
aangepast heeft aan de context van zijn gedicht, maar door de cursivering,
misschien ook door het woord ‘spruyten’ twee regels eerder in r.
108 er geen twijfel aan laat bestaan dat hij de kenspreuk van de bruidegom
verwerkt. Als dit juist is zou Schooneman in elk geval de dichter van het
‘Liedeken’ zijn en waarschijnlijk ook wel van de andere vijf
liedjes die tussen het eerste en het twaalfde sonnet telkens twee sonnetten van
de volgende twee scheiden. Het eerste liedje is ondertekend met ‘Ionghe
spruyt’
17 wat moeilijk iets anders dan de elliptische aanduiding van de
volledige kenspreuk onder het vijfde liedje kan zijn. Het tweede en het vijfde
liedje handelen beide over Diana en Actaeon en zo zou meer te noemen zijn. Maar
als de liedjes alle zes van één hand zijn, zou diezelfde hand dan
ook niet de ‘Sonnetten van de Schoonheid’ waar ze, zoals we
hierboven zagen, zo nauw mee verstrengeld zijn, geschreven hebben? Het is
vreemd dat die vraag nooit eerder gesteld is, want ze dringt zich eigenlijk op.
De volstrekte gefixeerdheid op de twaalf sonnetten als cyclus, al dan niet
geheel of gedeeltelijk door Bredero gedicht, heeft de geleerden blind gemaakt
voor de liedekens.
Het is natuurlijk met enige inspanning denkbaar dat de samensteller
van
Apollo sonnetten van de ene dichter met liederen
van een andere heeft gecombineerd, maar eigenlijk is dit zo onwaarschijnlijk
dat mijns inziens de bewijslast bij de voorstanders van die mening ligt.
Hooft had een paar jaar tevoren in zijn
Emblemata amatoria het voorbeeld gegeven van een
soortgelijke rangschikking van eigen lyriek, toen hij elk van zijn vijftien
sonnetten telkens door twee liederen liet volgen. Waarom zou dan ook dit niet
het werk van één auteur zijn. Noch de inhoud, noch de stijl, noch
de taalkundige aspecten verzetten zich tegen die opvatting. Er zijn integendeel
allerlei overeenkomsten die niet binnen het algemene petrarkistische kader
vallen. Zo is er bijvoorbeeld in beide groepen aandacht voor het schoeisel en
de snelvoetigheid van de schone. De woordgroep ‘Vroegh in den
dagheraat’ komt ook in het vierde Liedeken voor. De confrontatie van
Diana met Actaeon is een gedramatiseerde variant van de vrij afstandelijke
beschrijving in de sonnetten: de onverwacht | | | | pathetische slotregel
van het zevende sonnet ‘Een hooghe goedicheyt kost menigh man syn
leven’ vindt misschien daarin zijn motivering. Ook hier worden
verkleinwoorden uitsluitend gevormd met -(s)ken en verschijnen leenwoorden als
amoureus, propys, fantastyck en vormen als weenelijck, properlijck, badich,
albasterich. We moeten het helaas hierbij laten, maar de conclusie is
duidelijk: een petrarkiserende rederijker met Zuidnederlandse achtergrond
schreef ook de liedjes, de man achter de kenspreuk ‘Na de Doodt
Ionck-spruyten’ schreef ook de sonnetten.
We zijn dus vanuit de sonnetten aan de hand van het meisje Arents
bij
Bredero beland en geleid door haar bruidegom
Schooneman via de zes liedekens weer bij de sonnetten
teruggekomen. Zou zo'n rondegang mogelijk zijn geweest als de zaak zelf ook
niet rond was en de dichter bekend? Het menselijk vermogen tot zelfmisleiding
is onbeperkt en daarom mag een hypothese pas als het niet anders kan als feit
gepresenteerd worden.
We zullen dat moment niet bereiken, maar komen er toch weer wat
dichter bij door een gegeven uit het vierde Liedeken met de volgende
slotstrofe:
Maar dat sy is int vroulijck gheslacht
Van schoonheyt niet ghemeen /
Aanwijst oock haren naam /
Haar / Heer / ter werelt bracht.
De sonnetten leverden het patronymicum, dit liedeken de voornaam:
Maria Arents. Bovendien bevestigt de typisch roomse formulering de kerkelijke
positie die ‘aflaat’ al deed vermoeden en die de officiële
huwelijkssluiting ten stadhuize niet weersprak.
Uit de zevende strofe van hetzelfde Liedeken is misschien af te
leiden dat het meisje niet onbemiddeld was:
Gheen trotse naam / noch kleeren vol hovaard
Noch draaght gheen ydel rom
Op 't groote gelt noch goet.
Natuurlijk is deze loftuiting volslagen stereotiep, maar toch, ze
zou | | | | pijnlijk zijn als ‘'t groote gelt en goet’ louter
denkbeeldig was.
Zou dan werkelijk voor
Schooneman een plaatsje in de voorhof van de tempel der
muzen moeten worden ingeruimd? Voldoet hij dus aan de voorwaarden die daarvoor
genoemd werden?
