terug  begin 

[p. 377]origineel

De opkomst en bloei van de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

[p. 379]origineel

Van de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

Niets bewyst zo klaar de zwakheid van alle Regeeringen welker grondslag het geweld is, als de Geschiedenissen van ons Vaderland. Zy geeven ons de voortreffelykste Historie der besprongene en verdeedigde Vryheid, die dikwyls op het punt staat van te bezwyken, maar telkens wederom met nieuwen moed in het strydperk te voorschyn treedt. De inwooners deezer Gewesten, in laage en waterige landdouwen geplaatst, hier en gins van de woeste golven zo wel als van magtige en heerschzuchtige Nabuuren gedreigd, ja onder elkanderen doorgaans verdeeld, hebben zich echter dikwyls tegen de magtigste Vorsten der Aarde kunnen beschermen. Immers hebben zy nooit hunne vryheid verlooren, dan omze luisterryker te herwinnen. Wat mag de reden zyn dat een gering Volk bekwaam geweest is tot zo veel groote zaaken, zo deeze zelfde nadeelige omstandigheden ten minsten niet als voorschikkende oorzaaken van zulk een ongemeen geluk moeten aangemerkt worden? Door geduurige rampen wordt het menschdom geoeffend, en genoopt om onophoudelyk het allernuttigste gebruik van zyne vermogens te maaken; en 't is dus dat men niet zelden van de ongenade der Natuur noch wenschelyker vruchten trekt, dan van haare lieflykste weldaaden. Maar een Volk, dat langs deezen weg ten top van eere en grootheid zal klimmen, moet begaafd zyn met oorsprongklyke deugden, die door gunstige omstandigheden alleenlyk behoeven opgewekt of

[p. 380]origineel

geregeld te worden, en tegen alles wat nadeelig is lang kunnen worstelen.

De geringe beginzelen, waaruit de Nederlandsche Vryheid weleer door haare Grondleggers is voortgebragt, doen ons met recht besluiten dat de deugden onzer Voorouderen zodaanig geweest zyn, en daarom in den rang der waare Heldendeugden behooren geplaatst te worden. Maar, schoon men dit ook eenpaarig toestemt, echter kan niemand verwachten dat zy eene uitzondering zullen maaken op de algemeene zwakheden van het menschelyk geslacht; veel min gebelgd zyn, om dat zy met eenige woestheid gepaard gaan, hetwelk in die onbeschaafde tyden niet anders heeft kunnen weezen. Wy, die geleerd hebben onze geringe gaaven in vrolyker licht te plaatsen, moeten van onze Stamvaders niet spreeken, zonder ons te stellen in hunnen eenvoudigen Natuurstaat, waarvan wy mogelyk reeds te verre zyn afgeweeken. Wat hunne deugden belangt; het is te beklaagen dat 'er onder ons zo weinige voetstappen van te vinden zyn, zo wy alleenlyk de werkzaamheid uitzonderen, die onze Nederlanders noch eenigzins van veele andere Volkeren onderscheidt. Doch, ontmoeten ons in die tyden ook veele voorbeelden van lafhartigheid en ontrouw, het zy genoeg dat wy doorgaans den heerschenden geest des Volks de beste zyde zien kiezen. Hieruit blykt ten minsten dat 'er altoos een goed getal van braave mannen geweest is, en dat zy, 't geen eene groote zaak is, eenigen invloed op de Gemeente hebben gehad.

Het roemruchtig Tydperk, dat alle onze Nederlanders hunne verdeeldheden heeft doen vergeeten, om een Gemeenebest op te rechten, aan wiens vermogen en bestendigen bloei noch dagelyks al ons geluk verknocht is,

[p. 381]origineel

trekt met reden onze aandacht tot zich, als het voornaamste dat ons betreft. Het biedt zich tevens aan als het gemaklykste voor de beschouwing, dewyl men daar het gansche Volk tot één lighaam vereenigd ziet, wiens leden eenpaarig te zamenspannen ter bevorderinge van een zelfde groot en gewigtig oogmerk. Men ziet 'er alle byzondere belangen in de waagschaal gesteld, tegen de edelste voorrechten waarop de menschelyke Natuur zich immer beroemen mag. Doch de voorgaande eeuwen, die ons de leden van dat lighaam afzonderlyk vertoonen, zyn hierdoor misschien ruim zo merkwaardig voor een leergierig verstand, hetwelk hunne onderscheidene vermogens en hoedaanigheden by vergelyking begeert te kennen. Ook zyn de tyden der Spaansche Tiranny geenszins de eerste, die ons uitlokken om deel te neemen in de belangen der Nederlandsche Vryheid. Deeze belangen zyn even oud als de oudste gedachtenis onzer Vaderen. Van Klaudius Civilis tot Radboud, ziet men 'er, zeshonderd jaaren lang, de Batavieren en Vriezen om stryden, nu tegen Rome, dan tegen de Franken, met een lot zo wisselvallig en veranderlyk, als de luchtstreek die zy bewoonen. Zelfs vindt men hier reeds, omtrent het begin der vyfde eeuwe, een Gemeenebest van Armorichen, die zich als vroege, hoewel kortstondige voorboden van onzen Staat vertoonen. En, willen wy van onze eigene gesteltenis met eenige billykheid oordeelen, dan is het noodig dat wy dezelve, zo veel mogelyk is, in haaren oorsprong gadeslaan: zo veel mogelyk is, zeg ik, om dat de duisternis der oudste tyden ons menigmaal verhindert tot de eerste beginzelen door te dringen. De achtste eeuw begint ons eerst wat klaarder toe te lichten, en de overwinningen van Karel den Grooten ver-

[p. 382]origineel

schaffen het bekwaamste tydgewricht, om den aanvang van dat onderzoek te bepaalen.

Het Ryk der Franken, of Franschen, onder den kwynenden staat der Roomsche Mogendheid, sederd drie of vier eeuwen, steeds nieuwe voordeelen behaalende, was nu, met het tweede geslacht van zyne Koningen, in magt en uitgebreidheid het aanzienlykste geworden aan deeze zyde der Alpen. Pipyn, de nieuwe Stamheer en overweldiger van den Franschen troon, bragt ook de Vriezen tot ontzag, en maakte zich meester van Utrecht, hetwelk niet lang daarna eenen Bisschop verkreeg. Allang te vooren was 'er het Christelyk Geloofingevoerd; maar de waarde van zulk eene weldaad, niet bekend zynde, had ook op het gemoed der Landzaaten naauwlyks eenigen indruk gemaakt. Het grootste deel der Vriezen volhardde noch op deezen tyd in zyn ongeloof, en vereenigde zich met de Saxen hunne strydbaare, en zomtyds vyandlyke Nabuuren, om de Fransche heerschzucht het hoofd te bieden, terwyl de Euangelieleer by hen in verachting bleef. Geen wonder: die leer van nederigheid en vrede, was door trotse vyanden met den sabel in de vuist verkondigd, en had zich tot noch met haare natuurlyke bevalligheid nimmer mogen vertoonen. Zulke dappere voorvechters der vryheid konden niet dan met veel moeite bedwongen worden door Karel den Grooten, die Italie bemagtigde, het Westersch Keizerryk herstelde, en alles wat noch aan de grootheid van Pipyn, zynen Vader, mogt ontbroken hebben, in zyne overwinningen vervuld zag. Hy liet zich echter niet verblinden door den glans die hem omringde, maar behield in 't midden van zo veele betoveringen een billyk gemoed. Zodra hy zich eenigzins kon betrouwen op de onder-

[p. 383]origineel

werping der Vriezen, maatigde hy zyne gestrengheid; hy bekrachtigde zelfs de vryheid van dat moedig Volk, stelde Rechters aan, om het naar deszelfs byzondere wetten te bestieren, en verschoonde het, tegen de gewoonte van alle overwinnaars, van 't lastig juk der schattingen. By dit heusch onthaal voegde hy ter goeder uure de aanpryzing van den Christelyken Godsdienst, die geen ander hulpmiddel van nooden had. De Vriezen wierden Christenen, zodra men hen door daaden had overtuigd, dat het Euangelie den Godsdienst der zachtmoedigen behelsde.

Waarschynlyk zou deeze bekeering ook veel nadrukkelyker dan de geduchtste wapenen hunne verbindtenis met de volgende Keizers bekrachtigd hebben, waaren die Vorsten slechts verlicht genoeg geweest om op de gronden van hunnen doorluchtigen voorganger te bouwen. Lodewyk de Vroome, Zoon en Opvolger van Karel den Grooten, heeft noch, by het aanvaarden van de Regeering, getoond hoe zeer hy hunne vriendschap en trouw in waarde hield, door het vernietigen van een vonnis, 't welk zyn Vader in toorn geveld, en naderhand waarschynlyk verzuimd had te herroepen. Keizer Karel had de Vriezen beroofd van de rechten op hun vaderlyk erfgoed, om, gelyk men denken mag, hunne hardnekkigheid te buigen, doch zekerlyk met oogmerk om de uitvoering van dat harde vonnis by bekwaame gelegenheid af te schaffen; dewyl anders de eernaam van vrye Luiden, dien hy hun vervolgens toestond, en het voorrecht van naar hunne eigen Wetten geregeerd te worden, daarmede niet wel schynen te strooken. De gunst van Lodewyk, dit onaangenaam gedenkteken van hunne vernedering ten eenenmaale uit den weg ruimende, was wel

[p. 384]origineel

zeer groot; maar zyne volgende handelingen kwamen nochthans hiermede niet overeen.

Vriesland strekte zich in die dagen uit van de Wezer tot de Schelde, en was derhalve grooter van omtrek dan de thans vereenigde Nederlanden te zamen, behalve dat het ook een groot deel lands behelsde, 't welk nu in de Zuiderzee verdronken legt. Terwyl men nu dit Land, om zyne afgebrokene gelegenheid, in verscheidene streeken moest verdeeld houden, en elk byzonder Rechtsgebied zynen eigenen naam geeven, bleeven derzelver inwooners evenwel allen bekend onder den naam van Vriezen, gelyk thans alle onze Nederlanders by vreemdelingen niet zelden den naam van Hollanders draagen. Nochthans schynen zommigen onder hen, gelyk de Westfriezen, de Vriezen van Oostergoo, van Westergoo, en anderen, by hunnen ouden naam gebleeven te zyn. Uit dit verschil ontstaat dikwyls eenige onzekerheid in de benaaming van Landstreeken en ingezetenen, die verwarring baart. Dus wordt Utrecht by zekeren schryver, in 't midden der elfde eeuwe, noch eene Stad van Vriesland genoemd. Ten aanzien van Holland en Zeeland wordt men een overeenkomstig voorbeeld gewaar. Een groot deel van Zeeland wordt zomtyds onder Holland betrokken, waarvan de reden is, dat Zeeland voorheenen niet, gelyk naderhand, in zyn geheel en op zich zelf bestaan heeft. De Zeeuwsche eilanden worden ten westen en ten oosten door de Schelde gedeeld. Het westelyk gedeelte behoorde eertyds tot Vlaanderen, en heeft noch lang naderhand veel twist veroorzaakt tusschen de Hollandsche en Vlaamsche Graaven: al wat ten oosten van de Schelde legt, wierd gerekend een wezenlyk gedeelte van Holland te zyn. De naam van Zeeland wierd aan

[p. 385]origineel

het een of het ander deel toegeëigend, naar elks byzonder begrip, en verkreeg dus geene bepaalde betekenis.

Men weet naauwlyks te zeggen hoe veele verdeelingen 'er in den aanvang geweest zyn: maar drie of vier byzondere Staaten, waartoe de mindere deelen welhaast te zamen gesmolten zyn, komen hier vooral in aanmerking. Deeze zyn, het Hertogdom Gelder, het Graafschap Holland, het Sticht Utrecht, en de overige magt der Vriezen, die hunnen naam by uitzondering noch droegen. Deeze laatsten waren echter wat te veel onder elkanderen verdeeld, om een bestendig vermogen, 't welk dat hunner Nabuuren evenaarde, te bezitten. De Rechters, door Karel den Grooten ingesteld, en naar allen schyn uit den aanzienlyksten Adel gekoozen, stonden elkanderen, indien men naar de waarheid gissen mag, geduurig in 't licht, tot dat de magtigste, de overigen uit hunne plaats gedrongen hebbende, hooger gezag bekwamen. Zy noemden zich Graaven: een naam, wiens echte betekenis onzeker is, dewyl men niet naauwkeurig weet hoe verre hunne magt zich uitgestrekt hebbe. 't Zou best met den aard der oude Duitsche Regeeringen overeenkomen, zo hunne oppermagt verbonden geweest waare aan eenen Raad, uit Edelen en vrye Landzaaten gekoozen; en dit is daarenboven niet onwaarschynlyk, om dat de Nederlanders, voor welken de gewoonte eene eeuwige wet was, by alle mogelyke gelegenheden getracht hebben hun staatsbestier op dien voet te regelen. Doch wy kunnen, zelfs drie of vier eeuwen laater, veel beter zeggen hoe onze Graaven geregeerd hebben, dan hoe zy moesten regeeren volgens hunne oorsprongklyke aanstelling, welke, by gebrek van schryvers, in die ongeletterde tyden niet

[p. 386]origineel

behoorlyk heeft kunnen geboekt worden. Wat men nu aangaande deeze Graaflyke Regeering besluite, 't is onloochenbaar dat zy noch eenen geruimen tyd, ten minsten tot op Dirk den I, ondergeschikt gebleeven is aan het opperbewind der Keizers of Fransche Koningen, welken deeze Landen, als behoorende tot het Fransche Ryk, by erfrecht ten deel vielen. Zolang de opvolging der Graaven van de keuze dier vreemde Vorsten afhing, viel het hun ook niet moeilyk zich in dat opperbewind te handhaaven: maar zy gebruikten geenszins de noodige oplettendheid om dat middel van verzekering te onderhouden. De opvolging wierd eerlang erflyk; en dit was voor onze Graaven een aanzienlyke stap ter onafhangklykheid, waartoe vervolgens veele andere oorzaaken medewerkten.

