|
|
|
| |
| | | |
Andre Stevens vijfenzestig
Graag voldoe ik aan het verzoek van de redactie van Aldebiesen
om in dit nummer, dat ter gelegenheid van diens 65e verjaardag aan André Stevens wordt opgedragen, een klein huldewoord te
schrijven. De naam Stevens leerde ik in 1954 kennen, toen ik aan mijn
licentiaatsverhandeling werkte en op twee belangrijke artikelen stootte: het
stuk dat in dit nummer en tevens als nr. 9 van de Mededelingen van de Vereniging
voor Limburgse Dialekt- en Naamkunde, is herdrukt en zijn tweelingsbroertje, het
omvangrijke opstel
De evolutie van de Haspengouwse streektalen
in de bundel
Limburgs Haspengouw
, 1951, blz. 223-264. Beide stukken hebben mij de ogen geopend voor de
historische basis en de ruimtelijke gedifferentieerdheid der Limburgse dialecten
en mij geleerd hoe boeiend het wetenschappelijke spel met dialectgegevens kan
zijn.
| | | |
Een paar jaar later heb ik Stevens persoonlijk leren kennen; sedertdien heb ik
hem geregeld ontmoet. Het is een van de leerrijkste en prettigste kennismakingen
uit mijn leven geweest. Leerrijk omdat ik in gesprekken met hem en bij een paar
gemeenschappelijke dialectopnamen in de buurt van Tongeren een stuk van het vak
heb geleerd en mijn inzicht in de Limburgse taalgeschiedenis heb mogen
verdiepen. Ik ken niemand, ook niet onder de hooggeleerden aan de Belgische en
Nederlandse universiteiten, die een zo volmaakte beheersing van de historische
klank- en vormleer van het Nederlands en zijn dialecten heeft bereikt. Van zijn
kennis van de Rijnlandse streektalen en de geschiedenis van de Germaanse talen
buiten het Nederlands spreek ik dan niet eens. Van deze taalkundige eruditie
kunnen zijn publikaties, die nochtans alle even degelijk zijn, bij niet
ingewijden slechts vermoedens doen opkomen. Of is het misschien juist omdat ze
zo degelijk zijn? Stevens vertrouwt niet gemakkelijk iets toe aan het papier en
wanneer hij schriftelijk formuleert is hij uiterst kritisch tegenover zichzelf.
Dit heeft het aantal van zijn publikaties gedrukt(x). Hij weet nog heel veel meer
dan hij heeft geschreven! En dit bevat nochtans zeer belangrijke studies van
dialectologische en naamkundige aard. Er zijn synthetiserende stukken bij zoals
de twee hierboven genoemde en onlangs verschenen uitvoerige opstel over de
dialecten van Brustem en omgeving, verder artikelen
over klankgeografische, vormgeografische (waaronder een magistrale studie over
de voornaamwoorden du, dich en dijn) en woordgeografische problemen | | | | (waaronder het niet
minder indrukwekkende artikel over zwaalde, een benaming voor
broodschieter) evenals over toponymische vraagstukken (waaronder een
baanbrekende studie over het belang van de dialectvormen van toponiemen).
Mijn kennismaking met André Stevens behoort ook tot mijn prettigste ervaringen.
Zijn welbespraaktheid, geestigheid, scherpzinnigheid en zijn sceptisch-milde
kijk op de mensen en het wetenschappelijk bedrijf maken ieder gesprek met hem
tot een aangename en verrijkende belevenis. Hulpvaardigheid is bij hem een ijdel
woord. Zijn vriendschap stel ik op hoge prijs. Ik wens hem nog vele
wetenschappelijk vruchtbare en menselijk gelukkige jaren.
Prof. dr. J. Goossens Leuven
| |
| | | |
Bibliografie:
Toponymie en dialektologie, Beschouwingen in verband met de
Nederlandse dialektvorm van enkele Haspengouwse plaatsnamen
(Feestbundel H.J. van de Wijer I (1944) 365-393). De evolutie
van de Haspengouwse streektalen (Limburgs Haspengouw (1951)
223-264). De Naamkunde en haar problemen in Haspengouw
(Limburgs Haspengouw (1951), 262-275). Struktuur en Historische
Ondergrond van het Haspengouwse Taallandschap (Het Oude Land van
Loon (1952) 4-20). Pronominale Isomorfen in Belgisch-Limburg I.
Du, dich en dijn (Taal en Tongval I (1949) 132-154). De Taal is gans het Volk (Veldeke 28 (1953) 1-8). Zwaalde, een Zuidoostnederlandse Dialektbenaming voor de Broodschieter
of Ovenpaal (Taal en Tongval 5 (1953), 94-128). De
Konsonanten-verbinding schr- in het Zuiden van Belgisch Limburg
(Taal en Tongval 6(1954) 143-147). Intonatieproblemen in en om
Wets-Limburg (Taal en Tongval 7 (1955) 135-142). In
Memoriam Wilhelm Welter (Taal en Tongval 8 (1956) 39-40). Funktionele Abhängigkeit von Isophonen. Ein Beispiel aus
Belgisch Limburg (Orbis 13 (1964) 545-555-met J. Goossens). Het Oostgetelands en de Truierlandse dialekten van Brustem,
Aals en Ordingen (het Oude Land van Loon 30 (1975) 435-469) In memoriam Jozef Leenen (Handelingen van de Kon.
Commissie voor Toponymie en Dialectologie 50 (1976) 27-30). (Met J.
Herbillon:) Toponymie de Herstappe (Toponymie de la
Hesbaye liégeoise, Fasc. 12 (1947) 660-727). Ook mag hier gewezen worden op
de reeks artikelen Toponymes hesbignons van J. Herbillon
in de Handelingen van de Kon. Commissie voor Toponymie en Dialectologie;
voor heel wat plaatsnamen heeft Herbillon een beroep gedaan op de kennis van
Stevens. Verder vermelden we nog (samen met E. Blancquaert, J.C. Claessens
en W. Goffin) Dialektatlas van Belgisch-Limburg en
Zuid-Nederlands-Limburg (Antwerpen 1962).
| |
| | | |
Struktuur en historische ondergrond van het Haspengouws
taallandschap I. - Dialektgrenzen en -groepen in Haspengouw
Uit opeenvolgende afwisseling van Hoogduits-Ripuarische en Westnederfrankische
(Brab.-Holl.-Alg.-Ndl.) invloeden die nu eens zwakker dan eens sterker over onze
streken spoelden, ontstond een overgangsgebied tussen Oost en West dat in het
dichtbevolkte Haspengouw vooral gekenmerkt is door de geleidelijkheid der
overgangen(1).