Als de aanwijzingen dat hij lid van De Eglantier is
geweest op correcte tekstinterpretatie berusten, dan was hij inderdaad per
definitie een, wat De Vooys noemt, hervormde (dat wil zeggen door de
renaissance gegrepen) rederijker.
Er is verder geen werk van hem bekend, zodat we niet wegens
belangrijke andere prestaties moeten uitsluiten dat hij de zondagsdichter was
die we zoeken.
De familienaam Schooneman(s) wijst op Brabantse herkomst. Briels
18
vermeldt bijvoorbeeld een
Anna Karstiaans Schoonemans uit Antwerpen
die in 1612 te Amsterdam huwt met een
Michiel v. d. Blok.
Caterijn, dochter van Kerstiaan, dus wel een zusje van
Anna, wordt 11-2-1577 in de St. Walburgis te Antwerpen gedoopt. We
vonden daar nog verschillende andere Schoonemansen, maar geen vader of
grootvader van onze
Cornelis Jansz. Zijn tak zal dus waarschijnlijk uit een
andere Brabantse plaats dan Antwerpen komen. Zijn vrouw was wel
van Antwerpse origine, want haar vader bezat daar drievijfde deel van twee
huizen.
19 Zuidnederlandse immigranten trouwden graag onderling.
Uit de eerste decennia van de 17de eeuw zijn alleen de hervormde
doopboeken over, zodat het vaak niet eenvoudig is de godsdienst van
niet-hervormden te achterhalen. De grote meerderheid van de Zuidnederlandse
immigranten was protestant, maar er zaten toch ook nogal wat rooms-katholieken
onder. In tegenstelling tot de zojuist genoemde
Anna Karstiaans Schoonemans die in de hervormde kerk
trouwde, was de tak van
Cornelis Jansz. in elk geval niet hervormd.
Doopsgezinden lieten hun huwelijk vaak niet op het stadhuis registreren
20, de Schoonemansen doen dat allemaal wel.
21 Een
positieve aanwijzing dat ze rooms-katholiek waren is de doop op 15-6-1632 in de
schuilkerk De Boom van een kind van de advocaat
Nicolaas Schooneman, zoon van Cornelis' neef Crijn. Maar
de doorslag geeft dat
Cornelis Jansz. Schooneman en
Marietje Arents de Lange op 24-2-1615 hun huwelijkse
voorwaarden laten vastleggen door
Jacob Gysberts, de notaris tot wie de Amsterdamse
rooms-katholieken zich plachten te wenden.
22
Uit het huwelijkscontract blijkt dat
Marietje Arents niet onbemiddeld was. Ze brengt een
vijfde deel in van een aantal huizen te Amsterdam en
Antwerpen, aan obligaties de som van 1600 carolusgul- | | | | den en huisraad en inboedel ter waarde van 2000 gulden. De welstand van
haar familie blijkt ook uit de betrekkelijke kostbaarheid van de uitvaarten.
Aan bijna allen valt ten deel wat het begrafenisboek van de Oude Kerk over haar
zelf vermeldt: ‘19 juli 1638 wordt begraven
Marreten Arents de Lange, huisvrouw van
Cornelis Jansen Schonemans komt uyt de
kalverstraat vandaan en is drie uren beluyt met de grote klock 26
(guldens).’
23
Al met al staan de papieren van Schooneman niet slecht, al is het te
vroeg voor eurèka-geroep en moeten de gevonden archivalia nog maar
liever niet in biografische aantekeningen worden omgezet. De slotregels van het
twaalfde sonnet waarschuwen niet voor niets:
Hoe wel d'inbeeldingh dick soo klaar is als den dach,
Die nochtans op 't vermoen veel seyt die moet veel lieghen.
|
1In zijn artikel ‘Bredero's
liefde voor Margriete, de grote stuwkracht van zijn kunst’. De
Nieuwe Gids 28 (1913) dl. 1 blz. 574-613 en blz. 699-726.
2Apollo of Ghesangh der Musen / wiens
lieflijcke stemmen merendeels in vrolijcke en eerlijcke gheselschappen werden
ghesongen. Amsterdam, 1615. De sonnetten van de Schoonheyt zijn te
vinden op blz. 73-83. Ook in Schepers' artikel (zie noot 1) blz. 587-593.
Verder in Marnix Gijsen:
De twaalf sonnetten van de Schoonheyt en hun
auteur. Antwerpen - Amsterdam 1919.
3In verschillende publikaties, het meest volledig
in
G.A. Bredero's Vertaalde gedichten. Ingeleid en
toegelicht door Prof. dr. A. Keersmaekers. 's-Gravenhage 1981.
4Zie
G.A. Bredero's Boertigh, amoreus, en aendachtigh Groot
Lied-boeck II. Bredere aantekeningen bij de liederen door G.
Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg,
met inleidingen over het Lied-boeck door G. Stuiveling en over de prenten
daarin door P.J.J. van Thiel (Leiden 1983) blz. 69-70. In Groot
Lied-boeck I blz. 458 uit 1975 wordt Bredero's auteurschap nog discutabel
genoemd, in 1983 is de twijfel zekerheid geworden en komt het gedicht niet meer
voor bredere aantekeningen in aanmerking.
