REFEREYN LXXXII Die sijn beste doet / wat wiltmen hem wyten
- EEn aerdich vrouken / van drie ses iaren
- een dubbel vellikijn / van venus karen
- quam laestent / daer sy een scipper vant
3
- Vrindeken sprac sy / mach ic me varen
- 5
- ja hebdi geldekyn / sonder beswaren
- sprac tscipperkyn / ic steeck rasch af vander
hant
- Geldekyn seyd sy / waij vrient neen ick want
|
3 na een is sj
geschrapt.
|
[p. 158]
-
- ic hebbe duerwandert / menich stout foreest
- Mer sceeps / en van stueren / heb ic goit
verstant
- 10
- ic hebbe / zeer dicwil / ter zee gheweest
- Sout ghy dan wel stueren sprac hi oft waer
tempeest
- ke syt onbeureest seyd sy / sorcht niet twe mijten
- Die syn best doit wat wiltmen hem wyten
-
- Coompt rasch sprac tscipperken / helpt mij de mast
richten
- 15
- maectet seyl claer / wilt danckers lichten
- het wayt een goet vaerweder / die wint is suijdt
- Al re sprack tvrouken / vruecht salder bi
stichten
- siet daer wel toe / ic salt hier wel slichten
- ouerstuer rasch sprac hij / die vloot gaet wt
- 20
- Mer die wint / es hem corts geuallen seer
ruydt
-
+ dies
tscipperken ghinck geheel wanhoopen
- Ke siet doch sprack tvrouken / wel simpel druijt
- steect tscip inden wint / en laet den spriet
lopen
- Die moet was my / sprac hy / bijnae heel ontslopen
24
- 25
- ic werck int knopen / dat myn handen rijten
- Die syn beste doet / wat wiltmen hem wyten
-
- Her vrouken sprac hy / langt my dat loot
- ic sorghe voort sant / voor der platen stoot
- sy gaft hem / hij taste / na die diepte snel
29
- 30
- Volletop ha riep hy / ten is gheen noot
- noyt scoonder diepte / gheen scip soe groot
- het soude hier passeren / dat vuel ick wel
- Rasch haestu seyt tvrouken / twater wert stel
33
- de stroom coemt in / de wint is heel ghelegen
- 35
- Langt bomen / en riemen / roijt / steect /
sterc en fel
- die voorstroom moet duer aerbeyt syn gecregen
- Al re maet / hout daer siet / ic steller mij teghen
37
- stout onuersweghen / dat my die leeden splyten
- Die syn beste doit / wat wiltmen hem wyten
|
24 de ij van bijnae verb.
uit e
29 na sy is het staafje van
een p doorgehaald.
33 de vr van tvrouken verb.
uit w
37 de r van daer boven den
regel bijgeschreven.
|
[p. 159]
-
- Prinche
-
- 40
- Dit scipperken veretack daer tusschen twe
staken
- wat dat hy royde / syn riemen braken
- die mast es daer oock bij nae doerspleten
- Och vrouken sprac hy / hoe sal ict maken
43
- hoe mocht ic mit eren aent lant gheraken
- 45
- ic meende ghy sout v bat hebben ghequeten
- Want tsceeps hadt ghi v seer vermeeten
- dmijn heb ick lacen meest in ghescooten
- Tes v scult sprac tvrouken / ghi sellet noch
weten
- om dat ghi wilt varen sonder pylooten
- 50
- In onbekent watere wilt ghi ooc vlooten
- dies onuerdroten v roir most splyten
- En al dedick myn beste ghy willet my wijten
|
43 de ou van vrouken verb.
uit e en het eerste gedeelte van een tweede e
|
|
|