|
|
|
| |
| | | |
Derde bedrijf
Eerste toneel
(zeer stemmig en ouderwets in 't zwart gekleed)
Wat doet men niet, als 't hart door liefde is ingenomen?
Wat laat men onbeproefd, om tot zijn wit 1) te komen?
De Minnegod bedrijft veel grillen. Dit gewaad,
Schoon zeer oneigen aan een jongman van mijn staat,
Wordt nu de liverei 2) der Liefde, en ik moet leren,
830
Hoezeer mij zulk een werk mishaag', filosoferen.
Doch 't ga zo 't wil; als ik in 't eind mijn wit beschiet,
Verveelt mij deze moeite in 't allerminste niet.
O Liefde, die mij al voorlang naar uw geboden
Deedt luisteren, ik heb uw bijstand thans van noden.
Begunstig d'aanslag, die uit nooddwang is gesmeed,
En schrik niet voor de lucht van 't filosofisch kleed.
| |
Tweede toneel
karel, katrijn
Wat zo! Dat staat je fraai, Heer Karel; 'k wil het zweren.
Dat 's na mijn zin: als Heer Anzelmus na je kleren
Je wijsheid schatten zal, zo heb je 't zekerlijk
840
Gewonnen. Ei, vergun dat ik je eens recht bekijk.
| | | |
O ja, mijn Heer, volkomen.
Ik hoorde eens een geval, waarvan ik raakte aan 't dromen;
't Was van een raren vent, die altijd in een ton
Zijn woonplaats had, en met geen mensen omgaan kon:
Ook liep hij midden op den dag met een lantaren,
Om na te sporen, of op straat ook mensen waren.
Hoe hiet hij ook? Dejoo... Dejoog...
Ja, ja; die meen ik al: 'k heb wel een reis 1) vijf zes
Gedroomd, dat ik dien snaak voor ieders gek zag lopen,
850
Of dat hij uit zijn ton kwam na mij toe gekropen.
Nou mag je vragen, wat ik daarmee zeggen wil?
'k Vind tussen hem en jou, in kleding, geen verschil;
(Te weten, zoals hij me is in den droom verschenen,)
Maar hij stond niet zo vlug en luchtig op zijn benen.
Hij zag ook stuurser uit zijne ogen; als je dat
Naäpen kost, dan had je recht de kneep gevat.
't Zal dus wel gaan, Katrijn; voor 't minst, ik wil 't vertrouwen.
Maar waar 's Krispijn, mijn Heer? Zou die zijn woord niet houwen?
Voorzeker; hij zal ook haast hier zijn, maar hij had
860
Nog iets te doen: ook zal het raadzaamst wezen, dat
Ik eerst Anzelmus spreek, eer hij zich kom vertonen.
Wij brengen d'ouden heer dus lichter in de bonen.
| | | |
Gij zult het haast begrijpen; wees tevreên.
Maar Heer, mij dunkt, het stuk is toch vol zwarigheên.
Ik zal mijn best doen, en Krispijn zal 't voorts wel maken.
Hij heeft zijn weerga niet in diergelijke zaken.
Ik wou wel, dat hij dan maar met de klucht begon.
Ik wenste, dat ik eerst Anzelmus spreken kon.
Daar is wel middel toe... Maar zie, 't is of 't wil wezen.
Dan ga ik mijn legenden lezen.
Zwijg stil; verstoor mij niet, Katrijn.
| |
Derde toneel
anzelmus, karel, katrijn (Karel haalt een groot papier uit zijn zak, en wandelt over het toneel, in den schijn van iemand die zeer aandachtig leest, totdat hij bemerkt, dat Anzelmus hem in 't oog krijgt.)
(terzijde)
't Begin is goed: hij bijt al aan het aas; dat 's fijn.
| | | |
(allengs duidelijker lezende, na enige mompeling)
Zodat men deze zaak bezwaarlijk kan bepalen,
Of 't loffelijker zij, met Sokrates te dwalen,
Op 't spoor van Cicero, dan af te wijken van
Zijn valse stellingen, indien die grote man
Zich hier of daar misschien vergist had, want de waarheid
Is op zichzelfs van geen belang, en enk'le naarheid,
Maar krijgt haar luister van den mond, waaruit zij komt.