5C.G.N. de Vooys: ‘De twaalf
sonnetten van de Schoonheyt ten onrechte aan Bredero
toegeschreven’. In: Ntg. 18 (1924), blz. 86-90.
6A. Verwey: ‘Bredero's Vroegh in
den dagheraadt’. In: Ntg. 26(1932), blz. 76-89.
7C. Ypes:
Petrarca in de Nederlandsche letterkunde.
Amsterdam 1934, blz. 46.
8In: P. de Ronsard:
Oeuvres complètes VI, ed. P.
Laumonier. Paris 1930, blz. 152-160. ‘On ferait un recueil entier avec
les imitations suscitées au XVI e siècle’, merkt
M. Raymond op in zijn L'Influence de Ronsard sur la Poésie
francaise. Paris 1927, dl. II, blz. 231, noot 4. Ik vlei me niet met de
hoop ze allemaal onder ogen te hebben gehad.
9J-U. Fechner:
Der Antipetrarkismus. Heidelberg 1966, blz.
115-132.
10Vlg. ‘Le Blason du Nez’ in Eustorg
de Beaulieu: Les Divers Rapportz. Ed. M.A. Pegg. Genève 1964,
blz. 289-290. De beginregels van dit gedicht zijn:
Nez joliet, poly, bien faconné,
Ne court ne long, ains proportionné
Comme est requis à toute belle Femme.
Curt Moreck:
Das weibliche Schönheitsideal im Wandel der
Zeiten. München 1925 bevestigt die gedachte. In Italië
loopt alleen Boccaccio wat uit de pas.
11J. van der Schuere: ‘Kluchtigh
versoeck om 't Liefs afbeeldinge’. In: Den Nederduytschen
Helicon[…]. Haarlem 1610, blz. 319-324. Het lijkt me dat dit gedicht
direct of indirect de stoot tot de sonnetten van de Schoonheyt heeft
gegeven.
12R. Belleau: ‘Portrait de sa
Maîtresse’. In: Oeuvres poètiques Ed. Ch.
Marty-Laveaux. Genève z.j. [1878], dl. I, blz. 260-264.
13J. de Harduwijn:
De Weerliicke Liefden Tot Roose-mond. Ed. O.
Dambre. Culemborg 1972 2, blz. 47-51.
14In ‘Liefs af-beeldingh’, het nauw
met de sonnetten van de Schoonheyt verwante cyclusje van zes sonnetten uit de
bundel
T' Vermaeck der Ieught. Leeuwarden
1616-'17 2, blz. 151-152, luidt de parallelle regel: ‘Zy zijn
om na de kerc altijt te gaan berrydt’.
15A. Keersmaekers: ‘Drie
Amsterdamse liedboeken 1602-1615. Doorbraak van de renaissance’.
In: Ntg. 74 (1981), blz. 121-133.
16Gem.arch. A'dam D.T.B. 667 fol. 180. De
bruidegom is 23, de bruid 27 jaar. Vgl. I.H. van Eeghen: ‘De
bruiloftszangen van Bredero’. In: Amstelodamum 55 (1968),
blz. 163-164. Het huwelijk werd 10-5-1615 voltrokken.
17Misschien zit er ook nog de notie ‘jonge
loot van De Eglantier’, ‘beginnend, debuterend dichter’
in.
18G.C.A. Briels:
De Zuidnederlandse immigratie in Amsterdam en Haarlem
omstreeks 1572-1630 […]. Z.pl., z.j. [1976], blz. 75.
19Gem.arch. A'dam, Not. J. Gysbertsz N.A. 30
folio 278-279.
20Vgl. R.B. Evenhuis:
Ook dat was Amsterdam dl. II. Amsterdam 1967,
blz. 211. In 1621 moesten ze hun huwelijken alsnog laten registreren, wilden ze
als wettig getrouwd gelden.
21Bijvoorbeeld het huwelijk van Cornelis' zusje
Marietje Jansdr. Schooneman met ook weer een Zuidnederlander, Gysbert Appelmans
en de huwelijken van Cornelis, Hendrik, Jacobje en Cryn, de kinderen van zijn
oom Dirk Hendricks Schooneman. Voor in elk geval drie van de vier andere
kinderen van Marietjes vader Arent de Lange geldt hetzelfde.
23Gem.arch. A'dam, D.T.B. 1045 fol. 106. Het
register van de weeskamer vermeldt: ‘Mayken Arents in den Wapen van Breda
ingeschr. 14-8-1638. 4 onmondige kinderen.’ Met dank aan mijn vrouw
en mijn neef D.C.W. Steenbeek voor hun bijstand op de gemeentelijke archieven
van Amsterdam en Antwerpen en aan collega dr. P.C.A. van Putte voor zijn
speurwerk op de gemeentelijke archieven van 's-Gravenhage en Dordrecht en op
het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag.
|
|