Dit is goed te begrijpen, want het ene woord ging wat verder oost- of westwaarts
dan het andere, het ene opdringende verschijnsel was ‘expansiever’ dan het
andere. Van een zo groot mogelijk aantal dier verschijnselen of woorden tekent
de dialektoloog een kaart die hem het verloop der scheidingslijnen, het net der
grenzen duidelijker voor ogen moet brengen. Want indien vele grenzen verward
door elkaar lopen, zo zijn er toch ook weer veel die zichtbaar dezelfde richting
volgen en in vele gevallen dezelfde plaatsen aan de ene en aan de andere zijde
laten. De gebieden nu, die door zulke lijnenbundels ingesloten worden kunnen
beschouwd worden als streken waar de bewoners een enigszins op elkaar lijkend
dialekt gebruiken. Ook in zo'n gebieden bestaan verschillen en is de overgang
van West naar Oost nog te onderscheiden, maar er is anderzijds over heel het
gebied een geheel van talrijker gemeenschappelijke eigenaardigheden die het een
eigen cachet geven. Zelfs de gewone volksmens onderscheidt dit wanneer hij zegt:
het was er ene van de kanten van St. Truiden; ze was
van de omstreken van Loon; hij sprak zoals ze tegen
Tongeren ‘kallen’.
Enkele van die dialektgroepen onderscheidende grensbundels zijn reeds bekend: ze
lieten toe het Limburgs in Oost- en Westlimburgs te scheiden evenals het
Westlimburgs van de Brabants-Limburgse overgangsdialekten van het Hageland en
Brabants-Haspengouw.
Limburgs-Haspengouw maakt grotendeels deel uit van het Westlimburgs, dat in de
Limburgse Kempen een gevarieerd maar | | | | in vergelijking met
Haspengouw toch veel uniformer geheel uitmaakt tussen het Antwerps-Kempens en
het Oostlimburgs (Maaslands + Maaskempens van Bree en
omgeving).
| |
A. - Het Maaslands en de Maaslands-Oosthaspengouwse
overgangsdialekten
Het Westlimburgs wordt bevat tussen enerzijds de Getebundel en anderzijds een bundel lijnen die we
gemakkelijkheidshalve de Genkerlijnenbundel zullen heten.
Deze laatste beweegt zich over de overgangsdorpen Kaulille en Grote-Brogel en ten westen van
Meeuwen naar Genk en
is de grensgordel voor een groot aantal O.-W.-tegenstellingen.
Bij en rond de scharnier Genk rafelt de dichte lijnenbundel plots uiteen in
verschillende strengen: de meest westelijke slaat de grensdorpen van Gellik en Veldwezelt tot
Vroenhoven naar de oosterzijde. Deze streng,
die we gemakkelijkheidshalve Vroenhoverstreng zullen heten
scheidt o.a.:
| 1. |
| a) | Westelijk goe(h)d of guu(h)d,
boek of buuk van Oostelijk good, book (goed, boek) |
| b) | W. vlie(h)g, lie(h)f van O. vleeg, leef (vlieg, lief) |
|
| 2. |
| a) | W. sjoon, hoog van O. sjoen,
hoeg (schoon, hoog) |
| b) | W. leene, zee van O. liene,
zie (lenen, zee) |
|
| 3. | W. mèèë of määë van O. mèèje of määje (maaien) |
| 4. | W. trèèë, knèèë van O. trèèje,
knèèje (treden, kneden) |
| 5. | W. sjaan, haan van O. sjan, han
(schande, handen) |
| 6. | W. daase van O. daanse (dansen) |
| 7. |
| a) | W. haage of haate of haade van O. hawe (houden) |
| b) | W. aaë, kaa van O. awwe,
kaw (oude, koude, subst.) |
|
| 8. |
| a) | W. hoos van O. hoehs
(huis) |
| b) | W. kreus of krees van O.
kruuhs of kriehs (kruis) |
| c) | W. ween van O. wiehn
(wijn) (Het westelijke dorp Hees heeft echter huuhs, kriehs, wiehn) |
|
| 9. | W. mös of més van O. mösj of mésj (mus) |
| 10. | W. stroo van O. struu of strie (stro) |
| 11. | W. haole van O. (h)wolle
(halen) |
De genoemde grensdorpen (Gellik, Veldwezelt, Kesselt, Vroenhoven-dorp) vertonen nochtans nog heel wat
Oosthaspengouwse eigenaardigheden als jézzel (ezel), stwókke of stwékke (stokken), pja(a)t of pjät (paard), naach (nacht), aat, kaat (oud, koud) in pl. v.
Maaslands eezel, stooke, pèèrd of peerd,
nach, aajt en kaajt of awt en
kawt. Ook Wolder en Kanne vertonen nog de laatste drie Oosthaspengouwse
kenmerken (naach, pjät/pjaat, aat
| | | | en kaat), maar deze plaatsen zijn toch
ietswat meer oostelijk georienteerd dan de andere, alle sluiten toch alles
bij elkaar genomen eerder bij het Maaslands dan bij het Oosthaspengouws aan
(op de kaart VII a).
| |
B. - Het Bilzerlands
Een andere groep lijnen uit de Genkerbundel beweegt zich voort ten Oosten van
Bilzen, Rijkhoven,
Grote-Spouwen, Herderen en Val-Meer.
Tot die groep behoren o.a.
| 1. |
| a) | Oostelijk twiehfele(n) - West, normale
diftongering twèifele, twaaifele (twijfelen) |
| b) | Oostelijk zuuhver of ziehver (dit laatste in het ontrondingsgebied) - West.
norm. zèiver, zuiver, zaaiver (zuiver) |
|
| 2. | Oostelijk hoos (te Bilzen en Munsterbilzen
hóws) - West. haws (huis) |
| 3. |
| a) | Oostelijk voeëgel of vwoggel (ook nog te Beverst) -
W. voogel |
| b) | Oostelijk zieëve(n) of zjévve(n) (id.) - West. zeeve |
|
| 4. | Oostelijk gèè (zonder Beverst, maar met Millen, Genoelselderen
en Membruggen) - West. dzjèè,
dzjieé (gij) |
Het belang van deze streng wordt nog vergroot doordat nog verschillende
andere O.-W.-tegenstellingen zich over een noordelijk of een zuidelijk
gedeelte van haar verloop kristalliseren, waardoor de scheidende waarde van
deze streng in belang toeneemt. Zo scheidt het noordelijk deel nog het
westelijke dich-loze van het oostelijke dich-bewarende gebied, verder de
rekking van korte a en è voor s (waasse - wasse, flèès of flääs -
flès). Ten Zuiden van Rijkhoven verlaten deze lijnen echter de streng
en doorkruisen het Tongerlands in Z.-W.-richting. De zuidelijke strook van
de Bilzerstreng (zoals we ze gemakkelijkheidshalve zullen noemen) wordt
versterkt door enkele lijnen die van tussen Val-Meer en Millen uit ten N.
