|
|
|
| |
| | | |
Historische distantie in de Spaanschen Brabander
R. van Stipriaan
Bredero bediende zich graag van het
verleden. Hij stemde daarin overeen met tal van toneelschrijvers uit de
Nederlandse renaissance en barok. Veel beroemde zeventiende-eeuwse drama's zijn
in een ver of minder ver verleden gesitueerd. Dit geldt uiteraard voor
historische stukken als
Heinsius'
Auriacus (1602), Hoofts Geeraerdt van
Velsen (1613) en Baeto (1617), en Vondels
Gysbreght van Aemstel (1637). Maar ook spelen die
gebaseerd waren op een bijbels, mythologisch of homerisch gegeven, of op
romantische ridderverhalen kenden vaak een archaïserende inslag. In dat
laatste genre leverde Bredero bewerkingen van episoden uit de
Palmerín de Oliva in Rodd'rick ende
Alphonsus (1611),
Griane (1612) en Stommen ridder (1618).
Het zijn stukken die speelden in een niet nauwkeurig omschreven maar wel
hoogmiddeleeuwse trekken vertonend tijdvak, op een moment dat Spanje nog volop
strijd levert met de Moren.
Bredero's toneeloeuvre kent meer voorbeelden van
historisering. Dichter bij huis, in tijd en ruimte, staat het eigenaardige, en
niet door hemzelf voltooide, spel Het daget uyt den
oosten, dat gedacht is in het laatmiddeleeuwse Holland. In deze
opsomming ontbreken komische stukken, maar
Bredero situeerde ook zijn komedie
Moortje in het verleden, en dat is wederom iets dichter
bij huis, in het Amsterdam van de late zestiende eeuw. De
historische context is in dit spel overigens nauwelijks herkenbaar, en werkt
bovendien wat verwarrend door de diverse eigentijdse elementen die er doorheen
lijken te zijn gevlochten.
1 Dit laatste is ook vaak opgemerkt voor de Spaanschen
Brabander, een spel dat door
Bredero in het Amsterdam van
meer dan veertig jaar geleden is geplaatst, maar waarin eveneens eigentijdse
anachronismen zitten. Deze anachronismen zijn nogal eens aangegrepen om te
betogen dat Bredero eigenlijk het Amsterdam van zijn eigen tijd
afschilderde.
De toelichting die
Bredero in het voorwerk verschaft op het
kiezen van een andere tijd van handelen geeft daar op het eerste gezicht
eveneens aanleiding toe: ‘Die beleeftheyt heb ick ghebruyckt, dat ick een
ander tijdt hebbe ghenomen, op datmen te minder beduydenisse op de
teghenwoordighe levende en soude maken, ghelijck ick oock niet ghedaan en
hebbe.’
2 Bredero doet het voorkomen dat hij alleen maar het tijdstip heeft
veranderd om te voorkomen dat men in het stuk toespelingen op levende personen
ging zoeken. Daarmee zou de tijd van handeling iets arbitrairs krijgen, maar
deze gedachte is misschien misleidend. Bredero zou hier bijvoorbeeld ook kunnen
bedoelen dat de thematiek (en dus niet zozeer de handeling) net zo goed in een
eigentijdse context had kunnen worden verbeeld. Dat er inderdaad enige scherpe
actuele kantjes zaten aan de materie die Bredero in zijn stuk behandelde, zal
nog aan de orde komen. Dat de Spaanschen Brabander ook in
1617 had kunnen spelen, is echter niet waarschijnlijk. Je zou zelfs kunnen
stellen dat Bredero juist dát wilde aantonen.
3
Er zit bij nader inzien een duidelijke strategie achter het
oproepen van een voormalig Amsterdam. Deze strategie vertoont zich niet
aan de oppervlakte. Het is dan ook van het grootste belang om te midden van de
veelheid aan stereotypische bewe- | | | | ringen die het stuk kenmerkt,
subtiliteit en voorzichtigheid te betrachten.
4 Nu moet er
meteen bij gezegd worden, dat Bredero het de latere generaties niet gemakkelijk
maakte. Met het verstrijken der jaren moest, doordat de actualiteit langzaam
maar zeker aan het gegeven ontviel, de stereotypie het wel gaan winnen van de
subtitiliteit.
| |
Bredero xenofoob?