880
Dat zijn verhevene gedachten: 'k sta verstomd.
Die heer heeft veel verstand; 'k moet kennis met hem maken.
Het allernuttigste is daarom, in duistre zaken,
De waarheid niet zozeer, als wat er Sokrates
Weleer van heeft gezeid, of Aristoteles,
Of zulk een groot vernuft, van stuk tot stuk te weten.
Wie zulks niet heeft geleerd, kan nooit een wijsgeer heten.
Neem 't mij niet kwalijk af, mijn Heer, zo ik u stoor,
Maar doe mij de eer en geef me een ogenblik gehoor.
Dus heeft men 's wijsgeers naam, en stellingen, maar nodig.
890
Bewijs te weten, is volkomen overbodig.
Mijn Heer! Nog eens; zo ik uwe aandacht waardig ben.
En... Maar! Wie zijt gij, Heer? 'k Heb de eer niet dat 'k u ken.
Ik hoop, dat wij elkaar haast zullen kennen leren.
De Wijsbegeerte, die ik eer, en steeds zal eren,
| | | |
Is 't edel voorwerp, naar ik merk, van uwen vlijt,
En ik besteed daaraan ook 't beste van mijn tijd:
Om de overeenkomst dan van ons genegenheden,
Zoek ik uw vriendschap, Heer.
Ik merk u aan, mijn Heer, als een verstandig man.
900
Mijn Heer, al wat ik u hierover zeggen kan,
Is dat ik nog den naam van wijsgeer niet kan dragen.
'k Schep in uw zedigheid 1) meer dan gemeen behagen.
De lof, dien gij mij geeft, mijn Heer, maakt mij beschaamd.
'k Begeer gene eer, die mij niet toekomt: het betaamt
Een leerzaam jongling zijn geringheid te beseffen,
En nooit zich boven zijn verdiensten te verheffen.
Zijt gij tot 't Meesterschap dan nog niet ingewijd?
Neen, maar ik leg daaraan ten koste al mijnen tijd.
Wat leidsman hebt ge, om u den rechten weg te wijzen?
910
Mijn oom Blaaskaakius, nooit hoog genoeg te prijzen.
| | | |
Die naam is me onbekend; woont hij hier te Amsterdam?
O neen, mijn Heer; hij woont te Leiden, maar hij kwam
Eerst heden in dees stad, en om gene andre reden,
Dan om zich bij een heer, wiens grote kundigheden
En ongemeen verstand de hele werreld roemt,
Ei! Hoe wordt die heer genoemd?
Men zegt, hij overtreft in wijsheid veel Doctoren.
Ik zoek zijn huis, mijn Heer: woont hij hier niet ontrent?
920
Men heeft mij zo bericht.
Zoek maar niet meer, ik ben 't.
Zo had uw oom mij horen noemen?
Mijn oom heeft steeds den mond zo vol, om u te roemen,
Dat hij niet rusten kan, voor hij u heeft gezien.
Wij blijven in de stad misschien een dag of tien,
Met oogmerk, om dien tijd voornaamlijk te besteden,
In ommegang met u, zo 't met uw bezigheden
Te zamen gaat, mijn Heer.
| | | |
Wat bezigheid zou 'k daar
Niet graag voor laten staan? Uw oom, dat zie ik klaar,
Is een der edelste verstanden. 'k Zal hem wachten,
930
Met ongeduld; gij kunt te zaam bij mij vernachten,
Gedurende uw verblijf. Wat is de reden, dat
Uw oom ook niet terstond gekomen is?
Nog eerst te spreken met een vriend: naar mijn gedachten,
Moet hij hier aanstonds zijn.
'k Zal hier dan zo lang wachten,
Totdat hij komt, wijl hij misschien mijn huis zo licht
Mijn Heer, wij zijn u zeer verplicht.
