Monumenten in Nederland. Overijssel


auteur: Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Ben Kooij, Jan ten Hove en Marieke Knuijt


bron: Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Hasselt

Stad ontstaan op de oostelijke oever van het Zwarte water. De nederzetting wordt voor het eerst genoemd in 1227 als ‘Hasselet’ of ‘Hasseletum’, hetgeen zoveel

illustratie

Hasselt, Binnenstad met vestingwerken


[p. 161]

betekent als een met beuken of hazelaars begroeide hogere zandrug. Omstreeks 1252 verkreeg Hasselt het stadsrecht van de bisschop van Utrecht, die daarmee een extra steunpunt wilde creëren voor de controle op de grote steden Kampen, Zwolle en Deventer. Vanaf 1357 mocht Hasselt drie jaarmarkten en een weekmarkt houden en in 1367 werd het voor het eerst als hanzestad genoemd, als ‘bijstad’ bij Deventer. In 1412 volgde de vrijheid van tol te Kuinre. De oudste nederzetting wordt gevormd door de landweg langs het Zwarte Water, de tegenwoordige Ridderstraat en Hoogstraat. Even ten oosten buiten de stad, bij het latere Eiland, werd in 1328 een kapel gesticht, gewijd aan het Heilig Sacrament. Tussen 1387 en 1404 kwam een eerste stadsuitbreiding tot stand en werd een stenen ommuring gebouwd, waarvan de begrenzing de tegenwoordige grachtengordel volgde. Van de grachtengordel is een deel ontstaan als haven. De stadsmuur kreeg drie hoofdpoorten: de Veerpoort, de Veenepoort (aan de Hoogstraat) en de Enkpoort (aan de Ridderstraat). Langs het Zwarte Water waren enkele kleinere doorgangen in de stadsmuur, waaronder de Visch- of Waterpoort.

Na eerdere pogingen in 1486 en onder protest van het stroomopwaarts gelegen Zwolle werd in 1521 een brug over het Zwarte Water gebouwd. Hasselt werd in 1527 ingenomen door troepen van hertog Karel van Gelre en het jaar daarop ontzet door Maarten Schenk van Toutenburg. Bij die gelegenheid vernielden de Zwollenaren de brug. In 1582 viel Hasselt bij verrassing in Staatse handen. Aan het eind van de 16de eeuw breidde men de stad uit tot aan een nieuwe binnengracht ter plaatse van de huidige Kastanjelaan en Eikenlaan. Toen werd ook het St.-Mariaklooster binnen de stad werd gebracht. Vanaf 1606 kreeg de stad naar plannen van Adriaan Anthonisz. een nieuwe vestingsgordel. In 1623 verrezen daarin nieuwe buitenpoorten vóór de Veenepoort en de Enkpoort. Het uitgelegde gebied, met zijn tot stadsgracht uitgebouwde haven, is nooit volledig bebouwd geraakt.

In 1657 was Hasselt het toneel van een kleine Overijsselse burgeroorlog, ontstaan in 1654 toen Rutger van Haersolte met steun van Kampen, Zwolle en de meerderheid van de Ridderschap tot Drost van Twente werd benoemd. Deventer en de rest van de Ridderschap, alsmede Hasselt en Steenwijk, waren tegen. Na een provocatie gingen Zwolle en Kampen in 1657 over tot beschieting

illustratie

Hasselt
1(Herv.) Grote of St.-Stephanuskerk (zie p. 162)
2H. Geestgasthuis (p. 163)
3Nieuwe Gasthuis (p. 163)
4R.K. St.-Stephanuskerk (p. 163)
5verenigingsgebouw Immanuel (p. 163)
6Chr. Geref. kerk (p. 163)
7Geref. kerk (Synodaal) (p. 163)
8Stadhuis (p. 164)
9Arm- en weeshuis (p. 164)
10Openbare Lagere School (p. 165)
11Postkantoor (p. 165)
12hotel De Herderin (p. 166)
13Vis- of waterpoort (p. 166)
14Kalkovencomplex (p. 166)
15windmolen ‘De Zwaluw’ (p. 166)
16Brugwachtershuisje (p. 166)
17Isr. begraafplaats (p. 166)
18R.K. begraafplaats (p. 166)
19Alg. begraafplaats (p. 166)


van de stad. In 1672-'74 was Hasselt bezet door Münsterse troepen. Daarna volgde een korte economische opbloei, mede omdat de stad in 1677 stapelplaats werd voor Bentheimer zandsteen. De aanleg van de Dedemsvaart in 1809-'11, die via de stadsgracht in het Zwarte