van Herderen in de richting van Eigenbilzen bewegen
(zo o.a. W. oech - O. uuch of iech: u en W. sloute, sloote - O. sliehte of sluuhte: sluiten). Door deze
laatste lijn Val-Meer-Eigenbilzen wordt het hele gebied tussen de
Vroenhover- en de Bilzerstrengen in twee helften gescheiden: een westelijke
en een oostelijke. Het hele gebied zullen we Bilzerlands heten (op de kaart
gebied VI, de westelijke helft of Westbilzerlands VI a, de oostelijke helft
of Oostbilzerlands VI b). De oostelijke vleugel vormt voor veel
verschijnselen de overgang naar | | | | de Maaslandse grensdialekten,
de westelijke zoekt op velerlei gebied aansluiting bij het Tongerlands.
Kenmerkend voor het Bilzerlands is nog buiten de boven als oostelijk
aangehaalde verschijnselen de vormen zjeen of zeen (Bilzen en Munsterbilzen zéin) i. pl. v.
het te verwachten deen, déin (dijn:
jouw, uw). Dit laatste kenmerk vinden we aan de zuidelijke grens ook nog in
een oostelijke strook van het Tongerlands terug.
| |
C. - Het Tongerlands
Deze laatste dialektengroep (het Tongerlands: op de kaart gebied V) is in de
streek Hoeselt-Tongeren te
huis en reikt ten W. van het Bilzerlands tot een lijn Beverst-St. Huibrechts-Hern-Neerrepen-Piringen-Widooie-Lauw. Naar dit laatste dorp zullen we deze
lijnenstreng Lauwerstreng heten. Ze bevat o.a.
| 1. | Oostelijk (Tongerl.) kaaf, haaf - Westelijk kalf, half. |
| 2. | Oostelijk (Tongerl.) zaach, zaat - W. zèj (zei, zegde) |
| 3. | Oostelijk (Tongerl.) kaar, staar - W. kèèr, stèèr (kar, ster) |
| 4. | Oostelijk (Tongerl.) bieék, kuuöke - W. beek, keuke(n) (Lauw in dit geval westelijk) |
| 5. | Oostelijk (Tongerl.) èète èëte, éète - W. ieéte (Neerrepen westelijk) |
| 6. | Oostelijk (Tongerl.) bawk of baok
- W. boek (buik) (Lauw westelijk) |
| 7. |
| a) | Oostelijk (Tongerl.) ós, kóste, dóchter - W.
óós (óws), kóóste (kówste) dówchter (os,
kosten, dochter; Piringen, Widooie, Lauw en Rutten westelijk. |
| b) | Oostelijk (Tongerl.) nés, vés - W. néis, véis (nest, vis; id. als onder a) |
| c) | Oostelijk (Tongerl.) niech, gewiech - W. niehch, gewiehch (nicht, gewicht; Piringen,
Widooie, Lauw westelijk) |
|
| 8. | Oostelijk (Tongerl.) gan (ook nog te Rijkhoven en
soms te Bilzen) - W. gjan, gjaan (gaarne). |
Dit laatste (gan: graag) is typisch Tongerlands en
onderscheidt het zowel van het westelijke Lonerlands als van het Bilzerlands
(Bilzen zelf kent het nog, maar zegt toch meest gjén). Al
de overige kenmerken en nog meer andere binden het Tongerlands aan het
Bilzerlands. Wel is het Bilzerlands meer oostelijk georiënteerd dan het
Tongerlands, maar beide groepen hebben heel wat gemeenschappelijke kenmerken
en grijpen zozeer in malkaar over dat men ze geredelijk onder de naam Oosthaspengouws als overgangsdialekten tussen Oost- en
Westlimburgs zou kunnen beschouwen, te meer daar de grote
meerderheid der westelijkst lopende lijnen van de in Haspengouw uitgerafelde
(Oost- en West- | | | | limburgs scheidende) Genker lijnenbundel (nrs.
1-5) de westergrens van het overgangsgebied vormen(2) en het grootste Z.-O.-deel van het
Tongerlands de Hoogd. ontwikkeling en indeling voor de vertegenwoordigers
van Germ. au en ai heeft(3).
Helemaal uniform is ook het Tongerlands niet: ook in de schoot van deze
dialektengroep bestaat de spanning Oost-West. Zo luidt huis,
kruis, wijn in de oostelijke helft haws, kraais,
waain, in de westelijke haos, kräös, wèèn,
waarbij dan nog overgangen als haaws, krœjs, wèin
voorkomen. Verder ontmoeten zich op Tongerlands gebied waase,
flèès en wasse, flès; sjóun,
léine en sjoon, leene (schoon, lenen) en heeft een
oostelijk deel nog dich (jij). Beverst vormt de overgang naar het Bilzerlands, evenals in het
Zuiden, maar in mindere mate Membruggen, Genoelselderen en Millen.
Widooie en Piringen
vormen daarentegen de overgang naar het Westen, terwijl ook de westelijke
grensdorpen van Romershoven tot Neerrepen, ja zelfs Henis, Riksingen en Lauw dikwijls
maar toch in mindere mate met het Westen meegaan. Alles bij elkaar genomen
vertonen al deze plaatsen toch nog een meer Tongerlands karakter. Vliermaalroot, Vliermaal en
Overrepen (en voor enkele verschijnselen ook
Wintershoven en Zammelen) die langs de westelijke flank van de Lauwerstreng gelegen
zijn en reeds eerder tot de ten Westen van het Tongerlands gelegen
dialektengroep behoren, vertonen echter nog heel wat oostelijke of
Tongerlandse kenmerken als bv. kéis i. pl. v. West kieés (kaas), steen, loope i. pl. v.
westel. stoottonig stèin, lòupe (steen, lopen); laoje, róje i. pl. v. laoë, roeë (laden,
raden), koew, kniej i. pl. v. kóó, knéé
(koe, knie). Het is in dergelijke gevallen zeer lastig indelingen te maken,
gezien het geleidelijke van de overgangen: zoals we Piringen en Widooie na
enige weifeling bij het Tongerlands gevoegd hebben, zo hellen de
overgangsdorpen bij Vliermaal toch eerder naar het Lonerlands over dan naar
het Tongerlands.
| |
D. - Het Lonerlands of Herklands
Naar het Westen toe krijgen we dan over een uitgestrekter gebied de innerlijk
minder gedifferentieerde, meer samenhangende groep van het Lonerlands (op de
kaart: gebied IV), die in het Zuiden tot aan de betogingslijn reikt, meer
noordwaarts tot Kozen | | | | (dat reeds de overgang naar het
Demerlands vormt), tot Alken, St.