Aan het begin van het spel ontmoet de Brabander Jerolimo in
Amsterdam de bedeljongen Robbeknol, en neemt hem als zijn knecht
in dienst. Jerolimo voert op het eerste gezicht een grote staat, maar Robbeknol
komt er al snel achter dat zijn baas zo arm is als een kerkrat. Met veel
vertoon van hoofse manieren probeert Jerolimo de bevolking van Amsterdam ervan
te overtuigen dat ze met een grand seigneur te maken hebben. Robbeknol doorzag
hem spoedig, en dat geldt ook voor de twee snollen An en Trijn, maar de diverse
Amsterdamse burgers die wat verder van de zelfkant afstaan, laten zich
gemakkelijk door Jerolimo's vertoon om de tuin leiden. Aan het slot van het
spel blijkt Jerolimo van het vertrouwen dat hem geschonken werd, danig misbruik
gemaakt te hebben door van diverse Amsterdammers zonder contante betaling
goederen en diensten betrokken te hebben. Wanneer de talrijke schuldeisers
uiteindelijk om hun geld komen, heeft Jerolimo de stad reeds voorgoed verlaten.
De Brabander trekt zo straffeloos een spoor van ontreddering door
Amsterdam.
Om begrijpelijke redenen is bij de interpretatie van het spel de
aandacht vooral uitgegaan naar de hoofdpersoon, de Brabantse gelukzoeker
Jerolimo. Ik noem hem nu wat neutraal gelukzoeker, maar hij zou met even veel
recht pocher, oplichter, bedelaar, zwerver, bankroetier, fantast of kromprater
mogen heten. In vele interpretaties zijn deze negatieve kwalificaties van
Jerolimo verbonden met een wat algemenere visie op het vraagstuk van de
Zuidnederlandse immigratie in Amsterdam. De klachten die diverse
Amsterdamse personages laten horen over van elders komende leeglopers die de
inheemse mores bederven, zouden aldus als de visie van
Bredero op de toevloed van vreemdelingen
opgevat moeten worden. In dat licht bezien hoort, volgens diverse onderzoekers,
de handeling van het stuk eerder thuis in 1617 dan omstreeks veertig jaar in
het verleden.
5 Jerolimo zou dan als
zinnebeeld fungeren voor de Zuidnederlanders die vooral sinds de val van
Antwerpen (1585) in groten getale in Amsterdam waren
neergestreken. Jerolimo was hovaardig in zijn denkbeelden, pompeus in zijn
verschijning, en bedrieglijk in zijn handelen, en dat zou meer in het algemeen
van vele Brabantse en Vlaamse immigranten gezegd kunnen worden.
6
Het is onmiskenbaar dat in het stuk bij voortduring aan een
tegenstelling Holland-Brabant gerefereerd wordt. Jerolimo laat geen gelegenheid
onbenut om de Hollanders op hun gebrek aan beschaving, hun onderontwikkelde
cultuur en hun weinig beslepen verstandelijke vermogens te wijzen.
Daartegenover levert zijn Hollandse knecht Robbeknol voortdurend commentaar op
de grootspraak en onwaarachtigheid van Jerolimo. Daarbij komt dat in de
talrijke tonelen waarin Amsterdamse personages optreden er veel wordt gesproken
over wantoestanden die in de stad heersen. Deze misstanden worden dan bij
herhaling toegeschreven aan vreemdelingen. De telkens weer opgeroepen
tegenstelling Holland-Brabant, opgeteld bij de uitdrukkelijke kritiek op
vreemdelingen, zou het vanuit Amsterdams standpunt | | | | aannemelijk
maken dat
Bredero met zijn Spaanschen
Brabander een fel anti-immigratie standpunt wilde uitdragen.
Zo eenvoudig ligt het niet. Wanneer we de diverse passages nagaan
waarin vreemdelingen op de hak worden genomen, dan zijn daar inderdaad ernstige
en xenofobisch getinte beschuldigingen te beluisteren.
7 Over het algemeen
wordt de vreemdelingen verweten dat ze allerlei kwade gebruiken, bedriegerij en
misdaad in Amsterdam hebben geïntroduceerd. Maar wat zijn
deze beschuldigingen waard, vooral als degenen die ze uitspreken bij nader
inzien zelf een door ondeugden en zelfs criminaliteit gekenmerkte levensloop
blijken te hebben? Elders
8 heb ik in dit verband gewezen op de zogenaamde
patriottenscène halverwege het spel (vs.1006ff), waar de Amsterdammer
Jan het aan de stok krijgt met zijn twee van elders afkomstige kompanen Harmen
en Andries. Jan beklaagt zich over de teloorgang van de spreekwoordelijke oude
Hollandse eenvoud en betrouwbaarheid (vs.1022ff), onder invloed van de handel
met lieden van buiten Holland. Even later onthullen zijn gesprekspartners dat
Jan zelf toch ook allerminst kan bogen op een vrome levenswandel. De feiten die
ter sprake komen wijzen op rokkenjagerij, dronkenschap en het doen verdwijnen
van een kind van zijn zuster die non was. Jan staat nu te kijk als een wat
schijnheilige Amsterdammer.