[p. 162]



illustratie

Hasselt, Grote of St.-Stephanuskerk, plattegrond


Water uitkwam, bracht een opleving voor de nijverheid. Deze opleving gold ook voor de al uit 1615 stammende kalkbranderij op de Schulpenbarch ten noorden van de stad, waar veel ‘Avereester turf’ werd gebruikt. Verder ontstonden toen nieuwe touwslagerijen en scheepswerven, waaronder in 1871 de scheepswerf van Van Aller, in 1922 overgenomen door de Gebr. Bodewes.

Aan het begin van de 19de eeuw heeft men de vestingwerken ontmanteld en in 1827 zijn de stadspoorten afgebroken. De drie oostelijke bastions veranderde men in het Van Stolkspark met de nieuwe begraafplaatsen. In 1828 werd een nieuwe brug over de rivier gebouwd, die in 1896 vervangen werd door de Van Nahuysbrug. Over deze brug reed tussen 1914 en 1934 ook de tram Zwolle-Blokzijl. Aan het eind van de 19de eeuw brak men de zuidelijke wand van de Ridderstraat en de daar aanwezige stadsmuur af om plaats te maken voor nieuwe woonbebouwing. In het begin van de 20ste eeuw werd het Justitie-bastion bebouwd. Voor de woningbouw aan de Eikenlaan en de Sportlaan dempte men in de jaren twintig en dertig een deel van de daar gelegen binnengracht. Op de westoever van het Zwarte Water kwam in 1933 een nieuw overslagterrein tot stand; hier werd in 1938 een cementwarenfabriek gevestigd. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden aan de noord- en oostzijde van Hasselt nieuwe woonwijken. Ten behoeve van de provinciale weg Zwolle-Vollenhove werd in 1972 een nieuwe hoge brug over het Zwarte Water gebouwd. Hiervoor moest een deel van de bebouwing aan de Hoogstraat en de Keppelstraat worden gesloopt.

De (Herv.) Grote of St.-Stephanuskerk (Markt 8) [1] is een laat-gotische driebeukige hallenkerk; de ingebouwde toren telt drie geledingen en heeft een ingesnoerde spits. Volgens overlevering is al in 997 ter plaatse een kerk gesticht. Bij archeologisch onderzoek is een 12de-eeuwse, romaanse koorabsis aangetroffen, die in de 13de eeuw, mogelijk omstreeks 1255, een uitbreiding heeft ondergaan en kort daarop van een transept is voorzien. In de eerste helft van de 14de eeuw volgde de uitbreiding tot pseudobasiliek. Nadat die kerk in 1380 geheel door brand was verwoest ontstond de huidige kerk. Bij de herbouw heeft men gebruik gemaakt van het kort voor 1380 gereed gekomen middenkoor, dat aanvankelijk lager moet zijn geweest. Ook het schip moet aanvankelijk lager zijn ontworpen; de geprofileerde schalken tegen de pijlers reiken niet tot de geboorte van de gewelfribben. Aan de westzijde werd gelijktijdig begonnen met de onderste geleding van de toren.