Lambrechts-Herk en Rapertingen (onder
Hasselt). Diepenbeek kan er in zekere zin ook
toe gerekend worden, alhoewel het bijna evenveel recht heeft op een plaatsje
apart: het is alleszins meer oostelijk en voor sommige verschijnselen zelfs
N.-W. georiënteerd. Zo heeft het o.a. laoje, róje (laden,
raden), loope, steen in pl. van Lonerlands laoë, roeë, lôwpe, stèjn; vós, dós in pl. van vóós,
dóós (vos, dorst) en de Hoogduitse ontwikkeling en splitsing van
Germ. au en ai. Over de overgangsdorpen bij Vliermaal hebben we het reeds
gehad. In het Westen bij de betoningslijn hebben Ordingen en Boekhout haast evenveel St.
Truiderlandse als Lonerlandse kenmerken: beide plaatsen hebben o.a. nog de
Limb. tweetonigheid, maar de Brabantse behandeling van Germ. au en ai (boem, biehn: boom,
been). Ook Rukkelingen-Loon en Mechelen-Bovelingen hebben sterk de westelijke invloed ondergaan, zijn
echter toch alles bij elkaar genomen nog als Lonerlands te beschouwen.
Die dialektengroep omvat tot op de hoogte van St-Lambrechts-Herk het bekken
van een aantal parallel lopende beken die samen de Herk vormen, we zouden
het dus geredelijk Herklands kunnen noemen of zoals we het reeds geheten
hebben: Lonerlands, naar het centraal gelegen Borgloon:
Kenmerkend voor het Herklands zijn vooral:
| 1) | de rekking vóór s, ch (spiranten), die in het Oosten
konsekwenter is doorgevoerd dan in het Westen: dôuchter,
vóós, vèis, zöister, naach, flèès (dochter, vos, vis, zuster,
nacht, fles). |
| 2) | de óó, öö, éé-achtige klanken (meest nog met een
lichte naslag van doffe ë) in woorden als muis, kruis, wijs (nl. ui -
ij). |
| 3) | zekere afwijkingen in de betoning, vooral van de woorden met Germ. au en ai, bv. stoottonige realisatie
van woorden als lôupe, stèin (lopen, steen). |
| 4) | de uniforme ontwikkeling van woorden met Gm. au en ai tot een, meest
tot ou en ei gediftongeerde oo en ee-klank. Dus geen Brabantse
(Nederl.-Nederduitse) splitsing volgens gevallen met of zonder Umlaut en
eveneens geen splitsing op zijn Hoogduits. Splitsing in de ontwikkeling
van Germ. au en ai naar gelang het
woord sleep- of stoottonig is komt wel voor, vooral dan in een
oostelijke en zuid-oostelijke strook. |
| 5) | de j-loze vormen van woorden als laden,
traden, geboden (part.) |
| 6) | de ieé-nuance voor ee in woorden
als keel, peer, leven, eten. |
| | | |
Op de verdere verschillen ingaan die in de ‘schoot’ van het Lonerlands het
gevolg zijn van de spanning Oost-West zou ons hier te ver leiden: vermelden
we slechts het voorkomen van sj voor Ndl. sch in het Oosten (Panninger zijlinie), van sk in
het Zuiden evenals de tegenstelling W. wasse, vésse - O.
waasse, vèisse (wassen, vissen).
Borgloon is bekend voor zijn Tongerlands klinkende
tweeklanken in stoottonige ui, ij woorden (dawf, dawm, vaail,
vaaig: duif, duim, vijl, vijg) evenals voor het bekende zaaie, laaie: zeggen, leggen. Hierdoor wijkt dit stadje
van de omgeving af die meestal dóóf, dóóm, véél, véég
evenals zégge en légge heeft.
| |
E. - Het Demerlands
Het dichtst bij het Herk- of Lonerlands staan de dialekten die gelegen zijn
in de hoek Schulen, Wijer,
Stevoort, Hasselt,
Stokrooie, Schulen: we
zullen ze gemakshalve Demerlands (op de kaart: gebied III)
heten. Ze vormen samen met het Lonerlands en het ten Noorden van de Demer
gelegen Demerkempens (rond Zolder), het Dommellands (rond Neerpelt) en de
overgangsdialekten uit de naaste omgeving van Peer
en Beringen het ‘echte’ Westlimburgs.
Het Demerlands en het Herklands vertonen meer verwantschap dan verschillen:
zoals we Bilzerlands en Tongerlands samen Oosthaspengouws geheten hebben,
zouden we Demerlands en Herklands wel Centraal-Haspengouws
kunnen heten. Alhoewel in mindere mate dan het Herklands, kent het
Demerlands nog heel wat gevallen van rekking voor spiranten(4) (naacht, dóóst:
nacht, dorst). Ook de bij het Lonerlands onder nr 3 vermelde afwijkingen in
de betoning vinden we er in terug evenals, met uitzondering van Hasselt de
j-loze vormen van nr 5. Bekend zijn verder de äö-achtige
klanken als in häös (huis), die echter niet te Kuringen en Kermt (óó) voorkomen. Waar häös gezegd wordt,
komt ook een eu-achtige oo voor die
vooral door het Hasseltse ën flöö vröö (een flauwe vrouw)
(4) bekend is.
De meeste plaatsen (Wijer, Schakkebroek en Stevoort
niet) ontronden ook de uu en eu in ie en ee: men spreekt er dus in de
Demerdorpen van vier en deer (vuur,
deur). Kenmerkend ten overstaan van het Herklands is echter vooral de oe- en ie-kleur voor Germ. au en ai in
woorden als boe(h)m, koe(h)pe, stie(h)n, zwie(h)te, die
vooral kort klinken, te Hasselt echter lang.
| | | |
Ook de oe, ie in goed, diep wordt op
dezelfde wijze gerealiseerd, behalve te Hasselt, waar men het onder
Zuid-Brabantse invloed tot tweeklanken heeft laten komen (goo(w)ët, deejp).
