REFFEREIJN LXXVI Wat vintmen menighen leepen hase
- EEn beschauen ioncker licht en beroijt
- ha lestent enen nyeuwen huwelick ghedaen
- Syn scyuen die waren hem seer ontscoijt
3
- nochtans quam hy op die ou cleermerct gegaen
|
3 Het diacritisch teeken van de u
in scyuen gerubriceerd.
|
[p. 146]
-
- 5
- Syn perdt dat liet hij in die herberghe staen
- en syn knape quam statelyc mitter gaijen
- Een sayen faelie / cocht hy haer saen
- en een worstenen coersken / niet om
verfraijen
-
+ Sy
proefdet / het / paste / sy gincker met drayen
- 10
- die knape peysde te leuene mit solase
- Op syns meesters perdt ginck hi die ioffrou
layen
- en hy reeter nu wech licht als een blase
- Wat vintmen menighen leepen hase
-
- Deen leepaert heeft den anderen in
trueren brocht
- 15
- die knaep heeft syn meester syn boil
ontscaeckt
- Eer die cleeren betaelt waren by hem gecocht
- heeft hem dander mitter vrouwen wech
gemaect
- Myn ioncker sou tgelt gheuen onghelaect
- mer syn budel was lichter dan een caf
- 20
- Een scoon gouwen ketten / gent wel
gheraect
- soot scheen hy den coopman te pande gaf
- Neen trouwen sey hi soe en scheij icker niet af
- sy en is niet oprecht / dunct v dat ick rase
- Myn ioncker stuende op enen bruesschen
staf
- 25
- hy waenden verdult hebben
ghelyck den dwase
- Wat vintmen menighe lepen hase
-
- Dees coopman heeft den ioncker doen rasteren
- och seyd hy waer sal ic nu troost gheuinden
- Gheen listen en cost hy meer gheordineren
- 30
- want hy was daer buten kennisse
van vrienden
- Jn die stadt en waren sy niet die hem
kinden
- ey lacen dies moest scabbeken goet pant syn
-
+ Syn
tabbaert bleef daer / syn loos onderwinden
- bedrooch hem / dies mocht hy wel inden brant
syn
- 35
- Hy liep half naect thuyswert / hi sceen een
truwant syn
- syn wyfken sprack hoe coemdi dus licht
van ase
36
- Och dochter die boiuen die by dijnant syn
- hebben my berooft sey hi omtrent die mase
- Wat vintmen menighen lepen hase
|
36 tusschen de y en de f
van wyfken is, boven den regel, het eerste gedeelte van een l
zichtbaar. 36 de korte s van dus verb. uit eene
lange.
|
[p. 147]
-
- Prinche
-
- 40
- Sy sprack eest dat ghy wilt ghelouen
- in biechten dat ghi v boilken sult laten
- Ick sal v doen cleden van onder tot bouen
- dus gaewy te kerckenwert tes tuwer baten
- Hy ghinc / tvrouken was blyde wter maten
- 45
- want byden heere viel hy op bey syn
knijen
45
- Hy sprack heere gae wy ons te brassen saten
- want die timmerluyden doen my qualick sien
47
- Myn heere leyde hem die hant opt hooft met dien
- en sprac hoe heet sy / twaer tyt dat thoot genase
- 50
- Dus drincket int pas / tvrouken sacht al
geschien
50
- sy dachte tes nu goet / mer twas al vieseuase
- Wat vintmen menighen leepen hase
|
45 na op is een h
doorgehaald.
47 de a van qualick boven
het woord bijgeschreven.
50 de v van tvrouken verb.
uit w
|
|
|