In de periode tussen 1400 en 1466 is de huidige hallenkerk in fasen tot stand gekomen. Daarbij is men begonnen met de verhoging van koor en middenschip, gevolgd door de bouw van het zuiderzijschip met zuidkoor en mogelijk na 1443 met het noorderzijschip, dat aan de oostzijde een vlakke sluiting kreeg. De inmiddels ingebouwde toren bereikte toen ook zijn huidige hoogte en werd van binnen aan drie zijden met wijde bogen naar de kerk geopend. In 1466 moeten toren en hallenkerk klaar zijn geweest, omdat toen de overgebleven bouwmaterialen publiekelijk werden verkocht. Uiteindelijk heeft men in 1496-'97 het noordkoor toegevoegd en in 1501-'03 de Heilige Grafkapel met naastgelegen sacristie. De toren, waaraan in 1558 en in 1596 is gewerkt, werd in 1662 voorzien van een carillon. Na een beeldenstorm in 1582 moest de kerk worden hersteld, evenals na de beschieting van de stad in 1657. De toren brandde in 1725 volledig uit door blikseminslag, waarbij ook de kappen van het schip verloren gingen. Bij het herstel werd de huidige torenspits aangebracht. Om de nieuwe kappen op het verzwakte metselwerk van de kerk te kunnen aanbrengen heeft men de kerkmuren toen ongeveer een meter verhoogd. In het midden van de 19de eeuw verving men de gotische vensterharnassen door houten harnassen. De toren is in 1955-'57 onder leiding van Ph. Bolt gerestaureerd en de kerk in 1963-'68 naar plannen van R. Offringa. De kerk is toen weer zoveel mogelijk hersteld in de toestand van omstreeks 1500.

Het ruime kerkinterieur is voorzien van rijzige pijlers, wijde bogen en brede stenen kruisribgewelven. Het gewelf boven het torenportaal is bij de restauratie opnieuw aangebracht. In het middenkoor zit een sluitsteen met reliëf van de patroonheilige St. Stefanus. Op de noordoostpijler van de toren bevindt zich een muurschildering uit circa 1525, voorstellende St. Cristoforus. De kerk bevat veel grafzerken, waaronder die van Egbert Mulert (†1510), jkvr. Walburch van Renesse (†1586) en jhr. Albert van

[p. 163]



illustratie

Hasselt, Grote of St.-Stephanuskerk (1970)


Ittersum (†1608). Enkele stenen zijn in de muren ingemetseld. Een deel van de inventaris is 17de-eeuws, zoals de eikenhouten kansel (circa 1620, maar deels vernieuwd) met 18de-eeuwse koperen lezenaar, het doophek (1620), een bronzen luidklokje (1674), een staand horloge met wapen van Hasselt en een grotendeels gerestaureerde herenbank. De koperen luchters en doopbekkenhouder zijn 18de-eeuws; de doopboog en de lezenaar bij het doophek zijn 19de-eeuws. Het orgel werd tussen 1802 en 1807 gebouwd naar plannen van R. Knol, de orgelkast is van de hand van stadstimmerman J.J. Bode, de beelden zijn van L. Grisentie. Opvallend zijn de schilderingen van gordijndraperieën die het orgel omringen. Van het Hemony-carillon uit 1662 zijn de twee klokken die de brand van 1725 overleefden opgenomen in een uit 1959 stammend klokkenspel van A.H. van Bergen. De pastorie (Ridderstraat 14) is omstreeks 1860 gebouwd in neoclassicistische vormen.