Zoals men ziet is het Demerlands westelijker georiënteerd dan het
Lonerlands.
| |
F. - Het St. Truiderlands of Oostgetelands
Nóg westelijker is het buiten de betoningslijn vallende St. Truiderlands (op
de kaart gebied II) dat op Zepperen en de
overgangsdorpen Ordingen en Boekhout na het Limburgse deel van het Getebekken omvat van
Jeuk over Brustem naar
Nieuwerkerken en zo over Rummen naar Herk-de-Stad. Deze laatste
plaats en Donk zijn voor enkele eigenaardigheden
Demerlands georiënteerd, behoren echter voor de grote meerderheid tot het
St.-Truiderlands, dat ook de Brabantse plaatsen Rummen en Grazen omvat. Naar het Westen toe
wordt het begrensd door de ‘Getelijn’ die op laatstgenoemde plaatsen na de
Gete volgt tot Zoutleeuw, verder zuidwaarts echter de provinciegrens. De bij
de taalgrens gelegen plaatsen Walshoutem, Wezeren en Walsbets zijn in
zekere zin overgangsdorpen, want alhoewel eerder westelijk, zijn ze toch ook
sterk St.-Truiderlands beïnvloed.
Het St. Truiderlands of Oostgetelands wordt o.a. gekenmerkt door:
| 1) | de aa, äö, èè-klanken in huis, kruis, wijs (Herk: äö-achtige ontronde
open ao, äö, èè) |
| 2) | de oeh(ë), uuh(ë), ieh(ë) voor Germ. au, ai in boom, lood, droog,
been, zweten: boehm, loehët, druuhg, biehën, zwiehëten. |
| 3) | de óó, ee-nuance in woorden als slóópe, geeve. |
| 4) | het ontbreken van rekking in dag, af, graf, slag, weg,
hof, enz. |
| 5) | duuhzend in pl. van doehzend
(duizend), de uuh-vorm is ook in de meeste Lonerlandse grensdorpen
ingedrongen). |
| 6) | kólder of kélder (kelder) waar de
rest van Haspengouw, op een zuidelijke kjólder-strook na, kalder heet(5). |
| 7) | Last but not least: het ontbreken van het Limburgs-Rijnlands tweetonig
systeem, waardoor deze dialekten op het gehoor een veel eentoniger,
gelijkmatiger, muzikaal minder geaccidenteerde indruk maken. |
Het ontbreken van de polytonie is een zeer belangrijk feit dat bij de
indeling van het St.-Truiderlands niet over het hoofd mag | | | |
gezien worden. Ook W. Dols was die mening
toegedaan. ‘Dit verschijnsel grijpt veel dieper en veel breder dan de
andere’ schrijft hij. ‘Dieper, want dit leert een Limburger het moeilijkst
af wanneer hij Alg. Beschaafd moet leren spreken, en zeer velen blijven hun
A.B. spreken met het Limburgs intonatiesysteem. Breder, want het omvat
minstens 3/4 van alle woorden en loopt als een rode draad niet alleen door
de Limburgse vormleer,...’ ...‘Daarom, voegt hij er zelfs aan toe, lijkt mij
dit het beste criterium voor een afbakening der Limburgse dialekten’(6).
We willen met het aanhalen van die mening niet zeggen dat we ze in het geval
van het St. Truiderlands volledig onderschrijven.
Wat is de positie van het St. Truiderlands in het geheel van
onze overgangsdialekten?
Zoals we zagen wordt deze dialektengroep naar het Oosten toe begrensd door de
betoningslijn, naar het Westen door de Getelijn, een lijnenstreng die vanaf
Donk de loop van de Grote Gete tot Zoutleeuw en dan de Kleine Gete volgt en de westgrens
van de provincie Limburg. De Getelijn volgt dus de oude politieke grens
tussen Luik (+Loon) en Brabant.
Volgens de recente opvattingen(7) vormt het Hagelands en Brabants-Haspengouws-gebied tussen de
mich- of Uerdingerlijn en de Getelijn een overgangszone tussen het Brabants
en het Limburgs.
De Getelijn nu bereikt ten Noorden van Donk over Linkhout, Meldert en Paal weer de Uerdinger- (of Mich-) bundel. Ook de betoningslijn
bereikt over Rummen, Paal en Beringen weer de zone van de mich-bundel, zodat we besluiten
kunnen dat én mich-lijn en Getelijn en betoningslijn de resultante zijn van
de eveneens bij de Genker lijnenbundel gekonstateerde waaiervormige
uitrafeling in een dichter bevolkt en door meer verkeersverbindingen
doorsneden gebied als oostelijk Vl.-Brabant en Haspengouw. En zoals in
Oost-Haspengouw voor heel het overgangsgebied tussen de Lauwer- en de
Vroenhoverstrengen kan gesproken worden van een overgangszone die tot de
Genker-barrière behoort, zo kunnen we hier in het Westen spreken van een
overgangszone die tot de | | | | Getebarrière behoort. Deze barrière
die in de Kempen identiek is met de Uerdingerlijn en -bundel, valt ten Z.
van Paal uiteen in drie strengen, een westelijke (de Uerdinger of
mich-lijn), die ongeveer de kam tussen het Velpe-Gete-bekken en het
Dijle-Demergebied volgt en beide bekkens scheidt, de eigenlijke Getebundel
die de Gete en de Limb. provinciegrens volgt en de betoningslijn die
ongeveer de kam volgt tussen de bekkens van de Gete en de Herk. De
uitgerafelde overgangszone van de Getebarrière omvat dus heel het bekken van
de Gete en kan geredelijk Getelands geheten worden. We kunnen ons
voorstellen dat heel dit gebied in de oudste periode een grotere taalkundige
eenheid gekend heeft, maar jongere Brabantse invloeden hebben gewis heel wat
westelijke verschijnselen tot aan de oostergrens van het hertogdom gestuwd
en anderzijds zullen sommige ‘laattijdige’ oostelijke verschijnselen slechts
de westergrens van het oostelijker georiënteerde Loon-Luik bereikt hebben.