Lodewyk de Vroome had loflyke hoedaanigheden, maar niets dat naar de ongemeene bekwaamheden van zynen Vader geleek, schoon de uitgestrektheid van het nieuwgewonnen Keizerryk zulks wel degelyk vereischt hadde. In zyn eigen huis de rust niet kunnende bewaaren, wilde hy echter het Gebied, dat voor hem reeds te groot was, door staatkundige streeken noch verder uitbreiden. Drie Deensche vlugtelingen, door een sterker party uit hun Land verdreeven, wierden met opene armen ontfangen by den Keizer, die, onder voorwendzel van hunne belangen voor te staan, zodra zy gedoopt waren, het besluit nam om hen met zyne wapenen tegen 't Noorden te ondersteunen, op dat hy dus den Deenschen troon aan zyne wet mogt onderwerpen. Dit gelukte niet naar wensch; maar de goedertieren Keizer, zich ten minsten van zyne vriendelyke beloften aan dat vreemd en berooid geslacht willende kwyten, was milddaadig genoeg om

[p. 387]origineel

'er een goed deel van zyn eigen Volk aan op te offeren. Vriesland wierd onder de drie Broeders, Heriold, Roruk, en Hemming, verdeeld, en leed 'er onbeschryflyke nadeelen door. Lodewyk hoopte ook naar allen schyn, dat de tyd hem gunstiger gelegenheid verschaffen zou, om zyne mislukte onderneeming te hervatten; maar hy bedroog zich. De Deenen, integendeel, niet te vrede met het verjaagen van hunne bespringers, kwamen hen eerlang uit wraakzucht in hunne schuilplaats vervolgen, en wierden door den gelukkigen uitslag hunner eerste togten zo zeer aangemoedigd, dat men ze naderhand, telkens wanneer de armoede of roofzucht hen prikkelde, met gansche zwermen herwaard overvliegen zag. Nu ontbrak het den Keizer aan moed en bekwaamheden, om de onheilen, die 't gevolg waren van zyne onvoorzigtigheid, in hunnen voortgang te stuiten. Ook vond hy nieuwe belemmeringen in den openbaaren opstand zyner zoonen. Hy had Karel, zynen jongsten zoon, uit een laater huwelyk gebooren, ten nadeele van de drie oudsten, grootelyks begunstigd. Lotharius, die zich reeds gedroeg als deelgenoot van het Ryk, kon dit noch minder dulden dan zyne Broeders, Pipyn, en Lodewyk. Zy vereenigden zich, en namen eerst de Keizerin, hunne Stiefmoeder, en vervolgens hunnen Vader zelf, te gelyk met den jongen Karel, gevangen. De ongelukkige Vorst, na deeze eerste mishandeling, zyne vryheid wederom door den bystand van getrouwe onderdaanen bekomen hebbende, en vervolgens op nieuw aangerand, begaf zich toen van zelfs in de magt zyner wederspannige zoonen. Men verdroeg zich onderling; de beroerten scheenen eenigzins gestild te zyn; maar het nadeel, 't welk zy veroorzaakt

[p. 388]origineel

hadden, was 'er niet door geboet, en na 's Keizers dood zag men nieuwe wederwaardigheden.

Lotharius, die zynen Vader opvolgde, moest, om de verdeeling zyner Staaten, zyn leven lang het harnas tegen zyne Broeders draagen. Das wierd het erfdeel van zynen zoon, Keizer Lodewyk den II, tot op een negende gedeelte vand des Grootvaders bezittingen verminderd. Onder de volgende Keizers wierden zomtyds wel eenige afgescheurde slippen wederom aaneengehecht; maar het geval, 't welk dit ligtelyk uitwerkte, had geen vermogen om hen tevens met de vereischte gaaven van verstand en moed te begunstigen. Het geslacht van Karel den Grooten, voorheen zo beroemd door twee Pipyns, door Karel Martel, en allermeest door hemzelf, liep vast verminderende af, in Karel den Kaalen, Lodewyk den Stamelaar, en Karel den Dikken, tot op Koning Karel den Eenvoudigen, wiens naam zelf hiervan getuigenis geeft. Welke onwaardige nazaaten van zo doorluchtig eenen Vorst en Opperheer! Karel de Dikke, boven de anderen in den aanvang door het geluk verheerlykt, wierd binnen negen jaaren van alle zyne Staaten beroofd, van iedereen verlaaten, en in de uiterste elende gedompeld. Men heeft hem eindelyk de hand, aan welke de teugel van vier Koningkryken was betrouwd geweest, zien uitstrekken om bekrompene aalmoezen te ontfangen. Een ongelukkig tydgewricht zou wel schynen de voornaamste oorzaak van dien omkeer geweest te zyn; maar zodaanige rampspoeden zyn inderdaad, by de geringste aanleiding, natuurlyke gevolgen van eene zorgelooze Regeering, die, door zwakheid van geest, de grootste Mogendheid allereerst in verwarring brengt.

Middelerwyl wierd het Ryk aan allen kant bespron-

[p. 389]origineel

gen, door de Saraceenen in Italië, door de Hunnen, of Hungaaren, in Duitschland, en allermeest aan deeze zyde door de Noormannen, woeste roovers en plonderaars, doch afgerecht op verrassende krygstogten. Zy greepen alle gelegenheden aan, om met de tweedragt der Vorstelyke Hoven hun voordeel te doen, en dienden zomtyds den Broeder om zynen Broeder te onderdrukken. Vriesland stond gemeenlyk den eersten aanval van hunne baldaadigheden ten doel, alwaar zy, telkens met nieuwe benden uit hunne roofschepen aan land stappende, verwelkomd en gekoesterd wierden, door Heriold, Roruk, en anderen hunner Landgenooten, die met zulk eene ondankbaarheid de weldaaden van Keizer Lodewyk vergolden. Het oogmerk, waartoe die Barbaaren zich vereenigd hadden, om naamelyk langs deezen weg hunne magt al verder uit te breiden, en de Vriesche grenzen slechts tot eene toevlugt en algemeenen wyk te houden, bleek welhaast uit hunne onderneemingen. Zy liepen Duitschland af, drongen door Braband, Vlaanderen, en Artois, in Vrankryk, en naderden zelfs voor de poorten van Parys. Al de tegenstand, dien zy gewoon waren te ontmoeten, bestond hierin, dat men gewapend optrok om verbonden met hun te sluiten, in een van welken de Dochter van Lotharius den II aan hunnen Overste Godefried ten huwelyk wierd gegeeven, en Vriesland, als haare Bruidschat, aan hem afgestaan. De Christelyke Godsdienst, dien Godefried volgens de voorwaarden van dat verdrag moest omhelzen, scheen noch een dekmantel te strekken voor de lafhartigheid van Keizer Karel den Dikken, die ten minsten zo veel van hem verworven had. Rollo, een ander Noorman, heeft naderhand op dezelfde wyze de Dochter van den Franschen Koning Karel den Een-

[p. 390]origineel

voudigen, met gansch Normandye, verkreegen. Maar Godefried, Heer van Vriesland geworden, draalde niet lang met te toonen dat hem deeze schraale weiden geenszins voldeeden. Hy eischte eenige andere plaatsen van gemaatigder luchtstreek, alwaar ten minsten wyn tot zyne verkwikking mogt groeien; en vlamde heimelyk op Lotharingen, hebbende zich reeds verbonden met Hugo, eenen bastaard van Lotharius den II, om op het eerste ongenoegen, 't welk de Keizer wegens zynen onbeschaamden eisch mogt opvatten, onder de gedaante van billyke wraak, dat Landschap te vermeesteren. Ondertusschen beroofde hy eenen der Graaven, die hy ten Hove gezonden had om zyn verzoek voor te stellen, van deszelfs goederen, waaruit zyne trouwloosheid af te neemen is; en zyne dwinglandy ging zo verre, dat hy de Vriezen, om dat zy niet altoos goedvonden hem slaafsch te gehoorzaamen, zonder uitzondering eenen strop om den hals deed draagen.

Karel de Dikke, hoe log van aard, was echter gevoelig van des Noormans ondankbaarheid, maar wist zich niet anders van hem te ontslaan, dan door eenen laffen moord, die heilzaamer gevolgen had dan zulk een verachtelyk feit verdiende. Verscheide Grooten greepen, na de dood van Godefried, nieuwen moed, vatteden hier en gins de wapenen op, en verjaagden zynen Broeder, met al het overig gespuis. De Vriezen hadden, zo 't schynt, meermaalen gelyke poogingen gedaan, en zelfs eenige tyd te vooren zynen Vader Heriold van het leven beroofd; maar 't was hun onmogelyk geweest, de versche benden, die telkens op nieuw tot hen overkwamen, te wederstaan. Nu echter, van buiten eenigzins geholpen wordende, kwamen zy alles te boven, en hunne ingeboo-

[p. 391]origineel

rene Graaven wonnen 'er zo veel by, dat de uitheemsche heerschappy, waartegen men hier zo lang had moeten worstelen, vervolgens haaren klem verloor.

Lotharingen, waaronder deeze Landen onmiddellyk gerekend wierden, was onder Lotharius den II, Zoon van Keizer Lotharius, een Koningkryk geworden, en na zyne dood wel wederom onder den Keizer geraakt, doch als een afzonderlyk erfdeel, 't welk tusschen de Fransche en Duitsche Vorsten een geduurige twistappel bleef, tot dat het, onder Keizer Otto, wederom tot den staat van een Hertogdom vernederd wierd. De kunstenaaryen, door welke zo veele mededingers naar dat Gebied hunnen aanhang poogden te versterken, maakten aldaar den Adel aanzienlyk en geducht; en hieruit sprooten, door tegenkanting van partyen, veele inwendige beroerten. Men begrypt ligtelyk dat onze Graaven, noch korts van de dwinglandy der Noormannen ontslagen, en dus op de Vryheid verlekkerd, deeze gelegenheid om zich te verheffen niet verzuimden. Zy volgden, het voorbeeld van veele Fransche en Duitsche Heeren, en men mag zeggen dat zy het overtroffen, om dat deeze, veelal magtiger dan zy, echter in 't vervolg hunne verkreegene vryheid zo wel niet bewaard hebben. Eindelyk heeft Karel de Eenvoudige Lotharingen noch gewonnen; maar toen was het reeds te laat, om 'er Vriesland, dat zo verre van de hand lag, wederom aan te hechten. Hy wierd ook eerlang in zyn eigen Ryk zo zeer ontrust, dat hy in deeze gewesten de vriendschap der aanzienlykste Heeren te veel van nooden had, om iets hards tegen hen te onderneemen. Dus liet hy den teugel slippen, en stond aan Graaf Dirk de Kerk van Egmond met veele aanzienlyke goederen af, bevestigende hem te gelyk als Graaf

[p. 392]origineel

van Holland: eene eer, die Dirk in staat stelde om zyn Graafschap erflyk aan het Nageslacht over te laaten; waarom de schryvers ook van hem, als Dirk den I, de telling der Hollandsche Graaven aanvangen. Keizer Otto de III heeft wat laater den Zoon van deezen Graave, Dirk den II, met verscheidene andere giften beschonken, en hierdoor zyn vermogen grootelyks vermeerderd. Wy mogen denken, dat deeze Vorsten, voor 't minst Karel de Eenvoudige, zich ook ligtelyk getroost hebben over het verlies deezer Landen, welke in dien tyd, by gebrek van goede dyken, zekerlyk veel meer dan hedendaags aan de woede van zee en stroomen wierden blootgesteld, weshalve de voorgaande Vorsten insgelyks geene zwaarigheid gemaakt hadden, omze aan den eerstkomenden Noorman weg te schenken.

Evenwel schynt dit op den duur niet genoeg geweest te zyn. De laatere Keizers, en zelfs de Lotharingsche Hertogen, hebben noch al eenig recht op deeze Landen voorgewend. Ook hebben de meeste Hollandsche Graaven zich welstaanshalve gedraagen als Leenmannen van het Keizerryk. Maar zy hebben zulks gedaan als vrye Leenmannen, die alleenlyk uit eerbied den Keizer hulde deeden, en hem niet verder gehoorzaamden, dan met hunne belangen overeenkomstig was. Zulks blykt genoeg uit het openlyk wederstreeven der Keizerlyke bevelen, 't welk men al vroeg in de Geschiedenissen ontmoet. Keizer Konraad de II, by voorbeeld, gaf aan de Utrechtsche Kerk het Graafschap Teisterband, op de grenzen van Utrecht, aan den kant van Gelderland, gelegen, maar tevens eenen smallen zoom van Holland raakende. De Hollandsche Graaven hadden hier eenig recht op, dewyl de Broeder van Dirk den I het bezeten had; en

[p. 393]origineel

dit recht hebben zy tegen den Bisschop van Utrecht, in weêrwil van des Keizers ongenade, zo ernstig aangedrongen, dat de menigvuldige oorlogen, tusschen de Hollanders en de Stichtschen, uit deeze stribbeling hunnen oorsprong schynen genomen te hebben.

Men ziet dus dat de onafhangklykheid van Holland, en van de Hollandsche Graaven, hetzelfde beginzel heeft, dat tot eenen genoegzaamen grondslag gerekend wordt voor alle eerstgevormde Maatschappyen; naamelyk het vermogen van te bestaan zonder hulp van buiten. Zy hebben hunne zwakke Beschermers uitgeslooten, en, na het bezorgen van hunne eigene veiligheid, niet meer noodig geacht zich op nieuw aan onwaardige meesters te onderwerpen. Zy maakten zich zo groot als mogelyk was, en onderzochten zekerlyk niet of het oogmerk van hunne goedertierene Oppervorsten zich wel zo verre had uitgestrekt. Zy gebruikten hunne magt, gelyk een ieder op zyne beurt tot zyn voordeel doet: en zy deeden wel, omdat hunne rechten op de wet der Natuure gegrond waren, terwyl het recht van den langsten degen het eenigste was, waarop de heerschzucht der uitheemschen zich immermeer beroepen konde. Maar dit recht was ook zelfs door de lafheid der voorgaande bezitteren alreede verouderd geworden.

Van deezen tyd, tot op de eerste verandering, die de opvolging der Graaven van Hollandschen Huize heeft afgebroken, dat is van het jaar 923 tot 1300, schynt het beloop van onze Geschiedenissen wat eenvoudiger te zyn. Zy komen nader aan het denkbeeld van eene byzondere huishouding, die in zich zelve zomtyds wel deerlyk overhoop legt, maar doorgaans buiten den zwaai der algemeene verwarringen geplaatst is. Wy

[p. 394]origineel

zien Holland eens, geduurende de minderjaarigheid van Graaf Dirk den V, onder den Hertog van Lotharingen gebragt; maar hy geniet de vruchten van zyne verovering niet langer, dan noodig is om de Stad Delft te stichten. Men beklaagt zyne dood met recht, om dat het zelfs niet geoorlofd is, de snoodste dwingelanden op zulk eene laage wyze te doen vermoorden. In dit tydperk deelen wy ook wel eens in de oorlogen van Vrankryk en Engeland; maar altoos van ter zyden. Met de Kruistogten hebben onze belangen wat naauwer gemeenschap, door derzelver invloed op den aanwas der burgerlyke Vryheid. Voor het overige is Vlaanderen het voornaamste dat ons van buiten bezig houdt, en zomtyds ernstig genoeg beknelt: maar de binnenlandsche beroerten smeulen onophoudelyk, en worden slechts by toeval van buiten gevoed. Wy zien Holland aan de eene zyde tegen Westfriesland, aan de andere tegen Utrecht gekant; Utrecht en Westfriesland, nu afzonderlyk, dan te zamen, door Holland in engte gebragt, en op hunne beurt, als Vlaanderen zich beweegt, door nieuw verhaal van krachten, wederom aangemoedigd. De Vriezen van Oostergoo en Westergoo, tot Groningen en Drente toe, worden als eene speeltuig, heen en weêr gekaatst, en zyn echter boven alle anderen op de Vryheid gespitst. Kortom, wy zien eenen geduurigen stryd, waarin wy niet om de grootheid der Landen en Legermagten, maar om de inzigten der strydende partyen, belang stellen. De evenaar is niet dan voor weinige oogenblikken in rust; maar wy letten met vermaak op zyne beweegingen, om dat wy eenigzins het gewigt kunnen berekenen, 't welk hem doet overslaan.