Op straat te blijven, zal u mogelijk niet lusten;
Gij zijt verreisd; indien gij wat verkiest te rusten,
Daar is mijn huis, treê in. Katrijn, gelei dien heer
940
Eens bij mijn dochter, in de zaal; zeg, dat wij de eer
Genieten zullen, dat hij ons voor een'ge dagen
Bijblijven zal, - dat zij hem achting toe moet dragen.
Zij zal gehoorzaam zijn, mijn Heer, 'k sta daarvoor in.
(terzijde)
Victoria! 1) De man is ons. Lang leev' de Min.
| |
| | | |
Vierde toneel
De grote blijdschap, die mijn geest komt overstromen,
Doet mij schier twijflen, of 'k niet word misleid door dromen.
Ben ik Anzelmus of ben ik Anzelmus niet?
Gewis, ik ben de man, daar Holland reeds op ziet,
Als op een wonder van onze eeuw. Kan ik 't geloven?
950
Mijn roem gaat dien van veel geleerden reeds te boven,
En 'k heb, als ik 't besef, maar weinig werks gedaan.
Zo 'k nog veel jaren leef, hoe ver zal ik wel gaan?
Hoe zal Europa nog verbaasd staan, op het noemen
Van mijnen naam, hoe zal het gans Heelal mij roemen!
Geen lofgalm wordt voor mijn gedachtenis te groot:
Men sticht mij zekerlijk een pronkbeeld na mijn dood.
Dit stel ik vast: wel hoe! Dit deên de Rotterdammers
Voor hun Erasmus wel; en zouden de Amsterdammers
Nu minder zijn als zij? Die schand waar' nimmermeer
950
Te dulden. Och! Hoe zoet is ene onsterflijke eer.
| |
Vijfde toneel
krispijn, gekleed als een Wijsgeer, anzelmus
(terzijde)
(Hij ziet naar binnen, alsof daar iemand was, met wien hij verschil had.)
Neen, zeg ik, 't mag niet baten.
Negatus consequent! 1) Geen razende advokaten
Zijn onverstandiger en luistren min naar reên:
Maar 'k laat u over aan uw buitensporigheên.
| | | |
Uw logge harsens zijn bezwalkt door dikke dampen;
Pas 1) mij een andermaal niet weer aan boord te klampen,
Of...! Maar wat moei ik mij met zulk een zotskap: laat
Ik naar Anzelmus gaan: 'k heb al zo lang op straat
Gezworven; ik heb ook een tegenzin in 't lopen;
970
Maar kon men vliegen, daar was voordeel van te hopen;
't Zou makkelijker zijn en tienmaal zo gezwind.
'k Moet zien, dat ik daartoe in 't kort een middel vind.
Gewislijk, zonder liegen,
Ik ken geen nutter kunst, dan de eed'le kunst van vliegen.
Daar schiet me iets in: zou 't zó niet mooglijk wezen? Ja!
'k Begrijp het werktuig reeds, op goede vleugels na.
Sint-Aristoteles! Dat zal vermaaklijk wezen.
Wij hoeven op die wijs geen schepen meer na dezen,
Noch wond'ren van de Zaan. Wij zullen door de lucht,
980
Heel na Batavia, heenvliegen om de klucht.
Zo kunnen wij alle oorden
Der werreld arendswijs, van 't Zuiden tot het Noorden,
Doorreizen: Perziën, Amerika, Japan,
Het Ooievarenland, en wat 'k niet noemen kan.
Hoe wil dat volk staan kijken,
Als we uit de wolken op hun torens nederstrijken.
Geleerde Heer! Mijn Heer, mijn Heer Blaaskaakius!
| | | |
Wat 's dit? Wie roept mij daar zo stout? Wie stoort mij dus!
Mijn Heer, ik ben uw vriend Anzelmus: wil mij horen.
990
Anzelmus, ha! Wat vreugd! Schoon ik u nooit te voren
Gezien heb, Heer, ik ken u echter door de faam,
Wijl 't ganse land weergalmt van uw beroemden naam.
'k Heb lang van ongeduld gebrand, om u te aanschouwen.