De Getelijn, die de politieke grens Brabant-Luik volgt is dus van relatief
jongere datum (na de 12e eeuw), de mich- en betoningslijnen, die moeilijk op
afdoende wijze met enige belangrijke politieke grens kunnen vereenzelvigd
worden, van de andere kant rivierkammen volgen, zullen vermoedelijk ouder
zijn. Deze beschouwing is eveneens van belang voor het vaststellen van de
ouderdom van het import der Hoogduitse pronominale vormen, dit dus van vóór
het tot stand komen van de politieke grens tussen Brabant en Loon-Luik zal
dateren. Welke verschijnselen onderscheiden nu het in Brabant (te
Halen-Loksbergen) en Luik (omgeving van Landen) gesproken Westgetelands (op
de kaart: gebied I) van het in Limburg (+ Rummen, Grazen) gesproken
Oostgetelands of St-Truiderlands (gebied II).
We beperken ons tot de meest opvallende:
| 1) | Oostget. Umlaut in de meervoudvorming in korte eenlettergr. gevallen
als bak: bèk, zak: zèk,
pòt: pœt, kòp: kœp,
evenals bv. in boehm: buum (boom). Westget. bakke, zakke, pòtte, bòkke, kòppe, boehme. |
| 2) | Oostget. Umlaut in woorden als maaien, draaien, zaaien: mèèë, drèèë, zèèë. Westget. móóë, dróóë,
zóóë of móóje, dróóje, zóóje (Grazen westelijk). |
| 3) | Oostget. dzjee - Westget. gèè (dzjee echter nog te Halle-Booienhoven, Attenhoven,
Landen, Rumsdorp,
Walshoutem, Wezeren, Walsbets). |
| | | |
| 4) | Oostget. geen oorspronk. palatalisatie van Germ. lange oe voor
dentalen; Westget. wel. Oostget. gescheiden reeksen type haas, kräös (St. Truiden);
hääs, kräös (Rummen); haos (met ontronde ao), kräös (Herk). Westget. samenval: hääjs, krääjs (Zoutleeuw, Halle); häös, kräös (Walshoutem, Halen); haas, kraas (Landen). |
| 5) | Oostget. verkorting en geen diftongering in boek
(buik); Westget. baak, bääjk, bäök (deze laatste
vorm ook te Donk en Herk). |
| 6) | Oostget. é in kind, drinken, zingen, enz. - Westget. ie. |
| 7) | Oostget. sje als suffiks in de verkleinvormen van woorden die op d of t uitgaan. O. hè(è)ntsjë, höntsje - W. hè(è)ngke, höngke
(handje, hondje). |
| 8) | Oostget. ie(h) in hiejmel (hemel) - Westget. ee: éi (Halle en Dormaal
oostelijk). |
| 9) | Oostget.: talrijker gevallen van rekking naar analogie van de verbogen
klinker; zo Oostget. naot, blaot, taom, schéip, sméit
- Westget. nat, blat, tam, schip, smét (smid), (Walshoutem, Walsbets,
Wezeren nog sméit). |
| 10) | Verschillende woordtypes of woordvormen, zo: Oostget. zòg - Westget. zoeg (zeug). O.
mèrk - W. mèt (markt). O.
bóste - W. bèste (barsten).
O. wèèëde, wja(a)ne - W. wóde
(worden), rond Tienen
wédde. O. dattig - W. dèttig (dertig). |
| 11) | Oostget. géit, éik - W. gééët, ééëk of gèèt, èèk. |
Zoals men ziet is het Limburgs karakter van het St-Truiderlands of
Oostgetelands door eeuwenlange inschakeling in het Loons-Luikse politieke en
kerkelijk leven veiliger bewaard en in sterke mate geaksentueerd geworden.
We zouden het dus als een sterk Limburgs georiënteerd
overgangsdialekt tussen Brabants en Westlimburgs, tussen West- en
Oostnederfrankisch kunnen beschouwen, terwijl omgekeerd de
eeuwenlange westelijke Brabantse druk op het Westgetelands overgangsgebied
een meer westelijke, Brabantse stempel heeft gedrukt. Heel het Westlimburgs
heeft trouwens zoals gezien in meerdere of mindere mate aan Brabantse
beïnvloeding blootgestaan en het zoeken van de menselijke geest naar
indelingen of kompartimenteringen mag niet doen vergeten dat er buiten de
scheidende elementen in een taallandschap toch nog altijd heel wat bindende
faktoren bestaan die het ene ‘gebied’ om zo te zeggen aan het andere
vasthaken.
| | | |
De tegenstellingen zijn echter niet weg te goochelen en het beantwoorden van
de vraag naar de invloeden die in wederzijdse kruising aan het Haspengouws
dialektkaartenbeeld zo een gegolfd, gerimpeld uitzicht geven, verklaart ons
nog niet waarom de bizonderste breuken in dat landschap precies daar te
zoeken zijn en niet enkele kilometer meer naar het Oosten of het Westen.
Onderzoeken we dus vluchtig in hoever hydrografische, politieke of kerkelijke
faktoren de richting van de dialektgrenzen en de vorming der kleinere
dialektgroepen bepaald of beïnvloed hebben(8). Dit
komt neer op een beknopte bespreking van de
| |
II. - Historische ondergrond van het Haspengouws taallandschap
| |
A. - De Getestreng
De oorsprong van de Getelijn is zoals we gezien hebben geen
geheim meer: hij wordt bepaald door de vroegere politieke grens tussen
Brabant aan de ene, Loon (en Luik) aan de andere zijde.
| |
B. - De Betoningslijn
De betoningslijn levert meer moeilijkheden op. Wel behoorde
de zuidelijke helft van het St-Truiderlands tot het Ambt Montenaken terwijl
het Lonerlands tot het ambt Loon (Hasselt)
behoorde, maar het Ambt Montenaken grijpt toch nog een eindje over de
betoningslijn heen, want de omgeving van Gelinden
tot Mettekoven en die van Mechelen-Bovelingen tot Opheers
behoorden er toe. In het Noorden hebben we helemaal geen houvast van
politiek-administratieve aard. Het gebied van het Concilie (landdekenaat)
St. Truiden gelijkt er nog het beste op, maar is toch ook weer een beetje te
groot, want - Zepperen buiten beschouwing gelaten -
zouden ook Schulen, Rijkel, Hoepertingen, Mechelen-Bovelingen en Rukkelingen-Loon
er niet moeten bij behoren. Alles bij elkaar is het moeilijk een
rechtvaardiging van de betoningslijn in oude politieke of kerkelijke grenzen
te vinden. Op te merken valt echter dat ze op Zepperen na met de kam tussen
Gete- en Herkbekken overeenkomt. Het geval Zepperen is misschien het gevolg
van het feit dat deze gemeente als bank van St. Servaas | | | |

I = Westgetelands II = Oostgetelands of St.
