Krispyn filozoof en De belachelijke gevolgen van het dansen ener menuet (anoniem) (ed. C. Ypes)


auteur: Simon Stijl


editeur: Catharina Ypes


bron: Simon Stijl / anoniem, Krispyn filozoof en De belachelijke gevolgen van het dansen ener menuet (ed. Catharina Ypes). J. Noorduijn en Zoon, Gorinchem 1955  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 111]

Zevende toneel

blijhart, vroomaart
blijhart
(driftig)
 
Gegroet! Mijn Vader! Is de zaak al afgelopen?
vroomaart
 
Ja, Zoon, die femelaars zijn reeds vanhier gedropen;
 
Ik heb hun Godsvrucht, drift en dweperij bepaald,1)
 
En hen zo overtuigd, zo lustig doorgehaald,
 
Dat zij beschaamd, ontsteld, bekommerd en verslagen,
 
(Niet wetende, hoe zich bij mij nu te gedragen,)
 
Mij ras verzochten, om hun onvoorzichtigheid
 
Hen te vergeven: ik, juist niet terstond bereid
 
Om zulks te doen, liet mij in 't einde toch bewegen;
390
Door lang verzoek dus hebben zij hun wens verkregen.
 
Eerst spraken zij met zulk gezag, op zulk een toon,
 
Gelijk de fijnste van die snaken zijn gewoon,
 
Alsof zij mij zo in de afgrond wilden dond'ren.
 
Maar, waarde Zoon! Het was om zich zeer te verwond'ren,
 
Hoe spoedig dat die ernst, die furie2), was bedaard,
 
Op 't ogenblik dat ik mijn mening had verklaard.
 
O, die verwaande en zeer hooggeleerde Heren
 
Hoorde ik zeer onverwachts gans anders redeneren
 
Dan in 't begin, toen 't niet dan trotse hoogmoed was.
blijhart
400
Had 'k in uw plaats geweest, 'k zweer u bij kris en kras,
 
Mijn Vader, dat ik nooit mij in die zaak liet vinden!
 
Hoe! Daar zij zich zo stout aan hunne wet verbinden,
 
Om hier een Broeder in hun strenge Ban te slaan,
 
Zoude ik als Ouderling ook op mijn rechten staan.
 
Ja, deze dubble wet zou deeglijk moeten gelden,
 
Wat sprookjes, wat gebaar zij daar ook tegen stelden.
[p. 112]
vroomaart
 
Dit had ik kunnen doen, o ja, mijn Zoon, dit 's waar.
 
Maar daardoor wierd ook onze schanden openbaar;
 
't Heeft mij vernoegd, die klucht hier helder te doen spelen.
410
Waarom zou ieder juist in deze gekheid delen?
 
Ik ben genoeg voldaan, nu een beschaamd gezicht
 
Het enigst loon is van hun zogenaamde plicht,
 
Waardoor zij 't dom gemeen1) voor hun gezag doen buigen.
 
Doch wij, en andren, zijn zo licht niet te overtuigen.
blijhart
 
Neen, Vader, ganslijk niet, wij zijn juist niet zo fijn,
 
Als deze kwezels voor het oog der waereld zijn,
 
Schoon met dat alles wij ook onzen plicht betrachten,
 
En mooglijk meer dan zij. Nu, Vader, mijn gedachten
 
Zijn, dat zij voor hun vlijt al rijklijk zijn bedeeld.
420
En hiermeed' is de klucht volmaakt wel uitgespeeld.
vroomaart
 
Dit is zo, Zoon, 'k geloof, zij zullen wel verleren,
 
Om in 't vervolg niet weer zo licht te censureren.
 
Maar welk een schande heeft dat volkje niet behaald!
 
Hoe smertlijk moet het zijn, hun drift te zien bepaald,
 
En zich gecensureerd te zien door een der leken,
 
Waaraan zij dachten, dat hun wijsheid was gebleken,
 
En die vast lachten om hun ingebeelde waan.
 
O, ik had deze schand niet willen ondergaan,
 
Al had ik nog zoveel daarmede kunnen winnen.
430
Maar à propos, mijn Zoon! Daar schiet mij iets te binnen:
 
Ik moet na mijn Comptoir: 't is morgen postdag, en
 
Weet dat 'k met mijn brieven nog veel ten acht'ren ben.
 
Ik groet u dan, mijn Zoon, en gaan zeer drok aan 't schrijven,
 
Terwijl ik ben verhaast, en u maar hier laat blijven.
blijhart
 
Dag Vader! Ik ga nog een boodschap doen, en dan,
 
Koom ik ook op 't Comptoir, zo spoedig als ik kan.

EINDE