REFFEREIJN XCI Ouerdenckt nu uwen verlorenen tijt
- Staet op die slaept inder sonden beuanck
- v trage natuere dwingt tegen haren danc
- siet achterwerts dat ghi syt broosch en cranck
-
+ int sondich leuen
|
|
[p. 177]
-
- 5
- Al ist dat ghy slaept de tyt lydt al euen
stranck
- niet wederkerende mer altyt synen ganck
- dus siet voer v den tyt en es niet lanck
- daer wy aen cleuen
- Ghy sult nochtans vanden tyt redene gheuen
9
- 10
- het is bescreuen / dus siet wel wat ghi maect
- Ontweckt dan nu / want die nacht es
verdreuen
- den dach verheuen / ons salicheyt die
naect
- Al hebdi tot nu v leuen niet gesmaect
- mer duecht gestaect / als des viants subdijt
- 15
- Ouerpeyst v leuen hoe ghyder syt aen
geraect
- staet op en waect / sonder langher respijt
- Ouerdenckt nu uwen verlorenen tijt
-
- Bernhardus seyt den tyt qualick ouerbracht
18
- en wordt voer gode niet cleyn gheacht
- 20
- dwelc anselmus beclagende dach en nacht
- geeft ons een leere
- Och dorre hout sonder vrucht of cracht
- werdich te syne int vier versmacht
- wat seldi segghen hoe seldij syn bedacht
- 25
- tverlangt my seere
- Alsmen uwen tyt tot elcken keere
- voor god den heere / ondersuecken sal
- Tot eender minuten / tsy scande of eere
- sydy sterck of teere / eest groot of smal
- Mer ghi moecht v versien voer dit misual
- 30
-
+ den tijt es al v eijghen in swerlts beurijt
- Dus raedick v hier int ertsche dal
- hoort myn ghescal / die onnachsaem syt
- Ouerdenckt nu uwen verlorenen tijt
-
- 35
- Den tyt hebt altoos in v bemercken
- want bernardus seijt voer leecken en
clercken
36
|
9 de v van vanden is een
onvolledige w
18 en 20 Bernhardus en anselmus
rood onderstr.
36 bernardus rood
onderstr.
|
[p. 178]
-
- dat den tyt costelic es om ons verstercken
- al eshy vertreeden
- Ghebruycten dan met duechdelike wercken
- 40
- veriaecht ledicheyt / doet vrach de
stercken
- soe moechdi ontgaen des viants vlercken
- vol der onureeden
- Seneca seijt oeck tot veele steden
- wij hebben beneden / ouer den tijt bestier
- 45
- Es v den tyt ontgaen doer ledicheden
- in iaren voerleden / wederroepten fier
- En beijt niet langher den tijt es hier
- wacht voer den ghier / die doer haet en nijdt
- Bemerct v leuen / thoont v den officier
- 50
- en wildi schier / weten v sonden wijt
- Ouerdenckt nu uwen verlorenen tijt
-
- Prinche
-
- Isaijas wou uwen raet doen
- seggende vanden tyde die ick mocht quaet
doen
- sal ic ghedenkenisse van myn missdaet
doen
- 55
-
+ van alle mijn jaren
- Niet in genuechte dwelc mocht des viants haet
doen
- mer in myn ziele sal ic better saet doen
57
- van penitencien dwelc sal mij stae doen
- duechdelic verwaren
- 60
- Wildi dan mensche uwen tijt verclaren
- gaet tgoet vergaren / en oec tquaet
versworen
- Ghij selt beuinden en openbaren
62
- den tyt veruaren / onnuttelyck verloren
- Dus op dat v god niet en laet versmoren
- 65
- doer synen toren / en sviants berijt
- Soe seggic noch eens ghelyck te voren
- vrienden vercoren / om v profyt
- Ouerdenckt nu uwen verlorenen tyt
|
57 de eerste t van better
boven den regel bijgeschreven.
62 na en is j
doorgehaald.
|
|
|