[p. 142]
REFFEREIJN LXXIV Wat vintmen menighen leepen hase +
- Men vint veel beesten / en wilde dieren
- leep van manieren
- Als hasen vossen simmen en berren
- Die syn leep en loos / in al hen bestieren
- 5
- gulsich als ghieren
-
+ diet al
verslinden ende verteeren
- Den vos wilt hem mit hoendere gheneren
- als hyse verlacken can of betrapen
- Gheen spel en mach beeren noch simmen
deeren
- 10
- en swolfs comentscaep leyt omtrent die
scapen
- Tleep haesken can opender oghen slapen
- soe leep eest / slapet / ke het doet een blase
- Tes leep van muyle int lapen int gapen
- Wat vintmen menighen leepen hase
-
- 15
- Vintmen leepe hasen / oft scalcke beesten
- omtrent foreesten
- men vint oock wel menschen die tvelt
verlacken
- Want god betert de minste mitten meesten
- syn leepe geesten
- 20
- die als hoonaerts / na loosman snacken
- Lopende altyt om packen en sacken
- snel als hasen / of voghels vlieghende
- Ja sulc leepaert es wel soe onghebacken
- dat hy is vader en moeder bedrieghende
- 25
- Ende tkint ontgoyende jonck noch
wiegende
- mit loosen vondekens mit leepen prase
- O god hoe es tvolc in bedroghe lieghende
- wat vintmen menighe lepen hase
-
- Leepe hase of mensche voos
29
- 30
-
+ quaet scalc ende loos
|
+ De titel rood onderstreept
29 na mensche is loos
doorgehaald.
|