Ik kon in 't eind die drift niet langer tegenhouwen,
Ik kom hier te Amsterdam, alleen om u te zien.
Wat vreugd, dat gij mij ook reeds kent! Hoe kan 't geschiên?
Geleerden kennen steeds malkandren; dat 's niet wonder.
Mijn blijdschap is zo groot, zo groot, dat ik er onder
Bezwijken zal! Ach! Dat ik u omhelz', mijn Heer.
(Hij omhelst hem zo hartig, dat hoed en paruik in 't zand raken.)
1000
Maar hoe! Gij aarzelt. Wat is dit? Doe ik u zeer?
Een weinigje, mijn Heer, maar daar 's niet aan gelegen.
Het spijt me; ik was u in mijn drift te zeer genegen:
'k Verzoek vergiffenis; 't was zo de mening niet.
Al wat ter liefde der Filosofie geschiedt,
Dat lijdt men met vermaak.
| | | |
Zo is 't. Wie in zijn zinnen
Een zucht tot wijsheid voedt, zal alles licht verwinnen,
Wat zich daartegen kant; want wijsheid is zo hoog
Verheven, dat men haar nauw met een sterflijk oog
Kan achterhalen. Dit 's de reên, dat Krates leerde,
1010
In tegenstelling van 't geen Aristarch beweerde,
Dat nooit, ten genen tijde, op generlei manier...
Maar wat ik vragen wou, is ook mijn leerling hier?
O ja; hij 's in mijn huis. Die jongman schijnt heel schrander
O! Zo zeer, dat ik geen ander
Gezien heb, die bij hem in vergelijking kwam:
Dit is de reden ook, dat ik hem met mij nam.
Hij 's in zijn woorden schraal, maar rijk in zijn gedachten;
Hij denkt zo grondig, dat men 't nimmer zou verwachten
Van iemand, die nog niet meer jaren heeft als hij.
1020
Hij is gelukkig met een Meester, zoals gij.
'k Verzuim ook niets, wat dient om hem te fatsoeneren:
Door mij verkeert hij steeds met veel geleerde heren;
Hij is om zijn verstand bij iedereen bemind;
Om zijn geleerdheid wierd hem laatst het enig kind
Van zeek'ren heer geboôn, met honderdduizend gulden:
Maar 't mocht niet helpen; mijn fatsoen kon dit niet dulden,
Want ik bewaar hem voor iets hogers.
| | | |
Waar' hij dat geweest, ik zweer,
Het huw'lijk had voorlang zijn voortgang al genomen,
1030
Om filosofen in de werreld te doen komen.
'k Heb ook een dochter, die hem dan wel passen zou,
Maar ze is zo veel reeds als verbonden tot de trouw:
Twee minnaars vrijen sterk, om met mijn kind te paren,
En morgen moet zij zich voor een van hun verklaren.
Wel, breng mijn neef ook op de nominatie, 1) dan
Heeft zij te meerder keur.
'k Deê 't gaarne, maar ik kan
Mijn woord niet breken, dat ik eenmaal heb gegeven.
En zou dat de eerste maal juist wezen van uw leven?
Ik ben op kleinigheên juist niet heel nauwgezet,
1040
Maar 'k volg, in zaken van gewicht, een strenger wet.
Daar komt een heer, die haast mijn schoonzoon hoopt te wezen.
(ter zijde)
Maar die zijn pasport ook in korten tijd zal lezen. 2)
| |
| | | |
Zesde toneel
zemelknooper, krispijn, anzelmus (Krispijn en Zemelknooper zien elkanderen enigen tijd sterk in 't gezicht, lopen somtijds op elkander aan, en dan weer terug, totdat Krispijn den ander op ene ruwe wijze aandoet.)
Confrater, gun dat ik u van nabij bezie.
'k Wil, naar de regelen der Fysionomie, 1)
De eerwaarde trekken van uw tronie eens bekijken:
Ik ken veel gekken, die u wonderwel gelijken,
Maar ik bespeur nochtans aan al de omstandigheên,
Dat gij een man zijt van verstand: die neus alleen,
Die neus verbrodt het spel. Die neus moest korter wezen.
