|
|
|
| |
| | | |
Van Miegelrak tot Miezerik
of: Intervokalische g voor een mouilleringsfaktor in een Limburgs toponiem
In
Album Blancquaert
(Tongeren, 1958, pp. 277-300) verscheen destijds een bijdrage van de
hand van Willem Pée en
Louis De Man over ‘
Mikken en zijn ekwivalenten in de Nederlandse dialekten
bezuiden de Moerdijk
’.
Eén van de behandelde ekwivalenten is ‘Ogen’, dat in Belgisch- en Hollands-Limburg veel verspreid is:
de dialektische vormen hebben er een vokalisme dat Wgm. au met
umlautsfaktor en eventueel ontronding reflekteert, konsonantisch is overal een
-g gebruikelijk. In het Hageland en Brabants-Haspengouw
echter komt ‘Ogen’ binnen de driehoek
Bekkevoort-Sluizen
(Br.)-Neerwinden onder de vorm *Euzen (dial. y.əzə met g > z voor. Betreffende dit Euzen (= ogen) schreef
G. Winnen
destijds aan de stellers van de bijdrage over Mikken en
zijn ekwivalenten dat de evolutie eugen
y.əgə > euzen
y.əzə onder Romaanse invloed gebeurde en
vergeleken kon worden met die van *baki >
(Geet)bets en *buoklô > Butsel.
De interpretatie van deze g > z en
k > ts-evoluties laten we
hier buiten beschouwing: men vindt de zienswijzen van
J. Lindemans
en Ed. Dewolfs in vn. 3,
p. 291 van het aangehaalde artikel van W. Pée en
L. De Man, waar G. Winnen de
opvattingen van eerstgenoemden betr. eventuele Romaanse invloeden aanhaalt. Daar
voldoende gegevens over de ouderdom van deze klankevoluties in de betrokken
voorbeelden ontbreken kan hun zienswijze niet volledig overtuigen, te meer daar
voor de verklaring van *euzen de mogelijkheid openblijft dat
we hier met een door middel van een -s-suffix afgeleid
werkwoord zouden te doen hebben (vgl. A. Van Loey, Schönfelds Hist. Gramm. (Zutfen 19708), § 193, pp. 239-240.
Het heeft dus m.i. zijn belang de aandacht te vestigen op een geval met g > z-ontwikkeling waarin s-suffigering uitgesloten is. Dit is het geval met een uit een
waternaam ontstane nederzettingsnaam van de gemeente Diepenbeek, ten O. van de Belgisch-Limburgse hoofdplaats Hasselt, nl. de naam van het gehucht
Miezerik
, waar voor het ogenblik het Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.)
gevestigd is.
| | | |
Miezerik ligt op 5 km van de Diepenbeekse dorpskom in de
uiterste noordwesthoek van de gemeente tegen de gemeentegrens met Hasselt bij de
Miezerikbeek. Deze beek, waaraan het gehucht zijn naam
ontleend heeft loopt evenwijdig met en noordelijk van de Stiemer en zorgt zoals deze laatste voor de afwatering van de reeks
vijvers uit het Genkse natuurreservaat ‘De
Maten’. De Miezerik(beek) vloeit op korte afstand van en parallel
met de noordwestelijke gemeentegrens met Genk en
Hasselt langs de vijvers ‘Het Lang Water’
en mondt bij de Universiteitslaan in de Demer uit.
Het landschap werd in deze omgeving in de laatste halve eeuw helemaal gewijzigd
door het graven van het Albertkanaal en de aanleg van de Universiteitslaan en
Boudewijnlaan, een verbindingsweg tussen de Hasseltse Gouverneur
Verwilghensingel en de Diepenbeekse Nieuwstraat ter
hoogte van de grens met Genk. Zowel het kanaal als de Boudewijnlaan doorkruisen
de Miezerikbeek, waarvan de loop op enkele plaatsen is moeten verlegd of
aangepast worden. In de noordoostelijke hoek der gemeente wordt de Miezerikbeek
tussen het Lang Water en de grens met Genk nu door een weg doorkruist die Havenlaan heet. Ten o. van deze Havenlaan blijft er niet meer
veel over dan een sloot die eens op Genker grondgebied door een weg geflankeerd
wordt. Deze weg, de Mierlik, doorkruist meer oostelijk een
andere weg, de Peerdsdiefwijer (oorspr. een waternaam), wat
verder bereikt hij een straat die de Huiskenwijer heet naar de
gelijknamige vijver die tot het natuurreservaat van De Maten
behoort, dat zich op Genks gebied tussen de Mierlik en de Stiemer uitstrekt.