Truiderlands III = Demerlands IV = Herklands of
Lonerlands: Centraal Haspengouws V = Tongerlands VI =
Bilzerlands: b. Oost a. West VII = Maaslands: a.
Oosthaspeng. - Maasl. overgangsgeb. b. Maaslands (Maastricht in
r. zin) - - - begrenzing der hoofdgroepen = = = begrenzing
van overgangsdorpen of -stroken ═══ provinciegrens ───
gemeentegrens xxxxxxx Nederl.-Franse taalgrens
| | | | van het oostelijke Maastricht
afhankelijk was? Over het overgangsdorpje Boekhout tasten we echter in het
duister. Moeten we in het feit dat de betoningslijn een kam tussen
waterbekkens volgt een aanduiding zien van een zeer hoge ouderdom?
Het Centraal-Haspengouws gebied dat het Demerlands en het Herklands (Lonerlands) bevat, komt grotendeels met het
Loonse ambt Hasselt (ook geheten Ambt van het Land van Loon) overeen.
Het feit dat het ambt Montenaken in het Zuiden over de betoningslijn heen een
hoekje van het Lonerlands dialektgebied in beslag neemt en dat het ambt
Hasselt in de streek van Rummen in het Noorden van de Oostgetelandse
dialektgroep een enklave bezit, is wel hinderlijk voor de verklaring van de
loop der betoningslijn door een Middeleeuwse administratieve grens, maar het
doet niets af aan het opvallende feit dat het Centraal-Haspengouws
grosso-modo met het ambt Hasselt overeenkomt. In het Oosten is de
overeenkomst nog frappanter. Het bij het Herklands behorende alhoewel al
sterk oostwaarts georiënteerde Diepenbeek was een
Luikse enclave waarop Brabant rechten gelden deed.
| |
C. - De Lauwerstreng
Voor de rest dekt zich de grens tussen Herklands en Tongerlands (de zgn.
Lauwerstreng) grotendeels met de westgrens van het ambt Hasselt. De
Lonerlandse overgangsdorpen Vliermaal (en Vliermaalroot) behoorden oorspronkelijk tot de
Tongerlandse parochie Hoeselt, evenals trouwens Beverst, Romershoven, Schalkhoven, Hern en Werm. Het Lonerlandse overgangsdorp Overrepen releveerde gerechtelijk van het oostelijke buitenambt
Bilzen. Het Lonerlands-Tongerlands scheidingsstreng (de Lauwerstreng) is
trouwens niet enkel op de politiek-administratieve grens Loons ambt
Hasselt/Luikse bezittingen Hoeselt-Tongeren gebaseerd. Deze grens wordt
gedoubleerd door de kam tussen de bovenloop van de Oostherk en de Demer.
Tussen beide in loopt parallel met beide beken de Winterbeek van Hern over Schalkhoven en Romershoven tot Beverst,
alle Tongerlandse, maar sterk westelijke neigingen vertonende
overgangsdorpen, met uitzondering van Beverst, dat door het feit dat het tot
het Loonse ambt Bilzen behoort, sterk oostwaarts georiënteerd is en de
overgang naar het Bilzerlands vormt. Neerrepen,
Piringen en Widooie
behoren tot de Luikse vrijheid Tongeren en zijn
Tongerlandse dialekten die de overgang vormen naar het Lonerlands. Dit geldt
in nog meerdere mate voor Piringen en Widooie; alle drie zijn echter in het
Herkbekken gelegen.
| |
| | | |
D. - De boem, bien / boom, been-lijn
Een rechtvaardiging van de grens tussen de beide Centraal-Haspengouwse
vleugels: het Demerlands en het Herk- of Lonerlands(9) is moeilijker. Opvallend is het echter
dat het grootste gedeelte van het Demerlands gevuld wordt door de plaatsen
die tot de oorspronkelijke parochie Hasselt behoorden: Kuringen, Stokrooi, Kermt, Spalbeek en Stevoort. Berbroek hing gerechtelijk
van Stevoort af, maar was een dochterkerk van Donk bij Herk. Schulen is, samen met Wijer,
het meest westelijk georienteerde Demerlands dialekt: territoriaal behoorde
Schulen tot het door Brabant aan Luik betwistte Land van Lummen, kerkelijk
tot het landdekenaat St. Truiden, maar de pastoor werd benoemd door de O.L.
Vr. kerk te Maastricht, die de helft der tienden bezat en er een rijproost
(controleur) op nahield. Wijer (en Schakkebroek)
waren buitenbank van Herk-de-Stad, Wijer vormde
echter samen met het oostelijke overgangsdorp Kozen één heerlijkheid. Voor
het Herklands karakter van de Hasseltse gehuchten Rapertingen, Trekschuren en Melbeek is echter geen afdoende verklaring te vinden,
behalve misschien in de mogelijke geleidelijke landbouw-kolonisatie vanuit
de nabije plaatsen Diepenbeek, Wimmertingen en St-Lambrechts-Herk?
Alleen de lokaalhistorie kan hier licht brengen.
| |
E. - De Bilzerstreng
Het Tongerlands vult zoals we zagen grotendeels de Luikse
enclaves van Hoeselt, Vreren en de vrijheid Tongeren. De Loonse heerlijkheden 's Herenelderen en Mal die
dialektisch tot het Tongerlands bèhoren, hadden kerkelijke bindingen met het
Luikse Berg en Tongeren,
de meer oostelijk liggende Loonse plaatsen als Membruggen, Genoelselderen en Millen zijn alhoewel overgangsdorpen naar het Oosten
toch nog eerder tot het Tongerlands te rekenen, ze behoorden echter niet tot
het buitenambt Bilzen. Meer naar het Noorden toe
valt de grens tussen Tongerlands en Lonerlands samen met de grens tussen de
Luikse enclave Hoeselt en het | | | | ambt
Bilzen. Over de positie van Beverst hadden we 't
reeds boven.
| |
F. - De oech / uuch-lijn
Het gebied van het Bilzerlands komt grotendeels overeen met
dat van het buitenambt Bilzen. De splitsing in een westelijke en een
oostelijke helft houdt waarschijnlijk verband met het feit dat de westelijke
helft met Hoelbeek, Waltwilder en Kleine Spouwen tot het
Concilie Tongeren, de oostelijke plaatsen tot het Concilie Maastricht
behoorden. Deze kerkelijke grens viel trouwens, op Grote-Spouwen na(10), samen met de waterscheidingslijn tussen Maas- en
Scheldebekken en ze was er wellicht ook op gebaseerd.