Holland en Utrecht vertoonen zich in 't eerst byna

[p. 395]origineel

met gelyke magt. De Hollandsche Graaven versterken zich eenigzins door Saxische, en andere aanzienlyke Huwelyken; de gemyterde Vaders vervullen het gebrek van dat middel door fyner vonden, en spannen zeer vriendelyk te zamen met den eersten, die op de Hollanders misnoegd is. De Hollandsche Regeering schynt eenpaariger door de geregelde opvolging der Graaven, hoewel ze zomtyds door de minderjaarigheden zwak is: de opvolging der Bisschoppen, uit haaren aard niet erflyk kunnende zyn, vermenigvuldigt telkens de belangen, en de verwarringen metéén. Van wederzyden staat men naar het opperbewind over de omgelegene Landstreeken; men steekt elkanderen beurteling den loef af, en de overwinningen evenaaren ten naasten by de nederlaagen aan beide kanten. De Westfriezen, hoe menigmaalen overweldigd, kunnen, wegens hunnen afgebroken grond, niet beteugeld worden. Hun standvastige tegenweer kost verscheiden Hollandsche Graaven het leven; en het duurt lang eer de gelukkigste veldtogten eenig voordeel, dat bestendig is, verschaffen. Holland wordt eindelyk te magtig door andere oorzaaken, die te vooren niet, of naauwlyks, in aanmerking kwamen: maar als wy tot die tyden genaderd zyn, verandert het gansche tooneel op nieuw van gedaante.

Hoe komt het dat onze braave Voorouders, die altoos de slaaverny verfoeiden, zulk een onbillyk gebruik gemaakt hebben van het eerste genot hunner Vryheid? Wy zien ze naauwlyks, na dat zy de wrange vruchten der dwinglandye gesmaakt hebben, hunne kluisters met verontwaardiging breeken, of zy schynen hunne eigene gevoelens te verzaaken, dewyl zy nieuwe werktuigen van slaaverny beginnen te smeeden tegen hunne vrienden en

[p. 396]origineel

medehelpers. Kan het te zamen gaan, dat men de Vryheid als zyne Schutsgodin aanbidt, en op den zelfden tyd zich opwerpt om over anderen den dwingeland te speelen? Zo wonderlyk is het menschelyk geslacht, dat, gelyk het zaad van Kadmus, uit slangentanden opgeschooten, zich blindeling door onderlinge wonden verdelgt. Ons gezigt is te kort, om de reden na te spooren, waarom de Maatschappyen in het algemeen, tot welke wy buiten tegenspraak gebooren zyn, door ongelykheid van staat en magt, door heerschzucht, en gierigheid, onvermydelyk zo veel leeds moeten na zich sleepen. Laaten wy liever, op dat geene wysgeerige bespiegeling ons te veel bedroeve, onmiddellyk de betrekkingen van ons Vaderland gade slaan.

Het komt my waarschynlyk voor, dat de beklaaglykste onheilen gesprooten zyn uit de kwaêlyk verzekerde gesteltenis der Staatzaaken. Men had de Vryheid al te schielyk verkreegen, om 'er een behoorlyk gebruik van te maaken. 't Was ook, om de waarheid te zeggen, noch maar de Vryheid der wapenen, die ten beste genomen, niet meer is dan de grondslag van een vryen Burgerstaat. Die grondslag had noch veel tyds tot zyne bevestiging van nooden, en, toen het tyd wierd om 'er op te bouwen, ondervond men aan hoe veel hinderpaalen dat groote werk onderhevig was. Zy, die de Vryheid van een Volk tegen Alleenheerschers moedig voorstaan, hebben niet altoos de edelmoedigheid van eenen Brutus, en alle Brutussen worden ook niet door eenen Publikola ondersteund of opgevolgd. Mogelyk zal men het dan niet ongerymd vinden, dat wy uit dien hoofde eenigen onzer eerste Graaven van dezelfde heerschzucht verdenken, welke zy in hunne meesters veroordeeld had-

[p. 397]origineel

den. Hiervan zo veele stribbelingen en zwaarigheden in het schikken van den Regeeringsvorm, en misschien ook zo veele dappere Krygsbedryven, om aan de driften van het Volk de noodige afleiding te geeven ter bevorderinge van de Staatzucht der Grooten. Zo wy Polybius gelooven, is de beste Regeeringsvorm uit zynen aard altyd noch wankelbaar. De Volksregeering, doorgaans in een oproer uit de eenhoofdige gebooren, verandert ligtelyk in Adelheersching; deeze wordt eerlang eenhoofdig, en het eigendunkelyk gezag overschrydt, vroeg of laat, alle paalen, tot dat het zichzelf verwoeste. De Vryheid, in deezen kring omgevoerd, vertoont zich onder veele verschillende gedaanten, niet ongelyk aan onze Maan, die, onder 't geduurig wassen en afneemen, eenmaal in haaren vollen luister blinkt, om naderhand eene volkomene verduistering te ondergaan. Dit is, geloof ik, het natuurlyk beloop der dingen; maar het geval, of eene gelukkige gesteltenis, kan het bederf vertraagen, gelyk de vermogens van een sterk lighaam de werking van schadelyk voedzel wederstaan. Eene nadere overweeging mag ons leeren hoe verre dit op ons onderwerp toepaslyk zy; doch, zo wy ondertusschen beseffen hoe bezwaarlyk de Vryheid, zelfs onder de bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, zal ten minsten niemand verwonderd staan, dat het maaken en bekrachtigen van zulke wetten een werk van verscheidene eeuwen voor onze Vaderen heeft moeten zyn. Groote zaaken hebben gemeenlyk die traage geboorte.

Dat hier het volstrekt Oppergezag niet zo wel als elders heeft kunnen plaats grypen, schoon het ook by de eerste aanstelling der Graaven mooge bedoeld geweest zyn, zulks moet afgehangen hebben van eene oorzaak,

[p. 398]origineel

die onze naspooring dubbel waardig is; want mogelyk heeft zy ook in andere opzigten tot ons tegenwoordig geluk niet weinig toegebragt.

Gemeenlyk wil men dat de geaardheid van een Volk ten naasten by door de lucht, en het voedzel, bepaald wordt. Dus zouden de Noordsche Volkeren, door de strengheid van hunne luchtstreek, gepaard met grove spyzen, die sterker lighaamsoeffening vereischen, te stout en te strydbaar worden, om zich onder eene willekeurige heerschappy te buigen. Het Zuiden, dat zyne inwooners door geduurige warmte koestert, en hun niet dan luchtig voedzel verschaft, zou hen in tegendeel laf en weerloos maaken, terwyl hunne verbeelding, zo veel vlugger als de zenuwen door de tederheid van het gestel gevoeliger zyn, ligtelyk te betoveren waare door de bedrieglyke aanlokzelen van wellust en vermaak, en hierdoor zelfs op de laagste dienstbaarheid, zodra die slechts met vergulde boeien pronkte, zou kunnen verslingerd worden. Ik beken het: Azie en Europa, als twee uitersten met elkanderen vergeleeken, schynen dit eenigzins te bevestigen. Mogelyk veroorzaaken deeze omstandigheden ook een gedeelte van het onderscheid, dat wy tusschen onze Europische Volkeren gewaar worden. Maar zal dit genoeg zyn, om reden te geeven van den grooten zwaai der zaaken? Zegt men dat hieruit blykt, waarom wy beter dan de Franschen, Spanjaarden, en Italiaanen, geslaagd zyn in het verdeedigen van onze Vryheid: ik antwoord dat voordeezen de strydbaarste voorstanders der Vryheid Italiaanen geweest zyn, en dat de Volksregeering nergens volstrekter geweest is dan by de Atheners, een Volk daar de Franschen zo gaarne naar willen gelyken. Maar ik weet ook daarentegen niet wat men zal inbrengen, aangaande Rusland, Noorwegen,

[p. 399]origineel

Zweeden, en Denemarken, daar het Staatsbestier altoos, met kouder lucht, veel willekeuriger geweest is dan by ons. Ik twyffel of de groote Montesquieu, die het gemelde gevoelen breedvoerig voordraagt, dit staatkundig weêrglas wel in alles met zyne gewoone bondigheid zou kunnen verdeedigen.

De ongelykheid van grond, waardoor deeze Landen zich byzonder onderscheiden, heeft, myns oordeels, grooter afbreuk gedaan aan het eenhoofdig gezag. Doch de Adel heeft, door het afzonderen van verscheide Heerlykheden, en het stichten van vaste Sloten, hieruit meer nut getrokken dan het Volk, dat, onder zo veele Heeren klein gehouden, van tyd tot tyd verdeeld bleef in Vryen en slaaven. Nergens vond men op zo kort een afstand diergelyke sterkten zo menigvuldig als in deeze Landen, en ieder Edelman was genoegzaam onafhangklyk op de zyne. Deeze Edelen trokken op de beschreevene Heirvaart ten stryde, met hunne onderhoorige Boeren, om geene andere bevelen te gehoorzaamen, dan die zy goedkeurden. Wat vermogt de Graaf, die met geene andere dwingende magt voorzien was, buiten hunnen raad en goedkeuring? Na het eindigen van den veldtogt vond hy zich dikwyls omringd van nieuwe zwaarigheden, dewyl zyne vrienden hem hadden dienst gedaan, zonder dat hy de middelen had om hen op zyne beurt grootelyks te verpligten. Al het voordeel, 't welk hy zich uit den oorlog kon belooven, moest dan bestaan in de onderwerping zyner Nabuuren, die, door vermeerdering van gezag en vermogen in de overwonnen Landstreek, den afstand tusschen hem en zyne Edellieden zou vergrooten. Maar hoe zeer dit ontwerp de verbeelding van een eerzuchtigen geest mogt streelen, het bragt zyne zwaa-

[p. 400]origineel

righeden met zich. De omleggende streeken waren even als de zyne door poelen en meiren, als in kleine eilandtjes, hier en gins verdeeld, en niet toegangklyk dan by drooge zomers, of 's winters over 't ys. 't Gebruik van schuiten ten dien einde, was een toestel, dien men noch niet dan zeer gebrekkig wist te maaken, en zou op veele ondiepe plaatsen ook nutteloos geweest zyn. Dus kon men zeer zelden, wanneer men wilde, te velde trekken. Men moest de gelegenheid afwachten; en de vyand was doorgaans by tyds gewapend tegen den aanval, dien hy wel had kunnen voorzien. Versloeg men hem, geene overwinning was zo volkomen, dat 'er eene merkelyke uitbreiding van het Gebied op volgde; want de minste verandering van het saizoen maakte hem op nieuw even onafhangklyk als te vooren. Roof en plondering was dan het voornaamste voordeel dat men op de gelukkigste togten behaalde: rampzalig voordeel, 't welk doorgaans den overwinnaar bederft.

Het mogt, gelyk men ziet, der Gemeente weinig baaten, dat het gezag van den Graaf, by mangel van genoegzaam vermogen, dus bepaald bleef, zolang zy door geene aanzienlyke Steden haaren invloed op het Staatsbestier wist te vergrooten. Zy moest zich uit het stof zo hoog verheffen; en hierdoor is het, dat men voor het midden der dertiende eeuwe geene groote blyken van haare merkwaardigheid bespeurt. Dien langzaamen aan was verklaaren wy zekerlyk niet uit geweldige oorzaaken. Hebben de dikwyls herhaalde Kruistogten hieraan niet veel toegebragt, dewyl daardoor het Land van de slaaverny gezuiverd is? Een slaaf, die moeds genoeg had om deel te neemen in deeze roemruchtige buitenspoorigheden, bekwam terstond zyne Vryheid. Men kan den-

[p. 401]origineel

ken dat zeer weinigen deeze gelegenheid verzuimden: en na het vertrek van zo veele slaaven moesten veele vrye lieden noodzaakelyk gebezigd worden tot allerlei verrichtingen en diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat behoord hadden. Deeze diensten, nu vry geworden zynde, vereischten een billyk loon, en, in gevalle van verschil, de uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het werkzaamste deel des Volks schooner kans om zich te beveiligen tegen de armoede, en allengs, het zy door den landbouw, het zy door de oeffening van huislyke kunsten, het bezit van vaste goederen tot zich te trekken. Heeft dit niet zeer veel uitgewerkt om de burgerlyke vryheid te bevorderen? Men kan het niet ontkennen: maar eene diergelyke oorzaak heeft ook in andere Landen plaats gehad, zonder hetzelfde te kunnen uitwerken. In Vrankryk, by voorbeeld, hebben de Kruistogten geenszins de vryheid des Volks, maar in tegendeel het koningklyk gezag, door de alweezigheid van 's Konings Leenmannen, doen aanwassen. De gemelde oorzaak heeft dan hier alleenlyk zulke uitwerkzelen gehad, om dat zy door gelukkiger omstandigheden wierd ondersteund; en 't is een bewys van haare zwakheid, dat zy, door zichzelve, veeleer op een strydig einde uitliep. Derhalve zyn wy genoodzaakt naar eene andere uitgestrekte, duurzaame, en onwederstaanbaare oorzaak om te zien, die hier met uitsluiting van andere Landen heeft bestaan, en alleen magtig geweest is alle omstandigheden, als hulpmiddelen, aan zich te onderwerpen. Zy doet zich, zo ik my niet bedrieg, reeds op voor alle oplettende oogen. Het is de Koophandel.