1050
Wat onbescheid 2) is dit, mijn Heer? 'k Heb nooit gelezen,
Dat enig wijsgeer dus een wijsgeer heeft ontmoet.
Vergeef 't mij, Heer, ik doe 't
Die kunst is van mijn smaak niet.
Dat komt, omdat gij niet op 't wezen van de zaak ziet.
Wat is dan 't wezen van de zaak?
Die 't niet vooraf begrijpt, bezwarelijk te ontleên. 3)
| | | |
'k Zal 't zeggen, schoon ik 'loof dat gij 't niet zult begrijpen:
Stel dan uw zinnen schrap en ga uw harsens slijpen.
Gij vraagt mij eerst: wat is het wezen van de zaak?
1060
En welk een zaak? Een zaak, die niet is van uw smaak.
En welk een smaak is de uwe? Een smaak, die mooglijk zaken
Van zeer veel nuttigheid verwerpen zal en laken.
Want 't geen den een behaagt, behaagt vaak d'ander niet;
Hierom is 't moeilijk te bepalen, als gij ziet.
Zo gij de kunst verstondt, die uit de wezenstrekken,
Door vaste regels, weet der mensen aard te ontdekken,
Zo hadt gij nimmer mij die lompe vraag gedaan:
Maar doorgaans laakt een zot, 't geen hij niet kan verstaan.
Om binnen het bereik van uw verstand te blijven,
1070
Zal ik dan 't wezen der gemelde zaak beschrijven.
De zaak betreft uw neus: ik zei, die was te groot;
Gij kunt mij vragen, wat ik dan daaruit besloot.
Ik antwoord: niet veel goeds. Gij, zonder meer te vragen,
Scheldt aanstonds op de kunst: zijn dit geen zotte vlagen?
Gelukkig zijt gij, dat Plutarchus, Sokrates,
Malfurius, Hans Urinaal, Demosthenes,
Don Clarazel, Pedro del Porco, Aristippus,
Parmenio, Franciscus Heermans of Chrysippus 1)
Die zotte redenen niet hebben aangehoord.
1080
Zij hadden u gewis op heter daad vermoord.
Zult gij de kunst blameren?
Gans-duizend Seneca's! 2) Ik zal u dat verleren.
Dat argument is niet in forma.
| | | |
Is in een andre vorm, als gij het zijt gewend.
Dat gij 't niet zoudt verstaan, zeide ik al van te voren.
Maar, zo gij 't oordeel van een schrander man wilt horen,
Vraag Heer Anzelmus maar; ik ben verzekerd, dat
Mijn argument op hem veel werking heeft gehad,
Want zijn doordringend brein begrijpt de zaken grondig.
1090
Wat mij belangt, ik vind het argument heel bondig.
Ja bondig, bondig is 't; maar dat hij 't niet verstaat,
Dat scheelt aan zijn begrip.
Bewijs het tegendeel, zo gij 't niet wilt geloven.
Maar 't is diepzinnig; 't gaat uw bot verstand te boven.
O Logica! Hoe wordt uwe achtbaarheid gehoond.
O Fysionomie! Wat sterveling verschoont
'k Zie mijn confrater naad'ren.
Hoe zal hem, op die maar, 1) 't bloed stremmen in zijne aad'ren.
| |
| | | |
Zevende toneel
zemelknooper, revelaar, anzelmus, krispijn
Confrater! Wel, wat is 't?
Och! Zo gij de helft maar wist
Wel, spreek op. Wat mag u deren?
Men wil de Logica het onderst boven keren.
Geen syllogismus zal voortaan
Ons kunnen dekken. Och! Mijn Heer, het is gedaan.
Wie durft die eed'le kunst zo onverdraaglijk honen?
Zie daar een wijsgeer, die ons meent te kunnen tonen,
Dat een bewijs recht sterk en bondig wezen kan,
Schoon 't niet in forma is.
| | | |
Och! Clauberg, grote man,
Ja, ja: laat Clauberg maar wat praten;
1110
Bij lieden van verstand, als ik, zal 't weinig baten.