Van het voorm. H. Geestgasthuis [2], gesticht in 1391, zijn de kapel en de ziekenzaal bewaard gebleven. De voorm. kapel van het H. Geestgasthuis (Hoogstraat 26/Raamstraat 2) is een sterk verbouwd overblijfsel van het in 1391 gestichte gasthuis. De kern van het gebouw stamt uit het einde van de 15de eeuw. Kort na 1582 werd het gasthuis verplaatst naar het voorm. Begijnenklooster aan de Baangracht. De kapel deed vervolgens dienst als arsenaal (vanaf 1617) en als onderkomen voor gilden (1742-'54) en katholieke bijeenkomsten (vanaf 1748). In 1809 verbouwde men de kapel tot R.K. St.-Stephanuskerk en het gedeelte aan de Raamstraat tot pastorie. De kerk werd verder nog verbouwd in 1834 en gerestaureerd en vergroot in 1868-'72 naar plannen van H.J. Wennekers, waarbij de huidige gevel aan de Raamstraat tot stand kwam. De in 1909 gebouwde gevel met geveltoren is bij een verbouwing tot fietsenzaak - na de in gebruikname van de nieuwe R.K. St.-Stephanuskerk in 1933 - vervangen door de huidige gevel. In het interieur zijn schilderingen en opschriften op de balken bewaard gebleven. De voorm. ziekenzaal van het H. Geest Gasthuis (Hoogstraat 33/Rosmolenstraat 1) is een oorspronkelijk zeer diep pand, gebouwd omstreeks 1500. Tot kort na 1582 heeft het dienst gedaan als ziekenzaal; daarna kwam het bekend te staan als het ‘Olde Gasthuys’. Van 1582 tot 1611 diende het pand als stadswaag. Omstreeks 1630 verbouwde men het voorste gedeelte tot woning en trok men een nieuwe voorgevel op. Het achterste deel kwam in gebruik als stal met rosmolen. Het stalgedeelte is in 1961 afgebrand en niet herbouwd. De spitsboog in de eindgevel, een overblijfsel van de oostzijde van de ziekenzaal, is oorspronkelijk waarschijnlijk gebruikt als altaarnis. In het interieur bevindt zich op de verdieping een schouw met laat-gotische wangen; deze zal ongetwijfeld van elders uit het gasthuis afkomstig zijn. Het pand is in 1969 gerestaureerd naar plannen van Th.G. Verlaan, waarbij de voorzijde zijn huidige schoudergevel met toppilaster heeft gekregen.

Het voorm. Nieuwe Gasthuis (Baangracht 6-7) [3] is een fors en breed, gepleisterd dwars pand. Het is het enige overblijfsel van het 14de-eeuwse St.-Mariaklooster, dat als begijnhof was ontstaan, maar in 1414 tot klooster verheven werd. In 1442 kreeg het een eigen kerkhof en uit die tijd zal ook de begijnenkerk aan de Gasthuisstraat stammen, die kort na 1704 werd gesloopt. Van 1588 tot 1610 was het een toevluchtsoord voor het benedictinessenklooster Mariënberg te Zwartewatersklooster. In 1616 overleed de laatste begijn. Na overname door de stad richtte men in 1592 het in oorsprong mogelijk 15de-eeuwse gebouw in tot ziekenzaal van het Nieuwe Gasthuis. In het midden van de 17de eeuw werd dit gebouw aan de Baangracht in tweeën gedeeld. Het linker deel werd woonhuis van jonker Ten Klooster tot der Grote Weede en diende in de 18de eeuw als Franse kostschool. In de 19de eeuw werd het verbouwd tot burgemeesterswoning. Bij de burgemeesterwoning behoort de vakwerkbouw uit het einde van de 19de eeuw aan de achterzijde. Het rechterdeel heeft in de 17de eeuw dienst gedaan als tweede predikantswoning en stadsschoolhuis, Latijnse en Duitse school. De huidige voorgevel van beide gebouwen stamt uit het midden van de 19de eeuw.

De R.K. St.-Stephanuskerk (Eiland 22) [4] is een kruiskerk met steil zadeldak en een op korte afstand terzijde staande toren met een iets opgelichte, ingesnoerde spits. De kerk verrees in 1932-'33 naar een ontwerp van G.Th. Ruberg met expressionistische elementen. De pastorie (Eiland 24) stamt eveneens uit 1933. Boven een westelijk van de toren gelegen toegang tot het achterterrein staat het opschrift ‘Miserorum et Afflictorum’, een verwijzing naar de periode 1580-'90, toen de stad onderdak bood aan katholieken. De kerk staat aan de straatzijde van ‘De Heilige Stede’, een bedevaartsterrein waar in 1328 door bisschop Jan van Diest een Heilig-Sacramentskapel was gesticht. De middeleeuwse kapel, uitgebreid in 1355-'57, werd in 1590 afgebroken, waarna een bedevaartsverbod volgde. Vanaf 1893 tot 1965 vonden er weer bedevaarten plaats, waartoe op het achterliggende processiepark in 1933 een kapel werd gebouwd. Overige kerken. Het verenigingsgebouw Immanuel (Regenboogstraat 5) [5] is een eenvoudige zaalkerk met trapgevel, gebouwd in 1919 en verbouwd in 1956-'57. De Chr. Geref. kerk (Baangracht 21) [6], een sobere zaalkerk met zadeldak, verrees omstreeks 1935. De Geref. kerk (Synodaal) (Kastanjelaan ong.) [7] is een eenbeukige kerk met forse toren, gebouwd omstreeks 1950 en verbouwd omstreeks 1981, toen er aan de noordzijde een ongeveer uit 1930 stammend verenigingsgebouw bij werd getrokken.