Dat weldaadig gestarnte van voorspoed, van welvaart, van genoegen en geluk, verspreidt alle de gunsten der

[p. 402]origineel

vruchtbaare Natuur, uit ieder gewest, over den aardbodem, en vermenigvuldigtze door het aanmoedigen van vrye en nutte werkzaamheid. Handwerken, Kunsten, en Weetenschappen, bloeien op het spoor van den Koophandel, zonder wien de Landbouw, de nuttigste kunst van allen, aan het kwynen slaat, en de Zeevaart geenen adem haalt. Geen Land kan ongelukkig zyn onder deezen invloed, die alle woestheid verbant, en het menschdom zelfs de Rechtvaardigheid doet beminnen, om dat zyne eerste beginzelen zuivere gevoelens zyn van eer en goede trouw. Want wy spreeken hier van geene verachtelyke baatzucht, maar van eerlyken, lofwaardigen, en edelmoedigen Handel, die nimmer de belangen van het algemeen uit het oog verliest. De zeden, die onder het krygsgedruisch altoos verbasteren, zullen onder zulk een handeldryvend Volk, noch meer dan de wetten, den band der Eendragt versterken. Het geringste lid der zamenleevinge is 'er nuttig, en deelt op zyne beurt in den gelukstaat van het Gemeenebest. Trotsheid is 'er haatelyk: maar de onbekrompene overvloed baarteene edele fierheid, die, schuw van omkoopingen en bedriegeryen, op het schoonste gepaard gaat met de bewustheid van waare verdiensten. Gezegend Land! daar elk zyne eigendommen gerust bezit, daar geen ingebeelde rang de gezelligheid verhindert, om dat een iegelyk in zyne soort onafhangklyk is; daar deeze voldoening den zuursten arbeid verzoet en beloont. Zulk eene ryke bron van zedelyk en natuurlyk heil is de Koophandel, vermogende ziel en zenuw van eenen groeienden Staat, albezielende geest der gevestigde Maatschappyen, en leistar der Vryheid, zonder welke de Reden zelve een doodelyk geschenk zou zyn. Indien een sterveling, door

[p. 403]origineel

de Voorzienigheid aan het hoofd van een Gemeenebest gesteld, dit alles, in zyne ontelbaare gevolgen, begreep en begunstigde, wat zou hy gelukkig zyn!

Laat de onvolmaaktheid der waereldsche zaaken ons niet toe, te hoopen dat dit geluk immermeer in zyne volle zuiverheid zal gevonden worden, 't is ten minsten zeker dat onze Nederlanders hetzelve onder zich geduurig hebben zien toeneemen, naar maate dat zy hunnen koophandel meer en meer uitgebreid hebben. De Nederlandsche Vryheid schynt, gelyk zy 'er uit gebooren is, ook haar bestaan, en haare veiligheid, verschuldigd te zyn aan het minnelyk verband, dat zy met den Koophandel steeds onderhouden heeft. Het zal dan, eer wy verder gaan, wel te pas komen, by deszelfs beginzelen voor een oogenblik stil te staan, dewyl zy inderdaad tot de grondvesten van het staatsgebouw behooren. Doch ten dien einde zyn wy verpligt, ons nu en dan buiten de paalen van ons tegenwoordig Gemeenebest te begeeven. Wy kunnen, by voorbeeld, het nabuurig Vlaanderen, welks belangen zo veel overeenkomst en gemeenschap hebben met de Hollandsche zaaken, niet onaangeroerd laaten: en dit valt zo veel te meer binnen ons bestek, vermits ook, in de verdere beschouwing der Nederlandsche lotgevallen, het kluwen, 't welk wy trachten te ontwinden, dikwyls op dien bodem, gelyk mede in Braband, zal moeten gezocht worden.

Twee wydvermaarde rivieren, de Maaze en de Ryn, hadden reeds ten tyde der Romeinen eenigen koophandel uit andere gewesten herwaard getrokken; maar Vlaanderen en Holland hebben 'er zich onder hunne Graaven eerst te recht van bediend, om hunne koopmanschappen en gewerkte stoffen wyd en zyd te vertieren, terwyl zy

[p. 404]origineel

te gelyk over zee, met Engeland, en met de Noordsche Volkeren aan de Belt, of Oostzee, sterken handel dreeven. Zy benydden elkanderen, gelyk men denken mag, hunne wederzydsche voordeelen niet weinig. De Vlaamsche Kooplieden wisten zich doorgaans ruim zo wel te handhaaven in het bezit van den Engelschen handel; maar de Hollanders belemmerden hunne verzending langs de rivieren, door zwaare tollen, te Dordrecht, en te Geervliet, hetwelk aanleiding gaf tot veele onlusten. De Hollandsche zeevaart was daarentegen naar den kant van het Noorden gelukkiger, hoewel de haringvisschery onder de kusten van Engeland ook vry wel slaagde. Beide deeze Landschappen hadden ten aanzien van Groot Brittanje een voorrecht, dat hedendaags door de verandering der tyden zeer veel besnoeid geworden is. Dat uitgestrekt Eiland had, wegens zyne geduurige oorlogen met Vrankryk, hunne tusschenkomst van nooden, om met het vaste Land eenige gemeenschap te onderhouden, dewyl men toen, wegens de onvolmaaktheid der zeevaart, zo gereed niet was om afgelegener kusten aan te doen. Dus moest het veel meer belang in hunne vriendschap stellen, dan het nu noodig oordeelen zou, en was ten minsten niet bekwaam om zich door eenigen uitgestrekten handel, ten hunnen nadeele, zo magtig en geducht te maaken, als het naderhand geworden is. Buiten deeze bedenking, zou men misschien verwonderd staan over de voorrechten, welke dat magtig Ryk aan twee zo geringe Landschappen gewoon was te vergunnen; want toegeevendheid voor vreemdelingen is, gelyk een ieder weet, het zwak der Engelschen niet.

Vlaanderen was de kweekschool van handwerken, weeveryen, verweryen, en andere daartoe betrekkelyke kun-

[p. 405]origineel

sten; zo dat zelfs de Engelschen hunne wolle derwaard zonden om geverfd te worden. Holland verzuimde deeze hanteeringen niet, maarleide zich, naar 't schynt, toen reeds voornaamelyk op de zeevaart toe. De Hollandsche zeesteden, of zulke, die, om de veiligheid wat binnenwaard lagen aan de rivieren, zagen het getal en den rykdom haarer inwooneren schier dagelyks groeien. Men had in vroeger tyden hieromtrent reeds bloeiende koopsteden gehad; maar die waren, of door de Noormannen aan koolen gelegd, of door zwaare overstroomingen te grond gegaan. Nu was Dordrecht de voornaamste handelplaats, welke zelfs door haar beroemd Stapelrecht andere nabuurige steden niet zelden heeft in het licht gestaan. Rotterdam wierd langen tyd, wegens de onzekerheid der Zeeuwsche bezittingen, te veel belemmerd, om eene veilige toevlugt voor kooplieden te zyn; maar Zierikzee, dat onder het Hollandsch gedeelte van Zeeland behoorde, heeft niettemin al vroeg gebloeid. Amsterdam stond noch onder eenen byzonderen Heer, en wierd ook door veele andere oorzaaken klein gehouden; maar als eindelyk Westfriesland, of Noordholland, onder Holland betrokken was, en de zee, een groot deel lands hieromtrent verzwelgende, den weg naar het Y geopend had, nam die Koopstad uit de geringste beginzelen onophoudelyk toe. Antwerpen, aan de Schelde gelegen, wierd van den anderen kant, door den handel der Vlaamingen en Brabanders verrykt; en mogelyk heeft zulks gediend om Amsterdam boven Dordrecht, of andere steden, te vergrooten, dewyl het niet wel mogelyk was dat twee zulke magtige koopsteden op korter afstand tegen elkanderen overstonden. Ondertusschen beseft men ook ligtelyk hoe zeer de voorspoed der gemelde handel-

[p. 406]origineel

plaatsen zich over het gansche Land moest verspreiden, dewyl de Burgers van andere steden, welke niet onmiddellyk tot den handel geschikt waren, evenwel hierdoor in hunne neeringen en hanteeringen ten hoogsten bevoordeeld wierden.

Het eerste uitwerkzel van dien algemeenen bloei der Burgeryen, ten aanzien van de Regeering, was de verbetering der Rechtbanken, welke, te vooren veelal aan de willekeur van 's Graaven Dienaaren, Baljuws, en Schepenen, bevolen geweest zynde, nu volgens wetten, keuren, en handvesten bediend wierden. De oudste blyken hiervan vindt men omtrent den aanvang der dertiende eeuwe, onder Graaf Willem den I; hoewel 'er mogelyk te vooren reeds andere geweest zyn, die men niet meer kan naspooren. Deeze Graaf heeft ook de stad Dordrecht, waarschynlyk uit byzondere inzigten, grootelyks bevoorrecht, en haar zelfs vry verklaard van Beden en Heirvaarten. Hy was, naar het schynt, in den eersten opslag wel genoodzaakt wat vriendelyker te handelen dan zyne Voorzaaten, dewyl hy zich met een twyffelachtig recht had ingedrongen ten nadeele van zyne Nicht, de ongelukkige Ada, welker huwelyk met den Graave van Loon, schoon het, door haare Moeder buiten kennis van 's Lands Edelen geslooten zynde, gerekend wierd de Hollandsche rechten verkort te hebben, echter in Holland tegen den Oom eenen geduchten aanhang had verwekt. My is altoos waarschynlyk voorgekomen, dat het verkrygen van zulke Wetten en Keuren een groote slap geweest is tot de aanstelling van Vroedschappen, Raaden, en Burgermeesteren, welker oorsprong men dan ook niet verre van dat tydpunt schynt te moeten bepaalen. Of, zo inderdaad hunne geheugenis, volgens het gevoelen der Staaten in hun geschrift van het jaar 1587, zo oud

[p. 407]origineel

is als de Steden, ten minsten schynt de zaak zelve ons aan de hand te geeven, dat hun gezag toen eerst eenigen klem verkreegen hebbe. 't Was iets groots, dat deeze nieuwe Kollegiën niet alleen gemagtigd wierden, om van binnen de rust en welvaart hunner Steden te bezorgen, maar ook om ter algemeene Dagvaart, door hunne afgevaardigden, over de belangen van den Staat te handelen; en dat de vervulling van opengevallen plaatsen aan hunne eigene verkiezing stond, ja zelfs in zommige Steden de jaarlyks he vernieuwing der regeerende Magistraaten, terwyl in andere slechts een dubbel getal, ter keuze der hooge Overheid, benoemd wierd.

In een ander opzigt, dat rechtstreeks den rykdom der ingezetenen betrof, bespeurde men noch grooter gevolgen, zynde de Steden hierdoor welhaast tot de hoogte van den Adel verheven. 't Was een overoud gebruik, dat men by gewoone en ongewoone gelegenheden, als de geregelde inkomsten van den Graaf te kort schooten, op zyne bede hem ondersteunde met eenige sommen, welke bepaald wierden door de noodzaakelykheid, vergeleeken met het vermogen der ingezetenen. Weleer was dit geen geringe last geweest: nu wierd het, door den aanwas der schatten, in zekeren zin een voorrecht; dewyl het alle voorwendzelen afsneed tot het invoeren van nieuwe belastingen, die anders, wegens zo veele oorlogen als men van tyd tot tyd voerde, onvermydelyk zouden geweest zyn. Toen nu de Steden in staat gesteld wierden om den Graaf deeze Beden, zomtyds boven zyne gissing, in te willigen, drongen zy telkens dieper in zyne gunst, terwyl de Edelen, dit vooreerst met afgunst ziende, en te meer door hunne trotsheid den Meester veelal onaangenaam, zo veel verlooren, als de achtbaarheid der Burgerstaaten toenam. Zy wierden dan in-

[p. 408]origineel

gelyfd in het lighaam van den Staat, en ondertekenden welhaast, benevens den Graaf en zynen Adel, de verbonden welke men buiten 's Lands kwam te sluiten. 't Schynt dat de steden van Vlaanderen dit voorrecht wat vroeger dan de Hollandsche verkreegen; 't welk niet te verwonderen is, dewyl Vlaanderen buiten tegenspraak, in rykdom en vermogen, Holland noch merkelyk te boven ging.

De minderjaarigheid van Floris den V. viel, naar het schynt, op den rechten tyd om den voortgang der zaaken op deezen voet te verhaasten, zo dat men onder zyne Regeering het gewenschte evenwigt byna bereikte. In een Huwelyksverdrag van zyne Dochter met den Zoon des Konings van Engeland, komen de Steden, te gelyk met 's Lands Edelen, als ondertekenaars voor; en dewyl dit Verdrag zommige punten behelsde, die den Engelschen in vervolg van tyd te veel rechts op de Hollandsche zaaken konden geeven, wierd 'er uitdrukkelyk by gevoegd, dat dit alles, indien het naderhand bevonden wierd te stryden met de rechten van den Staat, voor nietig en krachteloos moest gehouden worden. Een trek, waarin men duidelyk het kenmerk der Vryheid gewaar wordt.

Van dien tyd af aan wierd het staatsbestier eene kunst, welke de bekwaamheden van een middelbaar verstand te verre overtrof. Graaf Floris had ridderlyke gaaven. Hy zou bekwaam geweest zyn om eene prachtige Hofhouding luister by te zetten; hy zou in den oorlog roem behaald hebben: maar by ongeluk was dit de spil niet, daar het groote rad op draaide. Staatkunde wierd 'er vereischt, en daar was hy niet genoegzaam van voorzien. Twee vermogens, zo strydig tegen elkanderen opgewassen als de Adel en het Volk, te vereenigen, te

[p. 409]origineel

bestieren, en als scheidsman geduurig tusschen beide te gaan, op eene wyze die hem van wederzyden beveiligde; dat was het werk niet van een wispeltuurig, ligtgeloovig, en roekeloos gemoed, als het zyne. De middelweg, dien een groot man in zulke gevallen weet te kiezen, is een smal en gevaarlyk pad, waarop de minste valsche stap onherstelbaare gevolgen heeft. Het ongenoegen der Edelen, die waarschynlyk, door de onvoorzigtigheid van den Graaf, al te schielyk begreepen, om welke redenen hy niet altoos in hunne belangen trad, groeide dus van dag tot dag tot eenen onverzoenbaaren haat, en kostte hem eindelyk het leven. Zyn lot is te wel bekend, om hier verhaald te worden. 't Geen men aangaande de schennis van Machteld van Velzen verhaalt, kan waar of versierd zyn; maar de zaaken zouden, zonder dat heimelyk beginzel van afgunst, nimmer tot zulk een uiterste zyn gekomen.