Ik zweer de Logica de dood met deze hand:
Het vonnis is geveld; die snode moet van kant.
'k Zal haar opofferen aan mijn gerechten toren, 1)
Schoon zij beschermd wierd door een regement Doctoren.
(tegen Anzelmus)
Hebt ge Aristoteles ook in uw boekenkas?
Ja, 't is een Franse band.
(tegen Krispijn)
Wij zullen u het vuur nu eens wat nader leggen.
Vraag Plato ook maar, of hij niet wat heeft te zeggen,
En wien gij wilt: 't komt op een stuk of tien niet aan.
1120
'k Moet nu den rechten grond van deze zaak verstaan.
Ik ga dan, om het boek te halen, eens naar binnen,
Schoon ik niet twijfel, of Blaaskaakius zal 't winnen.
| |
Achtste toneel
zemelknooper, revelaar, krispijn
Zal Aristoteles u dan beschermen?
| | | |
Hij zal ons wreken, hij zal de eer der Logica
Hij? Hij komt niet levend uit mijn handen.
Ik zal zijn Logica verscheuren met mijn tanden.
O tegenvoeter der gezonde en goede reên!
Waanwijze Zoïlus! 1) Waar wil dit eindlijk heen?
Zulk last'ren kan geen man van studie meer verdragen.
1130
Zo gij niet aanstonds zwijgt, gij zult het u beklagen:
'k Heb nog een argument, waarmede ik u terstond
De tong zo snoeren kan, dat gij hierna den mond
Nooit weder tegen mij zult oop'nen.
't Zal niet in forma zijn, dat zeg ik van te voren.
Vaar voort, waar wacht gij na?
Wel nu, let op dan. Daàr!
(Hij slaat.)
Daàr Zemelknooper, daàr confrater Revelaar!
Loop voor den duivel met je Logica.
| | | |
(al slaande)
Roep Aristoteles: laat hij je nu beschermen.
Sta bij! Mijn hoofd! Mijn rug!
1140
Is 't nog niet bondig? Daàr!
Och! Helpt ons niemand dan?
(Zij vluchten.)
| |
Negende toneel
Ik weet er van. Gans bloed! Dat 's krachtig disputeren.
O seldrement! Dat heet eerst recht filosoferen.
Die argumenten liegen niet. Schep moed, Krispijn.
't Is dus der moeite waard, om filosoof te zijn.
| |
Tiende toneel
karel, izabel, anzelmus, katrijn, krispijn
O schandvlek van 't geslacht, zult gij me zo belonen?
| | | |
Lichtvaardige Izabel! En durft ge u nog verschonen? 1)
Wijk uit mijne ogen: hoop op geen vergiffenis.
Nu merk ik, dat uw deugd maar blote schijndeugd is.
Maar 'k zal u, in 't vervolg, dien handel wel beletten.
1150
Ik schut 2) uw huwelijk: ik zal u vast doen zetten. 3)
Maar 'k bid, Papa, bedaar. Waarom ontstelt ge u dus?
Waarom? Vraag dat den neef van Heer Blaaskaakius!
Mijn neef, mijn Heer, hoe zo?
Wat mens kon dat verwachten?
'k Had van zijn zedigheid heel andere gedachten.
Wat schort er dan, mijn Heer?
Zo als ik kwam in huis, gebogen op zijn kniên,
Voor Izabel; ik kon hun woorden duidlijk horen;
Zij dachten niet, dat ik hen zou zo ras verstoren.
Hij dorst haar raân, haar plicht moedwillig te overtreên;
1160
Mij zelf te zeggen, dat zij hèm begeerde, en geen
Doctoor, op mijn gebod. Mijn dochter liet zich vrijen,
En sloeg terstond geloof aan zijn bedriegerijen.
Foei! Schaam u, Izabel; mijn woorden in den wind
Te slaan; dengeen, dien ik wil hebben, dat gij mint,
Te haten; zonder mij een bruidegom te kiezen.
Die ongehoorzaamheid doet mij 't geduld verliezen.
| | | |
Zwijg: gij eert mij als uw vader niet.