Het is opvallend dat de Genker straatnaam de Mierlik een weg
benoemt die in het verlengde ligt van de Diepenbeekse Miezerik. Hij dankt zijn ontstaan aan de vroegere bovenloop van de
Miezerik(beek): op deze Genker benaming komen we verder terug.
Te Diepenbeek komt de naam Miezerik voor als nederzettingsnaam
voor het betrokken gehucht, verder als waternaam in Miezerikbeek en Miezerikbeekje; dit laatste is de naam
voor een rechtgetrokken meander niet ver van de monding in de Demer bij de grens
van Hasselt. Eindelijk zijn er nog het Miezerikbroek bij de
Boudewijnlaan en het Albertkanaal en de Miezerikstraat tussen
Miezerik en de Stiemer1. De schrijfwijze van het toponiem in
de bronnen van de 19de en 20ste eeuwen beantwoordt aan de orthografische
verwachtingen: In het Mizerik2, Miserickstraet en Mizerikstraat, Miserik Broek, Mizerikbeek n. Miserickbeek (één keer Meiserikbeek3: haast
zeker een schrijffout!). Opvallend zijn volgende afwijkende vormen, waarbij
eerder voor een verschrijving moet worden | | | | geopteerd dan voor
beïnvloeding door de Genker vorm Mierlik: Het Misinck (Kad. Pl.4), In het Merix (Atl. Buurtw.5), Het Mirix n. In het Wirix en Wiriksbroek6 en eindelijk Miriskbeek n. Miserikbeek (Kad., sectie A., z.g. Roye)7.
De jongste vorm met g stamt uit de periode 1815-1830, nl. Het Migerik, gelegen onder Hasselt aan de grens van Diepenbeek
‘op de weg van Godschey naar Genck’8.
Tegen het einde van de 18de eeuw, in 1783 treffen we tweemaal
‘het migerick’9 aan en bijna een eeuw
vroeger, in 1689 komt in een dokument betreffende een
grensbeschrijving van de gemeente Diepenbeek, vertrekkende van een plaats niet
ver van de sluis op de Demer bij Godscheide (Hasselt)
de vorm migelrick10 een paar keer voor, waaruit blijkt dat de
aangeduide plaats niet ver van ‘die maeten’ gelegen was.
In 1661 lezen we in een kopie van een oudere grensbeschrijving:
ende tuschen die Maete ende Mygelraeck...11.
Uit de 16de eeuw dateert een oorkonde der schepenbank met een beschrijving van de
grenzen der vrije heerlijkheid Diepenbeek, waarin we lezen ‘... al
denen gracht op buyten die steyncuyle, tot Myegelrake to. Ende
van Myegelrake al denen gracht op totter maten to, ende
tusschen die mate ende Myegelrake, ende al denen maetgracht op
totten peerts eute, ende van denen perts eeute, op die Rosvoirt recht over
...12.
In een grensbeschrijving met getuigen uit Genk en Diepenbeek uit 1599 staat dat men de grenzen begon te visiteren ‘aen die
Miegelreyck eyck onder den ondersten weijer deyck
‘en verder: ‘dat die Meegelreyck eyck daer
ter plaetsen heeft gestaen’. Het betwiste punt, schreef wijlen
A. Remans
, de Genker lokaalhistoricus in zijn bijdrage ‘Genk tegen Diepenbeek’, aan wie we deze uittreksels uit het
Genker Gichtregister 1595-1698, fol. 100 vlg., overnemen,
het betwiste punt is dus wel de Eik bij Miegelrak, gelegen tussen de Maten en de Teisserik, of nauwkeuriger ... bij de Lang-Waters,
die nu onder Diepenbeek, vroeger bij Genk behoorden13.
Uit en door dezelfde auteur gepubliceerde tekst uit 1452,
eveneens een grensbeschrijving, lichten we: ‘... voort op geenen
rosvaert, voert op geenen mygeldyck (of eyck) van dan op geen beerenbroeck ...14.
In verschillende 16de, 17de en 18de eeuwse kopieën van een
grensbeschrijving, extract uit een leenregister van de Heer van Diepenbeek de
anno 1427 komen de vormen mijgelraeck en mijgeraeck voor15.
De oudste vermelding dateert uit 1268: in dit jaar verkoopt Jacobus, de heer van
Diepenbeek een bos, geheten mighelrake aen de abdij van | | | | Villers (la Ville) (‘nemus meum Mighelrake communiter nominatum situm in parochia de Dippebeke16).