's Volks genegenheid, te laat opgewakkerd tot zyne verlossing, diende slechts om zyn rampzalig einde te verhaasten. Maar hoedaanig ook de uitslag waare, dat tydgewricht kon niet anders dan den invloed van het Volk boven deszelfs gewettigd peil verheffen. Hadden zy het geluk gehad van hunnen Graaf te ontzetten, zyne verpligting voor die weldaad zou oneindig geweest zyn: nu verdeelde zyne dood het lighaam van den Adel, vermits veelen onder hen aan het schelmstuk, 't welk van de overigen verfoeid wierd, medepligtig waren; en deeze verdeeldheid verzwakte hen in vergelyking van het Volk, dat in dit geval door eene algemeene overeenstemming zich zo veel te naauwer vereenigde. Wy behoeven slechts te letten op het voorgevallene onder Graaf Jan den I, zoon en opvolger van Floris, om hiervan overtuigd te worden. En zeker,

[p. 410]origineel

zo de reeks der Graaven van Hollandschen huize door de ontydige dood van deezen niet afgebroken was, de kans had schoon gestaan, om het opperbewind aan eenen vasten Regeeringsvorm voor altoos te verbinden. Dit zou op dien tyd meer indruk gemaakt hebben, dan ten tyde van Maria van Bourgondië, wanneer men den Vorsten wel naauwe bepaalingen voorschreef, maar uit de Regeering van uitheemsche Landsheeren reeds geleerd had, zich niet veel te ergeren aan het krenken van Vorstelyke beloften.

Jan de I, in Engeland opgevoed, was noch jong toen zyn Vader het leven verloor. Hy trouwde met de Dochter des Konings, en kwam herwaard over, min om te regeeeren, dan om geregeerd te worden door Wolfaard van Borselen, een snooden en arglistigen indringer. Vergeefs riepen de Edelen Avennes van Henegouwen tot de Voogdy, die noch wegens de jongkheid van Graaf Jan vereischt wierd. Wolfaard wist hem den voet zo dwarsch te zetten, dat hy, zich in Holland niet veilig oordeelende, eerlang wederom naar zyn Graafschap vertrok. Na dien tyd nam het aanzien van deezen Gunsteling zo schielyk toe, dat het hemzelf verblindde. Hy had zich overal noodzaakelyk gemaakt; nu begeerde hy dat alles van zyne wenken vloog. Het gelukte hem, verscheide Heeren uit hunne bezittingen te slooten, en zich daarmede te verryken. Hy belas den jongen Graaf, om hem Woerden, Ysselstein, en noch eenige andere plaatsen, te schenken, waardoor hy zyn gezag ongelooflyk versterkte. Maar zodra hy noch verder ging, en de bevestigde voorrechten der steden dacht te besnoeien, stiet hy zyn hoofd. Zyn verschil met de stad Dordrecht, welke hy tegen recht wilde noodzaaken eenigen uit haare Burgers aan eene andere vierschaar over te leveren, ver-

[p. 411]origineel

wekte zulk eene gisting, dat hy geraaden vond zich heimelyk op de vlugt te begeeven, en met den jongen Graaf naar Zeeland overstak. Hy wierd ontdekt en achterhaald door het misnoegde Volk, dat hem onder veele mishandelingen naar Delft sleepte. Hy wierd 'er eerst in verzekering genomen; maar de woede van het Gemeen was tot zulk een toppunt gesteegen, dat zy niet dan door zyne dood kon gestild worden. Hy sneuvelde, zonder rechtsgeding, als een Landverraader. De woestheid, die in dit geval doorstraalt, kan van niemand goedgekeurd worden; doch zy dient ons om te toonen, van hoe veel belang de keuren en handvesten der steden toen reeds gerekend wierden te zyn; te meer, dewyl hem dit ongeluk in eene andere stad, dan die hy voornaamelyk beleedigd had, overkwam.

Had Graaf Jan meer verstands gehad, hy zou zich in die omstandigheden wel als meerderjaarig hebben doen aanmerken; maar dit zo niet zynde, is het wonder dat de voogdy niet op een inboorling gekomen is. Brederode, by voorbeeld, in Engeland zyne opvoeding bestierd hebbende, had zich by zyne aankomst reeds met die hoop gevleid; en men had door zulk eene keuze Avennes kunnen missen. Maar Brederode was misschien te veel Engelschgezind, en 't Volk helde naar de zyde van Vrankryk, waarschynlyk uit liefde tot de gedachtenis van Floris, die zich met de Franschen tegen Engeland en Vlaanderen, strydig met het gevoelen zyner voornaamste Edelen, verbonden had. Avennes was listig genoeg om deeze drift te voeden, te meer, dewyl hy vreesde dat men anders de Voogdy aan den Graaf van Vlaanderen, Grootvader van onzen jongen Graaf, mogt opdraagen. Toen zyne verkiezing vastgesteld was, toonde hy zeer wel te begrypen, aan welke zyde 't grootste

[p. 412]origineel

vermogen van den Staat, en bygevolg zyne verpligting, geplaatst was. De Steden hadden hem voorgestaan, en hierom liet hy zich, breeder dan men te vooren gewoon was, in alle voornaame steden inhuldigen, door welk eerbewys hy, dezelver aanzien erkennende, zich tevens van haare vriendschap zocht te verzekeren. Avennes bezat buiten twyffel de vereischte bekwaamheden tot dat gewigtig ampt; maar de schielyke dood van den jongen Graaf heeft veelen aanleiding gegeeven, om aan zyne eerlykheid te twyffelen. Hoe 't zy, de Voogd volgde den Voesterling op, als zyn naaste bloedverwant aan de vrouwelyke zyde, 't geen vooreerst gansch Holland in rep en roer stelde, en door de ongemakken der uitheemsche Regeering verdere gevolgen had, welke men toen misschien reeds had kunnen en moeten voorzien. Doch wy bespeuren uit dit gansche beloop, dat de gevoelens van het Gemeen, boven die van den Adel, de overhand behielden. Een der voornaamste inzigten, die de verheffing van Avennes begunstigden, was de hoop dat hy de dood van Graaf Floris op alle medepligtigen zou wreeken, 't geen hy beloofde, maar nimmer dacht te volbrengen.

Dus is dan het Graaflyk bewind, na omtrent vierhonderd jaaren tot een Hollandsch stamhuis behoord te hebben, in vreemde handen overgegaan. Men ziet het vervolgens binnen de helft van dien tyd noch driemaal verwisselen, waarna het ten hoogsten top stygt, om een einde te neemen in de oprechting van ons tegenwoordig Gemeenebest. Van Henegouwen is het, gelyk een ieder weet, tot Beieren gekomen; van daar tot Bourgondië, en vervolgens tot het doorluchtig Huis van Oostenryk, klimmende dus by elke verandering tot magtiger en aanzienlyker geslachten op; het welk den kring der staatsbelangen zo veel heeft uitgezet, dat derzelver be-

[p. 413]origineel

schouwing van nu af aan ook wat naauwkeuriger aandacht schynt te vereischen.

Zo wy de Regeering als drieledig aanmerken, naamelyk bestaande uit het Graaslyk gezag, de magt der Edelen, en het recht der Steden, kunnen wy zeggen, dat deeze drie vermogens noch lang hun evenwigt behielden; maar dat hun onderling steunpunt, of middelpunt van zwaarte, 't welk te vooren slechts op eene ongevoelige wyze was verschooven geworden, nu dikwyls door eenen geweldigen schok verplaatst wierd. De overmagt deezer vreemde Graaven, en hunne invloed op nabuurige Ryken en omgelegene Gewesten, die dikwyls zeer schielyk rees of daalde, was oorzaak van dit ongestadig beloop. Bevorderde het geval aan vreemde Hoven de belangen van den Graaf; gelukte 't hem, zynen Broeder, natuurlyken Zoon, of verderen Bloedverwant, op den stoel van Utrecht te plaatsen; vond hy zich in staat om van de Geldersche zaaken naar zynen wensch te schikken; straks wierd hy op zyn eigen grond ontzaglyk en geducht, en de Regeering trok onmiddellyk meer of min naar de eenhoofdigheid. Liepen de gemelde omstandigheden hem onvoorziens tegen, of was hy buiten 's Lands in noodelooze en ongelukkige oorlogen ingewikkeld, zo gebeurde ook, ten aanzien van zyn, of ten minsten van zyns Opvolgers bewind, vlak het tegendeel van 't voorgaande: de Vorst wierd genoodzaakt den Adel of het Volk, ja zomtyds beide, door toegeevendheid aan zich te verbinden.

De Edelen waren nu ook gereeder tot onlusten dan voorheen, schoon niets nadeeliger was voor hunne belangen. Eenigen deezer Graaven verlieten van tyd tot tyd het Land, om in hunne uitheemsche Staaten vermaakelyker te leeven; wanneer het bestier eenen Land-

[p. 414]origineel

voogd, of Stedehouder, wierd aanbevolen, die nooit bekwaam was de rust onder hen te bewaaren. Sederd de dood van Graaf Floris door geduurige verdeeldheden ontrust zynde, verzuimden zy geene gelenheid om nieuwe twistvuuren te stooken. Zy hadden nu ook geleerd zich met de steden te verbinden, waardoor dat lighaam insgelyks verdeeld wierd: doch dit had slechts voorbygaande gevolgen, terwyl zy, als aanleiders, alle de nadeelen der Tweedragt ondervonden. Onder hen wierd alles op 't hevigste getrokken, om dat hunne oogmerken doorgaans op eene algemeene omwenteling uitliepen; zo verdelgden zy elkanderen, zonder dat de gelukkigsten, die overgebleeven waren, iets anders dan hunne eigene vernedering uitgewerkt hadden.

Met de Steden was het wat beter gesteld. Zy wonnen vooreerst eenig voordeel door het uitgestrekter vermogen der Graaven, 't welk buiten 's Lands den Koophandel beschermde; zy wonnen ook by het verzwakken van den Adel, hoewel de nadeelen uit de vermeerdering van het Graaflyk bewind hierdoor geenszins konden geboet worden. Maar dit lighaam droeg in zynen boezem eene andere oorzaak van verwydering, die men eene onvolmaaktheid in het staatsgestel mag noemen. De Steden waren door geenen genoegzaamen band van gemeenschap vereenigd, door geene verpligting bepaald om elkanderen te ontzien. Elke Stad was zoveel als een Staat op zichzelven, die, zo hy 't geraaden vond, oorlog voeren mogt, of vrede sluiten, zonder zich aan het oordeel van de overigen te kreunen. Zy hielden wel Dagvaarten, maar overstemming had op haare vergaderingen geene plaats, en dewyl haare belangen zeer verschillende waren, gebeurde het dikwyls dat eene enkele stad zich afzonderde, en onzydig bleef, terwyl alles, wat

[p. 415]origineel

haar omringde, zich tot den oorlog begaf. Dit baarde noodzaakelyk mistrouwen en onmin onder de nabuurige Burgeryen, die daarenboven door de ongelykheid van Keuren en voorrechten reeds meer dan te veel tot afgunst geprikkeld wierden. 't Is zeer klaar dat de vreemde Graaven, volgens hunne grondregelen, geen belang stelden in de verbetering van dit gebrek; maar wonder is 't dat zy, die 'er aan kwynden, daar niet op toegelegd hebben. De liefde tot Vryheid was zo groot, dat men 'er vrywillig alles, wat anders heilzaam schynen mogt, aan opöfferde.

Zo stond het zaakelyk bewind dan steeds op losse schroeven; en 't was dit, dat men, myns oordeels, voor de verkiezing van Avennes had kunnen voorzien: maar men was waarschynlyk op dien tyd te driftig om de voorzigtigste keuze te doen. De inhuldiging van Avennes was niets anders dan een eerbewys aan de gedachtenis van Floris den V, wiens dood men wilde gewrooken zien. Hy, die wel wist dat zulk eene ontleende genegenheid niet langer kon duuren dan de driften, welker voldoening zy beoogde, rekte het verlangen zonder iets van belang uit te voeren, op dat men hem eindelyk uit gewoonte mogt beminnen. Maar het volgende voorbeeld bewyst wel wat het zou geweest zyn, zo de liefde des Volks tot het oude Hollandsche geslacht zyne belangen niet van ter zyden had onderschraagd. In 't laatste van zyn leven vielen de Vlaamingen in Holland en Zeeland, en hadden, door de onverschilligheid der landzaaten, reeds zo veele voordeelen behaald, dat men naauwlyks meer aan den Graaf van Henegouwen dacht. Wat gebeurt 'er? Witte van Haamstede, natuurlyke zoon van Graaf Floris, verroont zich slechts, en brengt zonder moeite de afgevallene steden wederom onder de gehoorzaamheid van

[p. 416]origineel

Avennes, zynen meester. Zo veel vermag de liefde des Volks, wanneer zy diep geworteld is, gelyk daarentegen niets op losser gronden steunt, dan deeze zelfde hartstogt, wanneer hy uit schielyke beweegingen by verrassing gebooren wordt. Was Avennes zelf in plaats van Haamstede gekomen, hy zou niets verricht hebben.

Nu zal het, myns bedunkens, niet onaangenaam zyn, dat wy op de bedryven der volgende Graaven kortelyk onze aandacht vesten, om deeze flaauwe schets door eenige luchtige hoogzels en diepzels wat op te helderen, waardoor men ligtelyk zal in staat gesteld worden, om nader over haare juistheid te oordeelen.

Onder Willem den III, zoon van Avennes, worden wy noch niets gewaar, dan een stil gemor, 't welk door vrees en mistrouwen bedwongen wordt. De Hollanders weigeren, den Graaf verder dan op hun eigen bodem te dienen, waardoor hem de Vlaamingen zelfs een gedeelte van Zeeland voor een poos afhandig maaken. In laatere togten volgen zy hem evenwel, maar met koele zinnen. Men klaagt aan alle kanten over schattingen en lasten: men weigertze zomtyds op te brengen, ten zy men 'er met geweld toe gedwongen worde. Het gesmoorde ongenoegen barst nu en dan in weêrwil uit, en mist zyn doel, by mangel van beleid. De steden wrokken tegen elkanderen, maar kennen de kwaal niet, waarvan zy bevangen zyn. De Graaf dempt met moeite deeze verdeeldheden; maar die droefgeestige verzoening is niets meer dan de kalmte van eenen beroerden dampkring. Men ontziet hem om zyne magt en aanzienlyke verbindtenissen, als Schoonvader van den Keizer en den Koning van Engeland, en gehuwd aan de Zuster des Konings van Vrankryk, Maar schoon zyne wapenen Vriesland bemagtigen, schoon hy ook, in 't midden van

[p. 417]origineel

zyne Vorstelyke vermaaken, de belangen van den Koophandel niet uit het oog verliest, niemand bemint hem, om dat hy aangemerkt wordt als een vreemdeling, die Henegouwen uit den voorraad van Holland spyst.