[p. 164]



illustratie

Hasselt, Stadhuis (1970)


Het stadhuis (Markt 1) [8] is een fors, vrijstaand, laat-gotisch gebouw. In 1431 is voor het eerst sprake van een Schepenhuis; dat huis onderging in 1432 een ‘vertimmering’. Het bestaande gebouw is in twee fasen tot stand gekomen. Het naar het Zwarte Water gerichte westelijke deel stamt uit het eind van de 15de eeuw. Het oostelijke deel is blijkens de datering op de boog boven de ingang aan de noordzijde uit 1550. Dat laatste, rijkere bouwdeel heeft speklagen in Bentheimer zandsteen, een trapgevel en getordeerde bakstenen pinakels op consoles, waartussen kleine vroeg-renaissancistische klauwstukken zijn aangebracht. Het verrees op de plaats van het in 1514 vermelde stadswijnhuis en werd gebouwd door de Zwolse steenhouwers Michiel Bartolsz., Reinier Alberts en Adriaan Johannes. Op het natuursteenwerk zijn vier verschillende steenhouwersmerken aangetroffen: die van de drie genoemden en mogelijk die van Mense Steenhouwer. De Bentheimer zandsteen werd geleverd door de Zwolse steenhandelaar Lambert Stuurman.

In 1632 werd inwendig een nieuwe secretarie gebouwd en in 1724 volgde opnieuw een wijziging van het interieur. Tevens werden toen de trapgevels hersteld. Bij een grote herstelling in 1820-'26, onder leiding van timmermansbaas J.J. Bode, werden de kruiskozijnen vervangen door schuifvensters en de trapgevel aan de westzijde gesloopt. Aan de oostzijde pleisterde men het deel onder de topgevel. Een deel van het stadhuis werd ingericht tot woning voor de stadsbode; na 1848 woonde hier de veldwachter. In het westelijke bouwdeel bevond zich van 1611 tot 1907 de waag, met daarnaast een arrestantenkamer en in de kelder twee cellen. Van 1867 tot 1884 was hier ook de bibliotheek in ondergebracht. Nadat reeds in 1900 plannen waren gemaakt, volgde in 1907-'08 een algehele restauratie onder leiding van P.J.H. en J.Th.J. Cuypers. De vernieuwde kruiskozijnen en de nieuwe dakruiter - met een in 1640 door Henrijck ter Horst gegoten klok - stammen uit die tijd. Tevens werd toen de waagdeur verwijderd zonder dat er een spoor van achterbleef. In 1993 nam het nieuwe stadskantoor aan de Telvorenstraat de meeste functies over.

Het stadhuis bevat inwendig enkele belangrijke schilderstukken waaronder het enig bekende werk van de Hasselter schilder Nic. van Galen uit 1657 ‘Graaf Willem de Goede van Holland laat de oneerlijke baljuw terechtstellen’, een portret van prins Maurits in de trant van Van Miereveld en een 17de-eeuws gezicht op Hasselt. Curieus is het driedimensionale knipselwerk van J.K. van Ferneij uit 1827 in de vorm van een neoclassicistische tempel met ionische halfzuilen en acht vakken met episodes uit het leven van Jezus.