| |
G. - De Vroenhoverstreng
De streek tussen de Oost- en Westbilzerlands scheidende oech/uuch (iech)-lijn en de Vroenhoverstreng,
bevat naast een meerderheid van tot het buitenambt Bilzen behorende dorpen
ook de Maastrichter ‘St-Servaasdorpen’ Vlijtingen
en Hees en het ‘redemptiedorp’ Mopertingen. De Maaslands-Haspengouwse ‘Oostlimburgse’
grensdorpen Gellik, Veldwezelt en Kesselt waren nog Loons (ambt
Bilzen). Vroenhoven (Montenaken of Vroenh. dorp, Wolder onder
Maastricht en Heukelom)(11) was een afzonderlijke heerlijkheid en Kanne was Luiks. Heel het gebied vormt dus
politiek-administratief een betrekkelijk onsamenhangend en versplinterd
geheel. Indien we echter bedenken dat Vlijtingen-Hees een enclave vormt en
we abstraktie maken van het tussen het Loonse Kesselt en het idem Zussen
inschuivend Vroenhoven, dan omsluit het Loons (Bilzers) gebied de hele
Bilzerlandse dialektstreek plus de overgangsdorpen Gellik, Veldwezelt en
Kesselt. We kunnen ons dan ook voorstellen dat de Vroenhoverstreng een
middenweg zoekt in een taalkundige vibreerzone die besloten ligt tussen de
Maas-Scheldekam (+ conciliegrens Tongeren-Maastricht) en de oostergrens van
het graafschap Loon. Mogelijk lag de hoofdlijn oorspronkelijk bij de
waterscheiding en is ze in later eeuwen oostwaarts in de richting van de
politieke grens verschoven. Dat deze op de overgangsdorpen na niet bereikt
werd is vermoedelijk het gevolg van het tegengewicht dat door het nabije
kultureel sterke Maastricht gevormd werd.
| |
| | | |
Besluit
Tot besluit kunnen we dus zeggen dat de grenslijnen en dialektgroepen in
Haspengouw voor een zeer groot deel op middeleeuwse politieke, administratieve
of kerkelijke indelingen gebaseerd zijn: het tegenwoordig uitzicht van onze
dialekten zal grotendeels zijn beslag gekregen hebben in de latere middeleeuwen
tussen 1100 en 1600. Het feit dat er ook belangrijke grenzen met
waterscheidingskammen samenvallen, wijst echter naar een vroegere periode.
Talrijk zijn de verschijnselen die tot de Oud-Nederlandse periode van vóór 1100
opklimmen niet. Ze zijn er echter des te belangrijker om en verdienen de
speciale aandacht van de taalkundigen om de kultuurhistorische en ethnografische
aanduidingen over deze duistere periode van onze geschiedenis die ze kunnen
bevatten.
Lic. A. STEVENS
|
(x)Daar
zijn echter ook andere redenen aan te wijzen. Het overlijden van zijn lieve
echtgenote in 1962 is voor hem een zeer zware slag geweest. Lange jaren
heeft hij een overvol lesrooster gehad.
(1)Zie A. STEVENS, De
Evolutie van de Haspengouwse Streektalen, in LIMBURGS HASPENGOUW
(Hasselt 1951) blz. 223-264. Ook voor de verklaring van de gebruikte
spelling der dialektwoorden verwijzen we naar blz. 264 dezer studie.
(2)De nog Westelijker verlopende Panninger zijlinie en de boem-bien/boom,
been-lijn uitgezonderd.
(3)Zie LIMBURGS HASPENGOUW.
blz. 232-234.
(4)Hasselt realiseert gewoonlijk slechts een sleeptonige
‘korte’ klank in die gevallen.
(5)Buiten het St.
Truiderlands nog kélder te Schulen en kólder te Zepperen en Rijkel.
(6)W. DOLS, Iets over Limburgse Dialekten. in Public.
Soc. hist. et arch. du Limb. (Maastricht 1942-'46, Tomes 78-82) blz.
146.
(7)J. PAUWELS, De Taal
in het Hageland (Steden en Landsch. VIII: De Demervallei pg. 31-40) en
C.P.F. LECOUTERE. Inleiding tot de Taalkunde en tot de Geschiedenis van
het Nederlands, bewerkt door L. GROOTAERS (Leuven. 1948). blz.
318-319.
(8)Voor de
begronding van de historische gegevens zal het volstaan naar volgende
werken te verwijzen: G.I. de CORSWAREM, Mémoire historique sur les
anciennes limites de la province de Limbourg, Brussel 1857 (met
kaart); J. PAQUAY, Les Paroisses de l'Ancien Concile de Tongres,
Liège, 1909 (met kaart) en id. De Parochiënwording in Limburg, Tongeren
1921. J. LYNA, De Territoriale Gerechtshoven van het Graafschap
Loon (Verz. Opst. Hasselt XVI. 1941) blz. 55-72 (met kaart).
(9)Deze grens wordt door wat we zouden kunnen heten de
‘boehm, bie(h)n/boom, beenlijn’ gevormd vanaf de plaats waar deze tussen
Wijer en Kozen de betoningslijn (die ze op Boekhout en Ordingen na
gedoubleerd heeft) verlaat om tussen Hasselt en Diepenbeek-Genk de
Genkerbundel te bereiken. De ‘boom-been’-lijn is de enige belangrijke
lijn die de meest Westelijke streng van de Getebarrière, nl. de
betoningslijn met de Genkerbarrière verbindt. Van Diepenbeek af valt ze
samen met de grens tussen Brabants-Nederlandse en Hoogduitse splitsing
in de ontwikkeling van Germ. au en ai (ten W. van Genk, Meeuwen,
Grote-Brogel en Bocholt).
(10)De oudste kerkelijke
indelingen zijn dikwijls op waterscheidingen gebaseerd. De oorzaak van
kleine afwijkingen als in 't geval Gr. Spouwen zijn soms moeilijk te
achterhalen. Eigenbilzen en Mopertingen liggen trouwens eveneens op de kam en niet ten O. van de
waterscheiding.
(11)Het Vroenhovens gehucht
Heukelom behoort tot de parochie Riemst en is dialektisch afgetekend
Oosthaspengouws.
|
|