Hy sterft eindelyk, terwyl het vuur van tweedragt noch onder de assche smeult, en Willem de IV. mengt zich, volgens de jongste oogmerken van zynen krygszuchtigen Vader, in de onlusten tusschen Engeland en Vrankryk, die weinig of niets gemeen hebben met de welvaart van het Land. Wat laater trekt deeze jonge Graaf met de Duitsche Ridders, als ter liefde van het Christelyk Geloof, tegen de Lithauwers op, om door overwinningen zynen naam beroemd te maaken; maar hy keert eindelyk onverrichter zaake te rug. In plaats van toen het oog te slaan op zyne verwaarloosde staatzaaken, ging hy Utrecht belegeren, daar vierhonderd Burgers blootshoofds en barrevoets om vergiffenis moesten smeeken voor de zwaare misdaad van hunnen Bisschop, Jan van Arkel, die, buiten 's Lands eens reis willende doen, de Regeering geduurende zyne afweezigheid zynen Broeder had aanbevolen, zonder te kunnen begrypen dat onze Graaf zich hierdoor gevoelig zou beleedigd achten. Straks daarna begeeft hy zich over zee naar de wederspannige Vriezen, doet eene landing by Staveren, en sneuvelt in het eerste gevecht, als een zoenoffer van de Vryheid, hun door zynen Vader met zo veel roems ontweldigd. Dus geduurig door zyne veldtogten onledig gehouden, was het hem onmogelyk geweest, de toeneemende verwarringen der burgerlyke Regeering eenigzins te hervormen. De gevolgen van dat verzuim openbaarden zich onder zyne Opvolgers meer en meer.

De Keizer maatigde zich het recht aan van zyne Ge-

[p. 418]origineel

maalin Margareet in het gebied te stellen, vermits de Graaf, haar Broeder, geene kinderen naliet. Zy wierd aangenomen, om dat zy inderdaad zyn naaste erfgenaam was, hoewel niet zonder zwaarigheid van de zyde der Engelschen, welker Koningin ook eene Zuster van Graaf Willem was: maar deeze, jonger zynde, moest daarom wyken, behalve dat men hier ook in 't algemeen tot Engeland geenszins overhelde. Nu wierden de langgevreesde onheilen vermenigvuldigd en opeengepakt, om in een onweêr uit te barsten, daar al het omgelegen Land van dreunen en daveren zou. Zy openden, door de tweespalt der Hoekschen en Kabbeljaauwschen, eenen jammerpoel, die in twee eeuwen naauwlyks heeft kunnen gedempt worden. Dat beklaaglyk voorbeeld van beroerte en burgerkrygen ontluistert niet weinig onze Geschiedenissen; maar het leert ons metéén de verbasteringen, waarvoor het zachtmoedigste en bezadigdste Volk des aardbodems vatbaar is, wanneer het door zwakke handen gebreideld, of liever, zonder tucht en toom, aan zyne eigene wysheid overgelaaten wordt.

Hoewel men onder de voorgaande Graaven noch nooit eene Vrouw geteld had, dan Ada, die weinig in aanmerking komt, echter was men niet altoos afkeerig geweest van de Vrouwelyke Regeering. Geertruid, en Petronella van Saxen, hadden de Voogdy gehad over haare minderjaarige zoonen, Dirk den V, en Dirk den VI, tot algemeen genoegen van het Volk. Toen Holland onder Geertruid door den zoon des Graaven van Vlaanderen wierd overvallen, bewilligde men zelfs in haar huwelyk met deezen vyand, zonder te morren over de onmagt van het vrouwelyk bestier. Zo veel vermogt in die tyden de liefde tot het Graaflyk geslacht, dat vreem-

[p. 419]origineel

de Prinsessen, met hetzelve door echtverbindtenis vereenigd, terstond als inboorlingen wierden aangemerkt, hetwelk genoeg was om met geduld eenige zwakheden in te schikken. Maar toen de kleindochter van Avennes uit Duitschland kwam om hier te regeeren, vond zy, in weêrwil der Keizerlyke achtbaarheid, die toegeevende neigingen niet. De liefde voor het huis van Henegouwen had haare wortelen niet diep genoeg geschooten, om tegen alle de overige driften, die elk op zyne wyze gehoor gaf, in vergelyking te staan; en de zaaden van onmin en beroerte, zo rykelyk onder haare Voorzaaten verspreid, schooten nu weelig aan alle kanten op. Vrouw Margareet achtte zich verpligt, aan elke Stad, die haar inhuldigde, verscheide voorrechten af te staan, om door goedertierenheid de gunst der Burgeryen te winnen, 't geen echter niet naar wensch gelukte. 't Was ook in haare omstandigheden niet staatkundig gehandeld, dewyl iedere weldaad, die zy eene byzondere Stad bewees, in dien ongerusten staat van het Gemeenebest, de verpligting om de overige Steden insgelyks te bevoordeelen vermenigvuldigde. Zy verviel in den haat van veelen, om dat het onmogelyk was die verpligting te vervullen; en de poogingen, welke zy daartoe aanwendde, bragten niets voort, dan eenen blaam van lafheid, waardoor zy de vruchten van haare hoogste en oprechtste gunstbewyzen verloor. Maar de Ingezetenen wierden noch meer van haar vervreemd, toen zy, onmiddellyk na haare inhuldiging, naar Beieren vertrok, en haaren Zoon Willem last gaf om haare plaats te bekleeden.

Deeze jonge Hertog verzuimde niets om zich bemind te maaken; maar zulks geschiedde uit heimelyke oogmerken, ten koste van zyne Moeder. 't Was hem niet genoeg

[p. 420]origineel

haar Stedehouder te zyn: hy wilde haar uit het gebied verstooten, en het op zyn eigen naam als Graaf aanvaarden. Veele Edelen begaven zich op zyne zyde; doch dewyl deeze onrechtvaardigheid te groot was om van allen goedgekeurd te worden, verklaarden zich veele anderen voor hunne wettige Vorstin. Naauwlyks bleef'er iemand onzydig, naardien men overalgreetig de gelegenheid tot eene algemeene scheuring aangreep, wegens den byzonderen wrok, dien veelen, sederd langen tyd, uit verschillende inzigten tegen elkanderen hadden opgevat. Het overlyden van den Keizer was de leus der wederspannigheid voor Hertog Willem, die het inderdaad daartoe bragt, dat zyne Moeder haar zegel hing aan zyne onbillyke voorslagen, hem in haare plaats tot het Graaflyk gezag verhief, en alleenlyk Henegouwen voor zich behield, benevens een jaargeld, overeenkomstig met haaren staat, hetwelk hy beloofde uit zyne inkomsten te betaalen. Doch die ondankbaare Zoon sloeg deeze verpligting ook in den wind, waardoor Vrouw Margareet eerlang genoodzaakt wierd op nieuw naar Holland te keeren, om zich door dwang te verzekeren van haar onbetwistbaar recht, en hem wederom tot gehoorzaamheid te brengen. Dit gelukte in den eersten opslag; maar hiermede was het vuur ontsteeken. Willem, dus smaadelyk zyne grootsche ontwerpen verydeld ziende, kon dien hoon niet verkroppen, maar nam het heilloos besluit van zyne Moeder met geweld uit Holland te verjaagen. Zyne vrienden, die hem daartoe behulpzaam waren, noemden zich uit hoogmoed, Kabbeljaauwschen, om by den Kabbeljaauw, die in Zee, aan onze kusten, over andere visschen den meester speelt, vergeleeken te worden. Het zinnebeeld van den Hoek, die, een gering werktuig zynde, deezen geweldigen visch

[p. 421]origineel

verschalkt, behaagde hunnen tegenstreeveren, die daarom Hoekschen genaamd wierden. De eersten droegen, om zich te onderscheiden, eenen graauwen, de anderen eenen rooden hoed. 't Is ongelooflyk wat zulke tekenen op een volk uitwerken. Men heeft schier altoos gezien dat zy jammerlyke voorboden waren van eene algemeene verwoesting. 't Ging hier eveneens. Beide partyen schooten straks het harnas aan, en Holland wierd het akelig tooneel van eenen Burgerkryg, wiens gedachtenis noch het hair te berge doet ryzen.

Zeventien adelyke sloten zag men in den eersten aanval slechten. Het Buskruid, voorheen in deeze Landen noch onbekend, wierd tot dat gebruik voor 't eerst gebezigd, en gaf door zyne nieuwigheid de woede scherper prikkelen, waarop zy zich als een loopend vuur verspreidde. De brand sloeg schielyk tot Utrecht en Gelderland voort, welk laatste Gewest door eenen broedertwist, ruim zo snood als het beginzel der Hollandsche partyschappen, in Hekerens en Bronkhorsten wierd verdeeld. De Schieringers en Vetkoopers stelden Vriesland in rep en roer, en aan den anderen kant wierd Vlaanderen welhaast door eene gelyke raazerny gedreeven. De Stad Gent, altoos gereed om de brandklok te doen kleppen, stond openlyk op tegen haaren Graaf.

Vrouw Margareet, boven den bystand van haare Henegouwers en Zeeuwen, met Engelsche hulp gesterkt, triomfeerde vruchteloos by de eerste ontmoeting. Zy wierd naderhand geslagen, en vond zich genoodzaakt alles af te staan, dewyl de meeste Hollandsche Steden Kabbeljaauwschgezind waren; waaruit men ziet hoe weinig zy met haare toegeevendheid, in het verleenen van voorrechten, gewonnen had. Het hartzeer van deeze ne-

[p. 422]origineel

derlaag sleepte haar eerlang in 't graf, en Hertog Willem, die nu naar wensch alle zyne oogmerken scheen bereikt te hebben, wierd met krankzinnigheid geslagen. Nieuwe stof tot onlusten. De Kabbeljaauwschen, te vooren zo af keerig van het vrouwelyk bewind, wilden Machteld van Lankaster, Gemaalin van Hertog Willem, in de Voogdy stellen. Maar tegen hunnen dank haalde de de Hoekschen Albrecht van Beieren in, onder den naam van Ruwaard; met meerder schyn van recht, om dat hy te vooren reeds tot opvolger van zynen Broeder, zo die zonder kinderen overleed, benoemd was. Doch de Hoekschen begreepen ook wel dat Hertog Albrecht, in weêrwil der Kabbeljaauwschen door hen tot de Voogdy bevorderd, noodzaakelyk hunne zyde moest kiezen. Hy deed het volgens hunne verwachting in den eersten opslag; maar op eene onbezonnene wyze, en vergat niettemin in 't kort zyne verpligtingen, om, ter liefde van eene looze Byzit, de party, die hy eerst gekoozen had, in alles te onderdrukken.

Het voorgevallene onder Hertog Albrecht bewyst ons zeer klaar, dat een vreemdeling, onkundig van den staat des Lands, van de wetten en gewoonten, en noch meer van den aard der inwooneren, daarenboven te vorstelyk opgevoed om eenen vryen Staat te bestieren, duizend misslagen begaat, die eindelyk hemzelf, zo wel als zyn Volk, ongelukkig maaken. Doch wy moeten ook niet ontveinzen dat deeze Vorst noch in dapperheid, noch in kloekheid van verstand, uitmuntte. Zyne eerste dooling was het veranderen van de Wethouders in de Steden, die te veel naar de Kabbeljaauwsche zyde overhelden; gelyk mede het afzetten van den Baljuw van Kennemerland, om eenen Hoekschgezinden in zyne plaats te stel-

[p. 423]origineel

len. Deeze nieuwigheden wierden voor wetteloos en onverdraaglyk gehouden, en 't scheelde weinig of de nieuwe Baljuw zou door eenig Volk, dat zich in eene hinderlaag had geplaatst, toen hy kwam om bezit te neemen van zyn ampt, om 't leven gebragt zyn. De Stad Delft was de moedigste van allen om den Hertog tegenstand te bieden, en in haare Overheden geene verandering te gedoogen. Hy bereikte daar zyn oogmerk niet, dan na een beleg van tien weeken, waardoor zy eindelyk gedwongen wierd hem te gehoorzaamen. Maar dit was zekerlyk geen fraai begin; en had de Hertog den landaard gekend, hy zou den tyd wat beter in acht genomen hebben. Het volgend gedrag van de Hollanders heeft hem wel overtuigd dat hy zich door die geweldige maatregelen niets minder dan geducht gemaakt hadde. Zy wilden hem geenszins vergunnen, voor het overlyden van zynen Broeder, den titel van Graaf te voeren, hoe ernstig hy daarop aanhield. Toen hy te Delft een Kasteel wilde stichten, wist men hem zulks, Overwinnaar als hy was, te beletten. Toen de Vlaamingen tegen hunnen Graaf de wapenen hadden opgevat, hebben de Hollanders openlyk, onaangezien het uitdrukkelyk verbod van Hertog Albrecht, de Stad Gent ondersteund. Hy, die begonnen was met de voorrechten der Steden te besnoeien, bragt zichzelf eerlang in het geval van uit behoeftigheid alles te moeten toestaan wat zy eischten; want hy was onbekwaam om zyne eigene rekening te maaken, en 'er kon geen gebrek zyn, dat in Holland nadeeliger waare voor zyne achting. Mogelyk is dit ook eene gewigtige reden geweest, die hem bewoogen heeft om de Hoekschen, welke hy had groot gemaakt, te laaten vaaren, vermits de Steden veelal Kabbeljaauwsch waren. Wederom een bewys van het aanzien der Steden.

[p. 424]origineel

De Hertog begunstigde dan de Kabbeljaauwschen uit belang; maar op nieuw met dezelfde roekeloosheid, die hem eigen was. Otto van Arkel, een Kabbeljaauwsch Heer, aan eenen manslag schuldig, kwam met eenen drom van gewapende mannen vergiffenis van hem verzoeken, en verwierfze niet alleen, maar won ook zyne vriendschap en bescherming. Jan van Arkel, zyn Zoon, tot Stadhouder en Rentmeester aangesteld, weigerde na eenige jaaren rekenschap van zyne bediening te geeven, schoon men hem met de wapenen daartoe poogde te dwingen. Aleid van Poelgeest, eene Jongvrouw van Kabbeljaauwschen bloede, won des Hertogs liefde zo verre, dat hy zich geheelenal liet verblinden. Maar de Hoekschen, daarop met zynen Zoon te zamengespannen zynde, vermoordden Aleid, om zich aan Albrecht te wreeken, die, te zwak van geest om dit misdryf door eene billyke rechtspleeging te straffen, zich gelukkig achtte, dat vierenvyftig Edelen uit mistrouwen hun Vaderland verlieten.