Het voorm. Arm- en weeshuis (Ridderstraat 24) [9] is een groot, diep en gedeeltelijk onderkelderd huis van laat-15de-eeuwse oorsprong. De linker zijgevel, gelegen langs een steegje, verkeert nog in oorspronkelijke staat en heeft op de verdieping een rij dichtgezette bakstenen kloostervensters. Aan de achterzijde van deze gevel is nog een afschuining te zien van de vroegere inwendige wenteltrap, evenals enkele gotische zandstenen consoles. Onder het achterhuis bevindt zich een kelder van zes vakken met gordelbogen en kruisribgewelven rustend op twee middenpijlers met achtzijdige schacht. De balken van de begane grond hebben sleutelstukken met laat-gotische peerkraalmotieven.

Vóór 1627 was het huis in handen van de familie Verdelft en in 1650 kwam het in

[p. 165]



illustratie

Hasselt, Postkantoor


handen van het geslacht Rechteren. In 1775 werd het huis door graaf J.R.B.R. van Rechteren Limpurg aan de stad geschonken om er een arm- en weeshuis in te vestigen, waarvan de gevelsteen in de voorgevel uit 1778 getuigt. Uit die tijd dateert inwendig een keldertje achter de trap waar kinderen voor straf werden opgesloten; in een trede van de trap zit een etensluikje. Het pand kreeg in het midden van de 19de eeuw zowel een nieuwe, lagere, kap als een nieuwe voorgevel.

De voorm. openbare lagere school (Nieuwstraat 13) [10] is in 1863 gebouwd als een tweeklassige school met middengang. Achter de gevel in neoclassicistische vormen is het gebouw in 1981 geheel vernieuwd.

Het postkantoor (Hoogstraat 43-45) [11] is een smal pand met aan beide zijden een risaliet met ingang. Het neoclassicistische gebouw is omstreeks 1880 gebouwd, mogelijk naar plannen van J. Moll en draagt het opschrift ‘Post- en telegraafkantoor’.

Woonhuizen. Verspreid door de stad staat een flink aantal belangwekkende huizen, waarvan de oudste in de Ridderstraat en Hoogstraat. Langs de grachten en vooral de schilderachtige Heerengracht zijn veel 17de-eeuwse diepe en dwarse huizen te vinden.

Hoogstraat 12 is een in opzet 15de-eeuws onderkelderd pand met een hoog voorhuis en een achterhuis met insteek. Het voorhuis heeft een balklaag met sleutelstukken die voorzien zijn van peerkraalmotieven. De kelder onder het voorgedeelte heeft kruisgewelven op een middenpijler met achtzijdige schacht. Het is het geboortehuis van Kiliaen van Rensselaer (1586-1643), stichter van het huidige Rensselaerswijck aan de Hudson (VS). Bij een ingrijpende verbouwing in de jaren dertig van de 17de eeuw kreeg het huis aan de voorzijde een nieuwe schoudergevel en een nieuwe kelder met tongewelf onder het achterhuis. In de tweede helft van de 18de eeuw voorzag men het achterhuis van nieuwe ramen. Het pand is in 1959-'61 gerestaureerd door Ph. Bolt. Het dubbelpand Ridderstraat 40-42 bestaat in de kern uit twee laat-middeleeuwse huizen. Nummer 42 heeft aan de voorzijde een kelder met ribloze kruisgewelven op een middenpijler met achtzijdige schacht; deze dateert uit de tweede helft van de 15de eeuw. In het interieur bevindt zich verder een gangpoortje met ionische pilasters uit het midden van de 17de eeuw. Beide panden kregen in het derde kwart van de 19de eeuw een nieuwe voorgevel en een nieuwe dwarse kap aan de voorzijde.