Uit deze oudste vermelding blijkt dat met Mighelrake een nemus, een (evt. door weideland onderbroken) bos werd aangeduid. De vorige bewijsplaatsen maken duidelijk dat de
ligging gesitueerd moet worden tussen het gehucht Miezerik, het
Lang Water en de grens met Genk tussen Berenbroek en de Maten in de uiterste noordelijke
uithoek van Diepenbeek. Hieruit kan geconcludeerd
worden dat het toponiem oorspronkelijk een waterloop aanduidde. Deze zorgde
zoals de iets zuidelijker vlietende Stiemer voor de
waterafvoer uit de noordoostelijke gebieden tegen de Genker heuvelen. Langs en
door vennen, vijvers en bossen bereikte hij de Demervallei. Later ontstond bij
zijn oevers een kleine nederzetting die haar naam van de waterloop overnam: Miezerik. Voor de beek zelf werd dan achteraf Miezerikbeek gebruikt.
Het feit dat de weg in het verlengde van de beek op Genker grondgebied de Mierlik heet is eveneens betekenisvol. Betreffende De Mierlik schreef A. Remans17: ‘De Mierlik tussen
Berenbroek en de Maten nabij de grens van Diepenbeek: daar lag van ouds een
plaats geschreven Migelrack, woord dat vervormd werd tot Mierlik. Betekenis ontsnapt’. En
L. Wissels
18 schrijft:
‘Een achttal vijvernamen werden als straatnamen opgenomen. De Mierlik of Maten19 zou volgens
de kadasterplannen uit 1831 een moeras geweest zijn.
Vanmaele
20 vond in
de gichtregisters o.a. de volgende schrijfwijzen: myeghelrack
in 1502, Myegelrack in 1525. Wat verder21 lezen we betreffende de Huiskenswijer:
‘De Huiskenweier werd in 1481 ook aldus geschreven
en in 1500 was dit ook ‘huyskenswijer bij dat Myeghebroeck’. Deze laatste vermelding is in
zoverre interessant dat ze aangeeft hoever oostelijk het
‘Miegelrak’ zich uitstrekte.
We besluiten dus dat Miezerik en Mierlik
beide op een ouder Miegelrak moeten worden teruggevoerd en dat
ze naar een waterloop verwijzen die zowel de tegenwoordige Mierlik (Genk) als Miezerik
(Diepenbeek) aandeed. Miegelrak was de naam van die waterloop.
Miezerik kan beschouwd worden als het Diepenbeekse
resultaat van de klankontwikkeling, Mierlik als het Genkse.
Hoe zijn beide vormen tot hun prototype Miegelrak terug te voeren en wat betekent
Miegelrak?
Het element rak vormt geen probleem: het betreft hier germ. raku n. ‘recht gedeelte van een vaarwater’22, dat in vele plaatsnamen voorkomt als Damrak (Amsterdam) en Bokrijk (Genk; eig. een pseudo-geleerde
interpretatie van Boekrak: Beukenrak). Rak komt trouwens in
het | | | | Nederlands nog als soortnaam voor23. De
Limburgse vorm had, in de tijd voor de verdoffing tot rək vermoedelijk een gerekte a naar analogie van de
verbogen vormen (*raak, wat nu in de dialekten van Diepenbeek en Genk als *raok
rɔ:k zou zijn gerealiseerd, vgl. dak
> *daak > daok dɔ:k).
De betekenis van rak(e) in Miegelrak(e) zal dus vermoedelijk ‘recht
vaarwater of, zoals in het Ags. racu f. ‘rivierbed,
loop’ zijn geweest24.
Het eerste element is niet zo eenvoudig te identificeren: mies(ch), geïnterpreteerd als verwant met
mos, moos (modder, moeras) schijnt enkel in Opperduitse dialekten voor te komen
en legt de g in Miegelrak niet uit;
aanknopen bij Kiliaan25 mieghe, j. mijghe,
Urina en Mnd. migen ‘urineren’26 houdt geen
rekening met de l.
We durven dan ook voor germ. mikil(az)
‘groot’ (ohd. mihhil, ags. micel, osaks. mikil27)
opteren: normaal zou germ. mikil- zich in het Nederl. tot mekel en in het Limburgs van Diepenbeek en Genk tot mickel
mi:kəl hebben ontwikkeld, met een ie-klank die in
het Westlimburgs en het zuidelijke Maaslands het gevolg is van het feit dat er
na de oorspronkelijke i + Rekkingsfactor nog een i in de volgende
syllabe voorkwam (vgl. analoge gevallen als hiemel = hemel,
iegel = egel, kriekel = krekel).