't Was een groot vergryp dat hy in zyne tegenwoordige vrienden altoos een onbepaald vertrouwen stelde, terwyl zy, zyne omstandigheid kennende, hem door kwaaden raad in menig doolhof voerden, op dat hunne hulp altoos noodzaakelyk mogt blyven. Door verregaande eenzydigheid, eerst tegen de Kabbeljaauwschen, en naderhand tegen de Hoekschen, verzwakte hy het lighaam van den Adel zo veel, dat hy zichzelf afhangklyk maakte van de Steden. Want ditzelfde, dat voor een ander misschien zeer voordeelig zou geweest zyn, was voor hem verderflyk, om dat hy, zonder behulp van den Adel, by de Steden zyne achtbaarheid niet kon staande houden. Hy liet zich wat laater, met gelyke dwaasheid, door de Kabbeljaauwschen tegen zynen Zoon in 't harnas

[p. 425]origineel

voeren. 't Is waar dat Willem deel had aan den moord van Aleid; maar de Hertog moest begreepen hebben dat zy deeze billyke beschuldiging slechts gebruikten tot een middel, om verdeeldheid te zaaien tusschen Vader en Zoon, en dat hy in den aanvang verzuimd had dit feit behoorlyk te straffen, toen hy uit de medepligtigen, volgens eene gebruikelyke staatkunde, alleenlyk de gevaarlykste vyanden van zyn Huis had moeten uitkippen, om 'er zich van te ontslaan, en de overigen, te gelyk met zynen Zoon, door schrik in toom te houden. Eindelyk evenwel, eenen togt tegen de Vriezen ondernomen hebbende, 't zy dat hy zich ook door zyne vleiers hiertoe had laaten vervoeren, 't zy dat hem van zelfs eene ontydige eerzucht bevangen had, moest hy zich met Willem verzoenen; en 't scheen als of hem 't geluk nu beter dienen zou: doch dit was ydele vertooning, en niets meer. De Vriezen moesten zich voor korten tyd onderwerpen; maar hun Overwinnaar vond zich door deeze onderneeming met zo veel schulden bezwaard, dat hy overal, daar hem 't gebieden voegde, verpligt was te gehoorzaamen. De overwonnenen herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjaagen der vyandlyke bezetting; maar het verlies van den Overwinnaar was onherstelbaar. Na zyne dood wierd zyn boedel door zyne Weduw met den voet gestooten, waartoe zy zich dezelfde onaangenaame plegtigheden moest getroosten, die een gemeen Burger in zulke gevallen onderging. Men zag de Hertogin voor de lykbaar van haaren doorluchtigen Gemaal uitgaan, in geleende kleederen, met eenen halm in de hand, dien zy wegwierp, onder de vernederen betuiging van zyne gansche Nalaatenschap te verzaaken. Een hoon, waarvan de voorige Hollanders hunne Graaven van Vaderlandschen Huize buiten twyffel zouden verschoond hebben.

[p. 426]origineel

De ongeregeldheden der voorgaande Regeering gebrekkig te hervormen, nieuwe te verwekken door de bevordering der Hoekschen, het huis van Arkel te vernederen, Vriesland te verliezen, zyne Dochter aan den Hertog van Touraine, naderhand Daufyn van Vrankryk, uit te trouwen, zich aan het Fransche Hof in gevaar te stellen voor den Hertog van Bourgondië, terwyl zyne eigene zaaken binnen 's Lands verliepen: Ziedaar de bedryven van Willem den VI, die zynen Vader in dapperheid en moed te boven ging, maar door uitgestrekter heerschzucht, indien hy langer geleefd had, naar allen schyn grooter mislagen zou hebben begaan. In Vrankryk was de Regeering, door de krankzinnigheid des Konings, tot zulk een onzekeren staat gebragt, dat het niet anders dan roekeloosheid kon genoemd worden, zich buiten noodzaakelykheid in dien maalstroom te begeeven. Maar Hertog Willem was door 't huwelyk vermaagschapt met den Hertog van Bourgondië, die, om tot het bewind te geraaken, zelf den Hertog van Orleans had om het leven gebragt; en zyn Schoonzoon was Daufyn. Wie zou tegen zulke redenen iets inbrengen? Ondertusschen bewyst dit voorbeeld dat een Vorst zo wel zichzelf, als zyn Land, kan bederven, door verbindtenissen, die te hoog zyn, om van zynen kant door eene evenredige maagt ondersteund te worden. De Hertog begaf zich naar het Fransche Hof, met zynen Schoonzoon, die 'er het leven liet, terwyl hy zelf niet dan met groote moeite 't gevaar ontkwam.

Hy stierf niet lang daarna, hebbende dertien jaaren geregeerd, en, in weêrwil van zyne tegenstreevers, noch van de meeste Edelen en Steden de belofte verworven, dat zy zyne Dochter, reeds Weduw in haare tedere jeugd, als Graavin van Holland en Zeeland zouden erkennen. Ydele voorzorgen. Deeze Vorstin is, na ontelbaare we-

[p. 427]origineel

der waardigheden, tot de uiterste vernedering gedaald; en de binnenlandsche beroerten, die, tot op deezen tyd, noch altoos met eene voordeelige uitkomst voor de Vryheid waren afgeloopen, zyn voor dat geheiligd pand weinig minder dan doodelyk geworden.

Gevoelige zielen hebben altyd zo diep gedeeld in het lot van Vrouw Jakoba, dat haare gedachtenis op alle Vaderlandsche tongen zweeft, zo gemeenzaam als of zy kort voor onzen tyd geleefd hadde. Men voerde haar, toen Amsterdam noch roemen mogt op zynen prachtigen Schouwburg, voor ieders oogen ten tooneele. Daar was 't een edel vermaak voor alle braaven, haare ongelukken te betreuren, haare zwakheden te verschoonen, haare moedige deugden, in een al te teder hart geplaatst, te pryzen en te beklaagen. Dus vindt men naauwlyks iemand onder onze Nederlanders, dien de Geschiedenissen van haaren tyd onbekend zyn. 't Waar' dan noodelooze moeite, de listen van haaren Oom, den Bisschop van Luik, de laf heid van haaren tweeden Gemaal, den Hertog van Braband, de heerschzucht van haaren Neef, den Hertog van Bourgondië, haare onvoorzigtige reis naar Engeland, haar huwelyk met den Hertog van Glochester, die niets anders bedoelde dan het gezag op haaren naam te bekomen, en eindelyk haare tedere liefde voor van Borselen, waaraan zy, om niet meer tegen de Fortuin te worstelen, haare Staaten opgeofferd heeft, omstandig te ontvouwen. Ik wil my liever bepaalen tot eenige weinige aanmerkingen noopens haare betrekkingen tot den staat des Lands, en deszelfs invloed op haare wederwaardigheden; waaromtrent ik meen te mogen zeggen, dat het Volk nimmer zyne gewigtigste belangen zo blindeling verwaarloosd heeft, als ten haaren opzigte.

In langduurige verdeeldheden, die zich over het gan-

[p. 428]origineel

sche lighaam van eenen Staat uitstrekken, ziet men dikwyls dat de party, welke eenigen tyd onderdrukt geweest is, by de eerste gunstige gelegenheid om zich op nieuw te verheffen, eene volkomene omwenteling veroorzaakt. 't Schynt dat ontelbaare werktuigen, die zo lang nutteloos hebben moeren rusten, evenwel in dien tyd te zamengekoppeld zyn, om, door een enkel beweegrad, allen te gelyk gedreeven te worden. Dus waren de Hoekschen, toen Hertog Willem de V. van zyne kwaal overvallen wierd, uit hunne schuilhoeken te voorschyn gekomen, om alles te bepaalen naar hunnen wil. Nu deeden de Kabbeljaauwschen, die onder Willem den VI. hadden stil gezeten, het zelfde, op het eerste oogenblik, 't welk hun eenige ruimte gaf, om zyne Dochter het geleeden ongelyk betaald te zetten. De looze Bisschop van Luik had schoon spel met het bestieren deeze dommekrachten, die zich aan zyne staatzucht opofferden, zonder te begrypen waar zy toe gebruikt wierden.

Het was 'er ook verre af, dat de Hoekschen zich voor haar in de bresse stelden met dien vuurigen yver, dien men van nooden heeft, om groote zaaken uit te voeren. De Plaatsen, daar Jan van Beieren zich voor vertoonde, verweerden zich flaauw, en luisterden naar de vleiende belofte van voorrechten en gunstbrieven. De Stad Leiden had zich ter liefde van Jakoba laaten belegeren, Zy gaf zich, na een korten tegenstand, over, om, volgens het voorstel des belegeraars, van haaren Burggraaf ontslagen, en met de Graaflykheid vereenigd te worden. In zommige ontmoetingen hebben de Hoekschen getriomfeerd; maar de nederlaagen bragten hun altoos dubbele schade toe, zo dat de voornaamste steden zich welhaast openlyk verklaarden voor den Geweldenaar, dien zy al-

[p. 429]origineel

les moesten ontzeid hebben. Van waar deeze vervoering? 't Schynt een trek te zyn, waaruit wy de blindheid des Volks kunnen afneemen, dat de kleinachting, welke men Jan van Braband wegens zyne laf heid billyk toedroeg, op de onbillykste wyze tot Jakoba overging, schoon men wist dat zy den besten Gemaal waardig, en met deezen onwillig verbonden was. Zodra deeze kleinachting in afkeer veranderd was, moest haars Vaders Broeder, het kostte wat het wilde, regeeren. De Brabanders hadden den Broeder van Hertog Jan over hem gesteld; het zou dan onverdraaglyk geweest zyn zyne bevelen hier te gehoorzamen, en wat zyne Gemaalin betrof, die mogt zich des getroosten. Maar 't ergste was, dat men op het voorbeeld der kikvorschen in de Fabel, den balk verachtende, zich eene waterslang op den hals haalde. Zo laat het Volk zich slingeren door onbedachte gevoelens. Zyne staatkunde, indien een weefzel van harssenschimmen dien naam verdient, is eene gansch andere zaak dan de staatkunde der Grooten. Het Volk bedoelt altoos zyne tegenwoordige belangen; het weet niets van verre te voorzien; het twyffelt niet; het werkt uit liefde of afkeer, en offert 'er zyn wezenlyk geluk aan op, zodra hetzelve, op eenige tusschenwydte geplaatst zynde, niet onmiddellyk in ieders oogen schittert. Het is wel vastkleevende aan zyne vooroordeelen, maar ook ligtgeloovig tot blindheid toe, en daardoor wispeltuurig in zyne begeerten. Dus werpt het zich van zelfs in de strikken van een ieder die behendig genoeg is om een gepast lokaas uit te vinden; en dit valt zelden moeilyk, dewyl de menigte haar zwak geen oogenblik ontveinzen kan. Op geene andere wyze is het, myns oordeels, te begrypen, hoe vrye Burgers, die reeds geleerd hadden wat het inhad eenen vreemden Heer te gehoorzaa-

[p. 430]origineel

men, zich konden overgeeven aan den heerschzuchtigen verleider, die zo klaar getoond had dat hy, als het tyd was om zyne magt uit te breiden, noch rechten, noch betrekkingen, ontzag; die, tot Bisschop van Luik verkooren, den Geestelyken Staat had vaarwel gezegd, om hier te heerschen, en het Leenrecht deezer Landen, 't welk, zo niet by de voorgaande Graaven, ten minsten by het Volk, volgens een oud zeggen, geoordeeld wierd aan God en de Zon te behooren, aan den Keizer had verpand, om zyne onrechtvaardige eischen eenen glimp te geeven.

Toen Jakoba haar ongeluk besefte, beging zy minslagen. 't Is zeer natuurlyk dat ongelukkigen, die met eene levendige verbeelding begaafd zyn, en geene ondervinding hebben, op een dwaalweg hunne behoudenis zoeken. Steelswyze naar Engeland over te sleeken, zich daar te verbinden met den Hertog van Glochester, en de ontbinding van haar wettig Huwelyk te verzoeken van een afgezetten Paus; alle deeze onderneemingen van een moedig maar verbysterd hart moesten, ik beken het, een iegelyk mishaagen. Maar wierd zy niet genoeg gestraft, toen Jan van Beieren hieruit aanleiding nam, om, als verdeediger van haaren Gemaal, zich alle haare eigendommen aan te maatigen; toen zy, herwaard gekomen om hem het hoofd te bieden, zo laf hartig van Glochester wierd verlaaten; toen zy te Bergen in verzekering genomen, en van daar naar Gent vervoerd wierd, om, als eene gevangene, door den Hertog van Bourgondië bewaard te worden? Zy ontvlugtte dien kerker noch ternaauwer nood, maar vond bezwaarlyk eenige vrienden, die moeds genoeg hadden om haar eene schuilplaats te verkenen. Hertog Filips, na dat Jan van Beieren overleeden was, door hem by uitersten wille begiftigd met al het recht, dat hy waande op deeze Landen te

[p. 431]origineel

hebben, liet Jan van Braband op nieuw tot Graaf inhuldigen, noemde zichzelf Ruwaard, en stelde noch, om zynen slag wis te neemen, eenen stedehouder aan, die van zyne wenken vloog. Wat al Heeren in eenen vryen Staat!

Vrouw Jakoba, tegen deeze onrechtvaardigheden noch eene uiterste pooging willende doen, wist de Hoekschen wederom aan 't snoer te krygen. Zy ondersteunden haar, en wonnen eenige veldslagen; maar het eerste verlies dat men leed, by Hoorn, maakte, gelyk te vooren, haare zaaken onherstelbaar. Een ieder weet de gevolgen, en moet, indien hy ze overweegt, verbaasd staan dat de Hollanders toen noch zo weinig op hunne hoede geweest zyn tegen den dwang der Bourgondische Regeering, die zich reeds in veele schikkingen van naby vertoonde. Men wil dat Jakoba zich by veelen haatelyk gemaakt hebbe, door het doodvonnis van een Hoornschen Burger, die met een onvoorzigtig woord, hoewel zonder kwaade meening gesproken, haar gehoond had. Hy, te Gouda haar ziende, en begaan met haare rampen, had gezegd: Het waar' schande dat men zulk eene schoone Vrouw zo verachtelyk heen en weder sleurde, gelyk eene openhaare Hoer. Dit kostte hem den hals, en zulks was, volgens het gemeene gevoelen, oorzaak dat de Stad Hoorn, benevens een groot deel van Westfriesland, van haar afviel, om zich onder het juk van Filips te begeeven. Komt dat verhaal met de waarheid overeen, zo heeft Jakoba zich buiten twyffel zeer vergreepen; maar deeze handelingen van het Volk gelyken vry wel naar het gebruik der Japonneezen, die, gelyk de Reizigers verhaalen, wanneer zy op een ander verstoord zyn, zichzelven den buik opryten.