Hoogstraat 40 is een ten dele onderkelderd pand met voor- en achterhuis. Het voorhuis, met enkelvoudige balklaag voorzien van ojiefvormig geprofileerde consoles, stamt uit de eerste helft van de 16de eeuw. In de 19de eeuw is het met een verdieping verhoogd. Het forse, dwarse pand Heerengracht 16 stamt waarschijnlijk nog uit het eind van de 16de eeuw. Het is lange tijd in bezit

illustratie

Hasselt, Woonhuizen Heerengracht 6-8




illustratie
Hasselt, Woonhuis Brouwersgracht 16


geweest van het geslacht Mulert en later was het de woning van diverse hoogschouten. De huidige lijstgevel dateert uit het begin van de 19de eeuw. De huizen Heerengracht 6-8 hebben topgevels met in- en uitgezwenkte zijkanten, die getuige de jaartalsteen van nummer 6 dateren van 1593 en kort daarna. Ze zijn recentelijk sterk gerestaureerd en herbouwd.

Veel huizen in Hasselt stammen uit de 17de eeuw; de meeste zijn later van hun topgevel ontdaan. De voorgevel van Brouwersgracht 16, met zijn fraaie lelie-ankers en metselmozaïek in de boogvullingen, is een gaaf voorbeeld van een vroeg-17de-eeuwse trapgevel. Ook Hoogstraat 67 heeft een trapgevel uit die tijd, maar hier is het bovenstuk gerestaureerd. Eenvoudige schoudergevels zijn Hofstraat 22 (1613) en Heerengracht 1. Het lange pand met schoudergevel Rosmolenstraat 3-5 werd in 1618 gebouwd als straathofje en biedt na restauratie plaats aan drie woningen, met behoud van de oorspronkelijke zeven deuren. Andere in opzet 17de-eeuwse panden zijn: Hofstraat 24 (1611), Hoogstraat 24 (1611), Nieuwstraat 7 (1627) en de drie afgewolfde panden Prinsengracht 17-19. Ook zonder top, maar met midden-17de-eeuwse pilasterdetails in de voorgevel is het huis Ridderstraat 1. Karakteristiek voor Hasselt zijn de 17de- en 18de-eeuwse dwarse eenlaags panden, die vaak meerdere woningen herbergen. Het onderkelderde pand 't Hoge Huijs (Heerengracht 27) uit het begin van de 17de eeuw is hier een vroeg voorbeeld van. Andere voorbeelden zijn: Baangracht 14-20, Heerengracht 25-26, Markt 2 (omstreeks 1800),

[p. 166]

Prinsengracht 8 en Prinsengracht 9-10. Het laatstgenoemde pand is lange tijd een stadsboerderij geweest. In de 18de eeuw heeft men in Hasselt weinig gebouwd. Alleen de klokgevel Prinsengracht 3 dateert uit de tweede helft van die eeuw.

Door het relatief grote bestand aan oudere panden kwam in het begin van de 19de eeuw ook weinig nieuwbouw tot stand. Wel werden enkele panden verbouwd, met als belangrijkste voorbeeld Hoogstraat 49, de voorm. stadsburgerschool. Dit statige pand met rechte kroonlijst werd in 1802 verbouwd tot Franse kostschool. Het vormde samen met Hoogstraat 51-53 en Hoogstraat 40-44 één scholencomplex. Hoogstraat 42 heeft vroeg-19de-eeuwse empire-schuifvensters met geteld geld. Andere panden die in die tijd werden verbouwd zijn: Hoogstraat 57, Hoogstraat 10 en Hoogstraat 8; de laatste heeft empire-schuifvensters met waaierzwikken en een omstreeks 1860 aangebrachte winkelpui.

De jongere bouwkunst is in Hasselt spaarzaam vertegenwoordigd. Vermeldenswaardig zijn de winkelpui van Markt 4 (omstreeks 1880), het woon- en winkelpand Hoogstraat 16 in neorenaissance-vormen (omstreeks 1905), het woonhuis annex bedrijf Ridderstraat 38 (omstreeks 1910) en de jugendstil-panden Ridderstraat 13-15 (omstreeks 1910).