Van zulke kindren heeft een vader maar verdriet,
Die 't vaderlijk gezag zo t'enemaal vergeten.
1170
Wat hadt gij mij beloofd? Dat zult gij nog wel weten.
'k Weet, ik heb u beloofd, een bruigom naar uw zin
Te kiezen: maar helaas! Met een, dien ik niet min,
Te trouwen, - is er wel beklagelijker leven
Ter werreld? Dat ik daar mijn woord toe heb gegeven,
Is uit verlegenheid geschied.
Een vader zo maar voor den zot? Neen, neen, dat kan
Wil mij dit ten beste houwen.
'k Beloof u, dat ik nooit, dan met uw zin, zal trouwen.
Ik zal u dat ook wel beletten; denk dat vrij.
1180
Mijn Heer, 't gelieve u eens te luisteren naar mij:
Al wat hier is misdaan, heb ik alleen bedreven.
Indien gij zonder drift mij slechts gehoor wilt geven,
Zal ik u stuk voor stuk verklaren, hoe 't geval
Zich toegedragen heeft: ik hoop, uw gramschap zal,
Door onze oprechtheid, zich in 't eind vermurwen laten.
Versier 1) geen logens, want dat zal u weinig baten.
| | | |
Betoom uw toorn en neem een ogenblik geduld.
'k Verzeker u, dat gij verwonderd wezen zult.
(Hij wijst op Krispijn.)
Waar ziet gij dezen man voor aan? 'k Zou niet geloven,
1190
Dat gij hem kent voor 't geen hij is.
't Gemeen verheven, door zijn schranderheid: hij is
Een treflijk wijsgeer, die, niet zonder ergernis,
Uw handelwijs beschouwt; hij zal me ook recht verschaffen;
'k Verzeker u, dat hij u strengelijk zal straffen.
Ik rade u, dat gij hem maar valt te voet.
Zo schrander als hij is, is niemand anders, dan
Uw knecht? Wat of gij mij al wijs wilt maken.
Die grote wijsgeer zou uw knecht zijn? Schone zaken!
Krispijn, trek uit dien rok. Gelooft gij 't nu, mijn Heer?
(tegen Anzelmus)
1200
'k Leg Heer Blaaskaakius hier voor je voeten neer.
Hoe? Ben ik door een knecht bedrogen?
Al wat ik heb gezeid, mijn Heer, was fijn gelogen.
| | | |
Gij zijt een schobbejak. Maar hoe is 't mooglijk? Kan
Een knecht zo licht den schijn aannemen van een man
Van studie, zodat ik daar niets van kon bemerken?
Wat weet de schelmerij en list niet uit te werken!
Bezadig u, mijn Heer, 'k hoop dat ik u tevreên
Kan stellen; alles is geschied om andre reên,
Om mij wat voor uw gek te houwen.
1210
In 't allerminste niet: daar moogt ge u op vertrouwen;
Geloof me: ik heb u steeds daartoe te hoog geacht.
De Liefde alleen heeft ons dees list in 't hoofd gebracht.
Uw dochter kon mij al voor langen tijd behagen,
En 'k had besloten, haar ten huwelijk te vragen,
Van uwe hand, maar wierd tot mijne smart gewaar,
Dat gij ene andre keur reeds hadt gedaan voor haar,
En dat gij niemand tot uw schoonzoon zoudt begeren,
Die geen bekwaamheid had om te filosoferen.
'k Misprees dit niet, hoewel 't mij smartte; want ik eer
1220
Niets boven wijsheid, maar mij wierd bericht, mijn Heer,
Dat gij, (vergeef 't mij, zo dees woorden u verstoren,)
Gevallen waart op twee halfgekke naamdoctoren,
Die slechts door brabbeltaal, half Duits 1) en half Latijn,
Geleerden schijnen, en in waarheid zotten zijn.