De kwaal, die onder de Henegouwsche en Beiersche

[p. 432]origineel

Heeren fel genoeg haare woede had getoond, scheen ongeneeslyk te zullen worden onder de Bourgondische Regeering. Men spoedde met snelle schreeden naar de slaaverny, en schoon men 't zag, het was te laat om 'er in te voorzien. Het vermogen van Hertog Filips, en van zynen Zoon, Karel den Stouten, wies geduurig aan, terwyl hunne afweezigheid, hunne buitenlandsche belangen, en de Regeering der Stedehouders, die niemand hier vergenoegde, duizend verwarringen en misbruiken baarden, die telkens ten koste van de Vryheid gesmoord wierden. Braband en Vlaanderen, door erfrecht mede aan Filips vervallen zynde, wierden, zo wel als Artois, Luxemburg, Namen, en Henegouwen, op geene andere wyze met Holland en Zeeland vereenigd, dan om elkanderen te belemmeren, byna gelyk men zich gevangen verbeeldt, die rug aan rug gekneveld zyn; hetwelk door de afgunst der wederzydsche Landzaaten vooreerst niet ongemaklyk viel te doen. De Stoel van Utrecht wierd eerlang bezet door David van Bourgondië, des Hertogs natuurlyken Zoon, die de heerschzuchtige oogmerken van zynen Vader in alles behulpzaam was, en na deszelfs overlyden ook de Groningers aan zyn gezag wist te verbinden. Deeze uitgestrekte bezittingen wierden vervolgens onder Karel den Stouten vergroot met Gelderland en Zutsen; zo dat schier alle de Nederlanden onder éénen geweldigen Heer gebragt wierden, behalve Vriesland, hetwelk, door de verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers niet minder dan zyne Nabuuren geteisterd, evenwel de aanslagen, welke men tegen zyne vryheid smeedde, door 's Keizers tusschenkomst noch gelukkig wist te verydelen. 't Scheelde dan weinig, of de Nederlanden moesten aangemerkt worden als wingewesten van Bour-

[p. 433]origineel

gondië; en Hertog Karel zou niets verzuimd hebben om de zaaken tot dat uiterste te brengen, indien 't hem, volgens zynen wensch, gelukt waare de Koningklyke kroon op het hoofd te zetten. Eene spoedige dood voorkwam de rampen, welke hy niet alleen zynen Onderdaanen, maar zelfs geheel Europa, bereidde.

De heerschzucht van deeze beide Hertogen was byna gelyk; maar hunne byzondere geaardheden verschilden hemelsbreedte. Filips wist te veinzen, te streelen eer hy stak, en zyne ongenade met een schyn van recht te bekleeden; Karel dreef alles met hevigheid en dwang. Beide drukten zy het volk door zwaare Beden. Maar Filips, tot gemak en wellust genegen, was noch te vergenoegen wanneer men hem de middelen tot zyne prachtige Hofhouding verschafte; en schoon hy zomtyds voorgaf zwaare Krygstogten te willen onderneemen, hy stelde, door het bevorderen der Vrede, zyn Volk in staat om iets meer op te brengen. Karel, wiens oorlogszucht geene paalen kende, had al den rykdom van Braband, Vlaanderen, en Holland, van nooden, en ontzag niets om 'er zich meester van te maaken, terwyl de schrik zyner wapenen alle welvaart in haare bronnen stremde. Hy voerde belastingen en Excynzen in, waarvan men nimmer had hooren spreeken, ja liet zelfs het goud en zilver der Geestelykheid, haare geliefdste heiligdommen, niet onaangeroerd. De onlusten, die noodzaakelyk hieruit volgden, stilde hy met het zwaard, en joeg zo veele koppen over de kling, als hem in 't licht stonden. Filips, by den aanvang zyner Regeering, de tweedragt der Hoekschen en Kabbeljaauwschen tot zyn voordeel gebruikende, verkoos eenen middelweg, waarop noch niemand der Graaven voor hem was bedacht geweest. Hy gaf

[p. 434]origineel

beide partyen ruimte om eenigen tyd te worstelen, tot dat zy, elkanderen de wieken gefnuikt hebbende, tot hem, als eenen onzydigen Middelaar, hunne toevlugt moesten neemen. Men ziet in dat gedrag ten minsten beleid en staatkunde; maar in de handelingen van Karel, hoe men ze beschouwe, straalt niets dan willekeur en wreedheid door. Het Gerechtshof, door Filips ingesteld, by 't verdrag dat hy als Ruwaard met Jakoba sloot, was ten minsten noch in den Haage geplaatst, waardoor de goede Hollanders gehandhaafd wierden by hun oud voorrecht, van niet buiten hunne paalen in rechten te kunnen betrokken worden. Alleenlyk was het eene kunstgreep, welke noch eenigzins verdraaglyk schynen mogt, dat de Hertog den Raad van deeze Vierschaar gedeeltelyk uit vreemdelingen deed bestaan. Maar Karel, reeds by het leven van zynen Vader, als Stadhouder, het strengste recht hier geoeffend hebbende, bragt vervolgens, toen hy zelf regeerde, dat Hof naar Mechelen over, om recht en reden naar zynen onbepaalden wil te kreuken, en speelde dus in 't openbaar den dwingeland, die in zyns Vaders gedrag altoos genoeg vermomd gebleeven was, om toe te laaten dat hy met deezen heerlyken naam, Filips de Goede, pronkte.

Dus volbragt het geweld het geen de list begonnen had, en de Hollandsche Vryheid scheen weinig meer te zyn dan een ydele klank. Ik ontken niet dat zulke onderdrukkingen, als men van Hertog Karel te lyden had, zelden de gevaarlykste zyn; en hy zou dit naar allen schyn ondervonden hebben, zo het oorlogslot, dat hem eindelyk tegenliep, zyn leven had gespaard. Maar hy bleef, ten aanzien van deeze Regeering, zolang hy leefde, door zyn geluk op het voordeeligste geplaatst, en be-

[p. 435]origineel

hoefde slechts den weg op te streeven, die voor hem gebaand was. Ook bevonden de Hollanders zich in een tydgewricht, het welk hun niet vergunde zich tot staatgeschillen te verledigen. De Edelen hadden hun eigen vermogen geknakt; de steden waren wel in magt en rykdom toegenomen; maar derzelver Regeering was sederd lang zeer onstuimig geweest. De Koophandel moest nu, meer dan te vooren, door de wapenen ondersteund worden, inzonderheid tegen de Oosterlingen; en de nabuurige Gewesten hadden, schoon zy door den Hertog eveneens gekweld wierden, noch den onderlingen wrok niet afgelegd. 't Waren misschien de Gentenaars alleen, die verder zagen, en uit het leed, dat anderen trof, hun eigen lot wisten te voorspellen.

Welk eene verandering onder Maria! Naauwlyks was de maare van Karels nederlaag en dood bevestigd geworden, of eene nieuwe zucht tot vryheid verhief zich, levendiger dan ooit voorheen, in alle gemoederen. Men dacht met schaamte en verontwaardiging aan de voorleede tyden, en men zag met schrik vooruit. Men kende nu, door eene zekere ondervinding, de oorzaak der misbruiken, die zonder de ernstigste voorzorg welhaast onverwinlyk zouden zyn. De Reden kreeg voor den eersten maal gehoor, en het gemeen belang wierd, zelfs aan de zyde der Kabbeljaauwschen, boven byzon dere inzigten gesteld. Toen zweeg de Tweedragt voor eene poos, en men stelde zich niet gerust voor dat men tot de nieuwe Regeering de heilzaamste maatregelen had beraamd, die ooit het geluk van een wys en moedig Volk kunnen beveiligen. Men wist inderdaad zulke maatregelen te ontwerpen en in te voeren; maar om ze genoegzaam te bekrachtigen, moest men, gelyk wy te vooren reeds aangemerkt heb-

[p. 436]origineel

ben, zich hebben kunnen behoeden voor de Oppermagt van vreemde Heeren. Nu is ten minsten dat ontwerp eene voorbereiding geweest, om de volgende eeuw tot gewigtiger bedryven te noopen. Vlaanderen was het voornaamste Gewest dat ten dien einde de poogingen van Holland en Zeeland ondersteunde, weinig denkende, dat het ook naderhand voor anderen in 't spits zou moeten staan, en zelf van de zoetste vruchten dier onderneeming versteeken blyven.

Wy leeren uit deeze omwenteling hoedaanig het onderscheid zy tusschen vrye volkeren, en natuurlyke slaaven. Een volk, dat nimmer de vryheid heeft gekend, is niet bekwaam om ze te genieten, en wordt door verdrukking terstond flaauwmoedig en laf: een vryheidlievend Volk kan insgelyks verdrukt en overweldigd worden; maar het herstelt zich vroeg of laat, om dat het altoos edele zaaden in zynen boezem kweekt. De Deugd, die het beginzel is van vrye Maatschappyen, kan zich in een overheerden Burgerstaat wel haatelyk maaken, maar niet, gelyk onder eenen ry van Alleenheerschers, door valsche denkbeelden van eer en schande, haare achtbaarheid verliezen. Eer en Deugd zyn by een vryheidlievend Volk onafscheidelyke denkbeelden, en de verhevenste bekwaamheden trekken 'er nooit eenige lofspraak tot zich, wanneer ze met geene voortreffelyke deugden gepaard gaan. Wat 'er ook gebeure, dit is genoeg om alles te herstellen, terwyl in tegendeel een Landaard, die tot de slaaverny geschikt is, niet zelden uit den hoogsten top van voorspoed in een afgrond nederstort, waaraan, by mangel van dusdaanige hulpmiddelen, in eeuwigheid geen redden is.

Een groot man zou, zo wel als Solon of Lykurgus, zynen naam onsterflyk gemaakt hebben, alleen door zul-

[p. 437]origineel

ke instellingen, als het eenvoudig en ongeletterd Volk, door enkele ondervinding bestierd, in die tyden wist op te delven. De ondervinding overtreft in dit punt de afgetrokkene bespiegeling der Wysgeeren, dat zy doorgaans de bekwaamste middelwegen aanwyst. Maar 't is voorzeker een ongemeen verschynzel, dat men dus ontelbaare hoofden, sederd veele jaaren aan twist en verdeeldheid gewoon, op één oogenblik niet slechts tot den zelfden, maar ook tot den besten zin, ziet te zamenstemmen. Het groot Privilegie van vrouw Maria is het Wetboek der Nederlandsche Vryheid geworden, waarop men zich in de volgende Staatgeschillen altoos beroepen heeft, gelyk de Engelschen op hunne groote Charter. 't Is een afbeeldzel van de Regeering, gelyk dezelve van overoude tyden af was begreepen geweest, maar nooit anders dan gedeeltelyk en gebrekkig in kracht gesteld, en het vertoont zich ten dien einde baarblykelyk, als eene hervorming van ingesloopene misbruiken, maar geenszins als eene nieuwigheid, die naderhand herroepelyk of betwistbaar schynen kon. Daarom bezweert de Hertogin deeze voorwaarden niet alleen voor zichzelve, maar verpligt 'er ook alle haare Nazaaten aan, en erkent hierdoor deezen Regeeringsvorm, als overeenkomstig met de waare en oorsprongklyke rechten des Volks. Te weeten, men voorzag wel dat andere tyden nieuwe verwarring zouden geeven, en niemand vleide zich, zo groot eene zaak, buiten alle gevaar van inbreuk of overtreeding, bevestigd te hebben. Het was juist om deeze reden, dat men tegen alle afwykingen wilde waaken zo veel men kon, en niets voor de zorg der Nakomelingen overliet, dan 't geen onmogelyk te bepaalen was. Evenwel verbeeldde men zich deeze voorzorgen noch zo noodzaakelyk niet, als men ze kort

[p. 438]origineel

daarna bevond; veel minder dacht iemand, dat men 'er, na 't herleeven der verdeeldheden, op nieuw om in 't harnas zou moeten staan, en dat 'er noch eene ongelukkige eeuw verloopen moest, eer de verhoopte welvaart uit eene alleryslykste verwoesting gebooren wierd, met zulk een luister, dat de heerlykste voorrechten van dien tyd niet meer dan schaduw en doodverf zouden schynen. Maar zodaanige uitkomsten hangen misschien onmiddellyk van het bestier der Voorzienigheid af. Zo verre als het menschelyk begrip met zyne bekrompene inzigten reikte, was men voornaamelyk bedacht op de volgende omstandig, heden.

De wankelende staat van het Fransche Hof onder den krankzinnigen Koning Karel den VI, en de voorspoed der Engelsche wapenen tegen Karel den VII, hadden den Hertogen van Bourgondië, die nooit hun voordeel in den wind sloegen, gelegenheid verschaft om zich overal ontzaglyk te maaken. Lodewyk de XI, van Hertog Karel veel afbreuk geleeden hebbende, dacht, na deszelfs dood, op éénmaal alle schade te verhaalen, en verkoos daartoe twee middelen, die ligtelyk in een hoofd als het zyne konden vereenigd worden. Hy beweerde gerechtigd te zyn tot de erfenis der Bourgondische Staaten, overrompelde het Hertogdom, bezette verscheide plaatsen in Pikardye, en dreigde de Nederlanden met een algemeenen inval, terwyl hy, in denzelfden adem, Maria voor zynen zoon, een zevenjaarig kind, ten huwelyk verzocht. Zyn Broeder Karel, Hertog van Guienne, de Hertogen van Kalabrie en Savooie, en vooral Maximiliaan, Hertog van Oostenryk, 's Keizers zoon, hadden 'er reeds by het leven van haaren Vader op gevlamd, doch waren telkens van hem afgeweezen, of met ydele woorden ge-

[p. 439]origineel

paaid. Nu was 't geen tyd meer om met dit stuk te draalen; te minder, dewyl men, om de naderende krygsmagt der Franschen te wederstaan, wanneer men naamelyk den Koning zynen eisch ontzeide, eenen strydbaaren Veldheer van nooden had; en 't stond te duchten, zo de keuze van eenen Gemaal aan Maria wierd gelaaten, dat zy of uit vreeze, in weêrwil van het Volk, tot den Daufyn zou neigen, of, uit hooger gevoelens, met deezen of geenen uitheemschen Prins eene andere niet min onaangenaame verbindtenis aangaan, in welk geval zulk een Vorst ook geene de minste verpligting voor zyn geluk aan het Volk zou hebben. 't Schynt wel dat men het oog geworpen had op Adolf van Gelder, die, door Hertog Karel in hechtenis gehouden wegens de bekende tweedragt met Arnoud, zynen Vader, thans uit den kerker geslaakt wierd, en aan het hoofd van een leger gesteld, om Lodewyk den XI. tegenstand te bieden. De jonge Hertogin van den anderen kant, door zulk eenen vyand reeds voor een groot deel van haare bezittingen beroofd, schikte zich gemaklyk naar den tyd, schoon men anders geene reden heeft om te denken, dat deeze Trouw haar zou hebben voldaan. Adolf sneuvelde by de ontmoeting; maar de bepaaling, waaraan Maria zich by het eerste punt van het Privilegie onderworpen had, om naam