Hotel De Herderin (Hoogstraat 1-3) [12] dateert in zijn huidige vorm, met uitgebouwde serre, uit omstreeks 1905. In de kern is het pand waarschijnlijk nog vroeg-17de-eeuws; toen was hier de herberg ‘Het Rode Hart’ gevestigd. In de 18de eeuw kwam het als woonhuis in bezit van predikant Zacharias Spies. Na diens overlijden zette zijn vrouw de herberg voort, wat tot de nieuwe naam leidde.

Verdedigingswerken. Van de middeleeuwse verdedigingswerken zijn uitsluitend langs het Zwarte Water nog enige resten bewaard gebleven. De zogeheten Vis- of Waterpoort (naast Ridderstraat 11) [13] is in strikte zin geen poort, maar een aan de buitenzijde plaatselijk verzwaarde muurdoorgang. Aan de landzijde bevindt zich een getande uitkraging voor de inmiddels verdwenen

illustratie

Hasselt, Zeewering


borstwering; aan de stadszijde zitten enkele kraagstenen voor een weergang. De poortdoorgang zou uit het derde kwart van de 14de eeuw stammen. De ingemetselde stenen kogel is afkomstig van de beschieting in 1657. Het geheel heeft in 1957 een restauratie ondergaan. Ook ter plaatse van het Justitie-bastion zijn de lage resten van de, later als zeewering dienende, stadsmuur te vinden. De hier op een gemetselde pijler geplaatste schildhoudende leeuw dateert mogelijk uit de 16de eeuw en is afkomstig van de in 1827 gesloopte Veerpoort.

Het kalkovencomplex (Kalkovenwegje 3) [14] op de Schulpenbarch, een terrein tussen de stadsgracht en de Dedemsvaart, bestaat uit twee schachtovens en een les- of blushuis. De beide ovens werden omstreeks 1850 opgetrokken. In 1946 en omstreeks 1970 zijn de bovenstukken van de schachten vernieuwd om ze geschikt te maken voor continu gebruik. Het huidige leshuis is bij de restauratie in 1981 gekopieerd. Het oorspronkelijke leshuis is overgebracht naar het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, waar het nu één complex vormt met drie kalkovens uit Akersloot (Noord-Holland).

Windmolen ‘De Zwaluw’ (Stenendijk 7) [15] is een hoge achtkante, met riet gedekte stellingkorenmolen op houten onderstuk en bakstenen voet, gebouwd in 1784. In 1864 kreeg hij een nieuwe bovenas. De molen is sinds 1877 in handen van het molenaarsgeslacht Van Mulligen. In 1964 is hij gerestaureerd.

Het brugwachtershuisje (Kaai 2) [16], een vierkant gebouwtje met aan de waterzijde een afschuining en een geknikt tentdak, is alles wat er overbleef van de in 1896 gebouwde Van Nahuysbrug.

Het Van Stolkspark is in het begin van de 19de eeuw in landschapsstijl aangelegd op de oude stadswallen. Van drie 17de-eeuwse bastions zijn de vormen in het park nog herkenbaar. Op deze voormalige bastions liggen drie afzonderlijke begraafplaatsen. In het noorden bevindt zich de Isr. begraafplaats (Bolwerk) [17]. Deze verving kort na 1825 een aan de overzijde van de Dedemsvaart gelegen begraafplaats uit 1774, welke in 1825 was weggespoeld. Het metaar- of reinigingshuisje is in de Tweede Wereldoorlog verwoest. In het noordoosten ligt de R.K. begraafplaats (Van Stolkspark) [18] met een baarhuisje voorzien van geveltorentje uit 1878 en een hek uit dezelfde tijd. Op het oostelijke bastion ligt de Alg. begraafplaats (Van Stolkspark) [19], gesticht in 1839. Het baarhuisje in neogotische vormen dateert uit omstreeks 1880.

Zeewering (Stenendijk). Een historische stenen zeewering ter lengte van ruim 1100 meter sluit aan op de zuidwestzijde van de stad. De wering wordt in 1558 voor het eerst genoemd. De in 1982 gerenoveerde muur bestaat uit vele stukken divers metselwerk, omdat het onderhoud over diverse ingelanden was verdeeld.