Dat we in Miegelrak een g hebben i.pl.v. de
te verwachten k (miekel) moet het gevolg zijn van een k > g-lenisering die in het
zuidelijk deel van het Nederlandse taalgebied vrij veel voorkomt voor de uitgang
-el.
Jan Goossens, die dit verschijnsel
uitvoerig behandelt28, en als vb. van k > g en eventueel k > g
> ch voor -el o.a. sikkel,
heukel, *stekelen (twisten), sukkel(en), bikkel, rakelen en trikkel (verbinding zwengel met ploeg, afl. v. trekken)
aanhaalt, besluit: ‘Es liegt hier eine autochtone Entwicklung vor, von
der ein inlautendes k vor -el bald hier,
bald dort in den südniederländischen Mundarten erfasst
wurden’29. De oudste
vermelding van Miegelrak dateert uit de 13de eeuw (1268): de k >
g-evolutie was toen reeds een feit.
Rest ons de lokale ontwikkeling te Diepenbeek (Miezerik) en te
Genk (Mierlik) van dichterbij te bekijken. De l vóór r komt te Diepenbeek sedert 1783 niet meer in
geschreven teksten voor, opvallend is echter mygeraeck n. mygelraeck in 1427! De
z als resultaat van g > z-evolutie duikt enkel in de 19de eeuw op, maar het is
voorbarig te besluiten dat de ontwikkeling recent is, want lokale uitspraak en
schriftelijke traditie kunnen lange tijd naast elkaar hebben bestaan. Voor
Diepenbeek staan we dus voor een evolutie: miegelra(a)k > miegelrik
> miegerik > miezerik.
We kunnen ons de ontwikkeling van miegerik tot miezerik moeilijk | | | |
voorstellen zonder sterk palatale of zelfs gemouilleerde uitspraak van de g; dat de volgende
tongpunt -r een rol heeft gespeeld is niet onmogelijk. Een
ontwikkeling miegerik > miegjerik
> miezjerik > miezerik, geeft dus het best de klankontwikkeling van dit toponiem weer.
In de Genkse realisatie Mierlik heeft er klaarblijkelijk een
metathesis lr > rl plaats gehad.
Te vergelijken is het in een deel van Haspengouw voorkomende ùlger uit ùrgel (orgel),
waarbij door jongeren ùrgel wordt hersteld, omdat
het zgz. ‘beschaafder’ klinkt. Het Genkse Mierlik vertoont klaarblijkelijk een dergelijke ‘hypercorrecte’ metathesis. Na
reconstructie van het oudere Mielrik blijkt dat te Genk de g werd uitgestoten. Dit is een meer voorkomend verschijnsel,
waarvoor we als best te vergelijken regionale parallel het woord piegel kunnen aanhalen, dat bv. te Tongeren tot piel
pi:l is geworden, terwijl een deel van de Oosthaspengouwse
omgeving de g nog bewaart30.
Besluiten we met de constataties dat 1o de dialektologie
nuttig kan zijn bij de verklaring van toponiemen met duistere etymologie, 2o de evolutie Miegelrak > Miezerik een steuntje geeft aan de interpretatie van euzen uit eugen (ogen) ten gevolge van een
g > z-evolutie, wat de
waarschijnlijkheid van een s-suffigering (eug-sen >
eusen > euzen) als verklaring van de z voor g behoorlijk reduceert.
A. Stevens.
|
1Paul Pipers,
Diepenbeek (Hasselt, 1978 2) p. 66
haalt ook een Mizerikkerpad aan, vermoedelijk een
verschrijving voor Mizerikskerkpad, een voetpad van
Ginderover (een Diepenbeeks gehucht bij het L.U.C.) naar Miezerik. Dit
kerkpad wordt vermeld door Jan Paquay in Diepenbeek voorheen (Verzamelde Opstellen VII, Jg. 1931 (Hasselt)
p. 74. Ook in Jos Pieters: De Toponymie van
Zuid-Limburg, inzonderheid van de gemeenten tussen Demer en Herk
(Diss. Leuven 1947) komt sub n o 434 Mizerikkerkpad, sub n o 435 Mizeriks Kerkweg voor.
2Jos Pieters, ibid., sub n o 431.