Het speet mij, dat ik moest voor zulke snorkers wijken:
Dies vond ik raadzaam, u ontwij felbare blijken
Te geven, tot bewijs hoe maklijk 't zij, in schijn
Meer te vertonen, 2) dan men is. Dat ik Krispijn
Hiertoe gebruikte, is niet geschied om u te honen,
1230
Maar om u krachtiger de waarheid te vertonen.
| | | |
Vergeef ons dit, mijn Heer.
Gij zijt misleid, maar 'k 'loof gij twijfelt thans niet meer,
Of die Doctoren, die in schijn geleerde lieden
Vertoonden, en een knecht het hoofd niet konden bieden,
'k Weet nauwlijks, wat ik zal
Geloven. 'k Sta bedwelmd, in dit verward geval.
Wijl ik tenminsten dan hun niet hoef toe te geven, 1)
Zo bid ik, wil mijn wens niet langer wederstreven;
Neem mij tot schoonzoon aan? 'k Weet dat mijne Izabel
'k Weet nog niet, wie gij zijt: dat moest gij mij ontdekken.
Of zijt gij Karel? 't Is, of uwe wezenstrekken
Ja, mijn Heer, die ben ik.
Dat gij in England waart.
'k Heb daar ook doorgebracht
Tien maanden, om den stijl der koopmanschap 2) te leren,
Waarmede ik, in vervolg van tijd, mij hoop te ernéren. 3)
| | | |
Ik hoop niet, dat er op mijn afkomst of gedrag
Iets is te zeggen, 't geen u wederhouden mag.
Maar in dit laatst geval hebt gij te grof misdreven.
1250
Dat legt mij wat te hoog; ik kan 't u niet vergeven;
Denkt gij, dat alles zo maar in te kroppen is?
'k Ontschuldig mij niet, Heer, maar bid vergiffenis.
En wat zegt Izabel? Spreek: kan hij u behagen?
Zo zeer, dat ik alleen met Karel mijne dagen
Wens door te brengen, wijl ik nooit een ander man,
(Hij mag ook wezen, wie hij wil,) beminnen kan.
Ik zie wel, 'k zal het toch gewonnen moeten geven.
Mijn Heer, ik zal u al mijn leven
Die eerbied tonen, die 'k een vader schuldig ben.
1260
Papa! 'k Weet niet, hoe ik uw goedheid best erken'.
Waar zijn de Dokters, die ik hier liet, nu gebleven?
Mijn redeneerkonst heeft hen op de vlucht gedreven.
Ik zie nu, 't geen ik niet geloofd had, dat de schijn
Uitwendig zo gelijk kan aan de waarheid zijn.
| | | |
Katrijntje, zo je nou ook wilt filosoferen,
Wat ken je beter doen, als onder mij studeren?
Om jouw welsprekendheid alleen zou ik 't wel doen.
Kom, geef me dan op trouw een lieve, lekkre zoen.
EINDE VAN HET DERDE EN LAATSTE BEDRIJF |
2)de liverei - de livrei, het kleed
1)zedigheid - bescheidenheid
1)Victoria! - Triomf! Hoera!
1)Negatus consequent! - (half-Latijnse woorden zonder zin). Misschien is iets als ‘eeuwige tegenspreker’ bedoeld.
1)nominatie - lijst van candidaten
2)zijn pasport lezen - zijn ‘ontslagbrief’ krijgen, weggestuurd worden
1)Fysionomie - gelaatkunde
2)onbescheid - ongepastheid
1)Vs. 1075-1078. - Te midden van allerlei beroemde Griekse wijsgeren worden een paar moderne of verzonnen figuren genoemd. ‘Hans Urinaal’ is ontleend aan Langendijks blijspel De wiskunstenaars.
2)Gans-duizend Seneca's! - een dwaze basterdvloek
1)Zoïlus - kleingeestige vitter
1)Och armen! - Ach! O wee!
1)verschonen - verontschuldigen
3)vast doen zetten - gevangen doen zetten
2)meer te vertonen - zich voor meer uit te geven
1)hun niet hoef toe te geven - voor hen niet behoef onder te doen
2)den stijl der koopmanschap - het koopmansvak
3)mij hoop te ernéren - in mijn onderhoud hoop te voorzien
|
|