3Jos Pieters,
ibid., sub. n o 777.
4Jos Pieters, ibid., sub. n o
779.
5Jos Pieters, ibid., sub.
n o 431.
6Jan Paquay, o.c., p.
76.
7Waar Paul
Pipers de vorm Mirin vandaan haalde is niet duidelijk en
de overleden auteur zal het ons niet meer vertellen; hij schrijft nl. o.c., p. 10: de beek de Mirin of de Mizerikbeek, en p. 76: Vroeger heette ze ‘ Mirin’ of ‘ Mirikbeek’.
8Topografische Dienst te Delft: Prov. Limburg, Plan
der gemeenten Curingen, Diepenbeek, Hasselt, Herck St. Lambert, Wimmertingen
en Zonhoven, Kanton Hasselt, schaal van 1 tot 25.000 ellen, opgemaakt door
J.-J. Bonhiver fungerende ingenieur-verificateur van
het Kadaster.
9Rijksarch. Hasselt: kaart n o 118
op perkament; verkoop van heide 18de eeuw: derde caerte figuratif van een
gedeelte der nieuwe heyde boven Gotschey, ..., door P. van
Paesschen, gesworen landmeter.
10Rijksarch. Hasselt, Gemeentearch. Diepenbeek nr 3, a o 1689.
11Rijksarch. Hasselt, Balie Biessen,
Gemeyndeboeck Diepenbeeck, f o 2 v o.
12Rijksarch. Hasselt, Oorkonde
der Schepenbank 16de eeuw, aangehaald door Jan Paquay,
o.c., p. 48 en Paul Pipers, o.c., p. 52.
13Zie
Heidebloemke (het Genker Heemkundig tijdschrift), 19de
jg (1959-1960), p. 109-110 en Erik Vanmaele: Toponymie van Genk tot 1600 (Lic. Verh. Leuven, sept. 1960). De
vermeldingen met - broek als tweede lid berusten
vermoedelijk op een verkeerde lezing of op het feit dat er bij het Miegelrak
ook een pln. Miegelbroek voorkwam. De Genker pln. de Mezerik, gelegen bij de Molenvijver en de Dorpsbeek ten o.
van het centrum moet omwille van de ligging en de oude vormen buiten
beschouwing gelaten worden (Cf. Vanmaele, o.c., nr 456, oudste vorm 1458 mysdick).
14Heidebloemke, ibid., p. 107.
15Rijksarch.
Hasselt, Balie Biessen, Gemeyndeboeck Diepenbeeck.
16Jan Paquay, o.c., p. 65,
die het Polypticum der abdij Villers vermeldt, verschenen in Analectes
XXXIII (1907), pp. 349-352.
17In Heidebloemke, 20ste Jg. (1960-1961), p.
144 s.v. 87.
18L. Wissels, Verklaring van de Genker straatnamen ( Heidebloemke, 40ste Jg., Genk 1981), p. 32.
19De topografische gelijkstelling Mierlik = Maten laten we voor rekening van de schrijver.
20Erik Vanmaele: o.c., nr. 458 s.v. het Miegelrik.
21L. Wissels, o.c., p.
33.
22M. Gysseling, Toponymisch
Woordenboek (Tongeren, 1960), I 517 s.v. Houtrak.
23C. Kruiskamp, Van Dale - Groot Wdb. der Nl.
Taal ('s-Gravenhage 1976 10). p. 1980 s.v. I rak, 2-gedeelte van een vaarwater (vaart, rivier,
zeestraat), vooral recht stuk van een rivier tussen twee bochten.
24J.
Pokorny, Indogerm. Etym. Wtb.
(Bern-München 195), I, 854 s.v. rêg-.
25Kiliaan, Etymologicum (Antwerpen 1599, uitg. Handzame 1974), p. 315.
26A. Rübben, Mittelniederd. Handwtb. (Darmstadt 1979), p.
229.
27J. Pokorny, o.c., I, 708
s.v. meĝ( h)-.
28J. Goossens,
Pseudo-Lautverschiebung im niederländischen Sprachraum (in: Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche
Sprachforschung 91 [Neumünster 1968]), pp.
19-30.
29Ibid., p. 21
(Paginering van de ‘Sonderdruck’).
30Bet. ijzeren
of stalen paaltje of pin (om beesten te tuieren, aan een tol, enz.), het
houten paaltje heet meestal pag, wsch. verwant met nl. peg
(spie). Op de etymologie gaan we hier niet verder in.
|
|