Hypocrisie is herkenbaar bij vele oude Amsterdammers. Ze geven af
op anderen, en dan met name vreemdelingen, met het aanhalen van mooie ethische
argumenten, maar ze blijken zelf geen haar beter te zijn. Dit geldt voor Jan,
voor de woekeraar Gierighe Geraart, voor de koppelaarster Byatris, de
hondslager Floris, voor de snollen An en Trijn, en voor de spinsters Trijn
Snaps, Els Kals en Iut Ians. Zeer hardnekkig verwijten ze anderen ondeugden die
tot hun eigen meest in het oog springende eigenschappen behoren.
We hoeven er niet aan te twijfelen dat dit bewust aangebrachte
wendingen zijn. Schijnheiligheid was een voornaam thema bij
Bredero. Hij werkte in de jaren rond
1617 met
P.C. Hooft aan een vertaling/bewerking
van
Aretino's
Ipocrito, die overigens pas in 1624 postuum onder de
titel ‘Schyn-heyligh’ zou verschijnen.
9 Bovendien snijdt de voorrede van de
Spaanschen Brabander uitgebreid het thema aan van het
voorbijzien aan eigen gebreken maar wel klaar staan om anderen te kapittelen.
10 In
dit licht bezien is het niet erg aannemelijk dat
Bredero de Amsterdamse personages die zo
stellig zijn in hun afkeer van vreemdelingen, tot spreekbuis van eigen
denkbeelden heeft willen maken. Het is waarschijnlijker dat hij dergelijk
chauvinisme en ongefundeerde vreemdelingenhaat juist als belachelijk
voorstelt.
Hoe zouden we bovendien de veronderstelde afkeer van vreemdelingen
moeten rijmen met het feit dat
Bredero onder de Zuidnederlandse
immigranten in Amsterdam vele vriendschappelijke contacten heeft
gehad.
11 Zijn leermeester in de
schilderkunst was de Antwerpenaar
Francesco Badens. Hij leerde schermen van
de eveneens uit Antwerpen afkomstige
Gérard Thibault. Hij wisselde
lofdichten uit met
Joost van den Vondel,
Jan Sieuwertsz. Kolm,
Karel Quina en
Abraham de Koningh, allen van
Zuidnederlandse afkomst. Hij was, zoals ook uit de ‘opdracht’ bij
de Spaanschen Brabander blijkt, een groot bewonderaar van
de geboren Vlaming
Daniël Heinsius. En een dergelijke
onvoorwaardelijke bewondering ging ook uit naar
Karel van Mander. Het is niet goed
voorstelbaar dat hij hen als tweederangs burgers beschouwde of hun bijdrage aan
het maatschappelijke en culturele leven als verderfelijk opvatte.
Er is ook een wat terloopse referentie binnen het stuk, die in dat
licht te denken | | | | geeft. Het is al meermalen opgemerkt dat in
Jerolimo's openingsmonoloog, waar hij een lof op Antwerpen
afsteekt, voor de goede luisteraar een echo waarneembaar is van een passage uit
P.C. Hoofts Theseus en Ariadne (in 1614 voor het eerst
uitgegeven).
12Jerolimo pocht op de Brabantse stad:
‘Ick gheloof nau dat de Son beschaynt uwes ghelaijck,/ In abondancy van
sleyck, in schoonheyt van landouwen’ (vs.6-7), en zet daarmee de toon
voor vele nog komende uitingen van zijn Brabantse superioriteit tegenover de
Hollanders. Hoofts toneelheld Theseus houdt daarentegen een wijze uiteenzetting
over het kwalijke van overdreven vaderlandsliefde, omdat daarmee andere naties
onrecht wordt gedaan, want: ‘Veel plaetsen die de plaets van ons geboort
verwinnen/ In vruchtbaerheit van slijck, in schoonheit van landouw’.
13 Daarop
volgt een pleidooi, waar het kosmopolitisme van
Montaigne en
Lipsius in doorklinkt: ‘Daerom een
oprecht man, bescheijden van verstant,/ Acht al de werelt ruim sijn lustich
vaderlant.’
14 Nu zouden we de omkering
van het argument door Jerolimo kunnen opvatten als een ridiculisering van diens
pocherij op eigen erf.
15 Dat lijkt me inderdaad juist. Maar in het stuk
vinden we meer uitingen van chauvinisme. Jerolimo's gepoch kent een pendant in
het schermen met eenvoud en eerlijkheid door de Hollanders als tekenen van
vooral hun morele superioriteit.
Bredero activeerde met zijn subtiele
verwijzing naar
Hooft een kosmopolitisch ideeëngoed
dat de goede luisteraar op de gedachte zou kunnen brengen elke uiting van
chauvinisme in het stuk te wantrouwen. Meer in het algemeen gaat er ook de
waarschuwing van uit met een niet al te generaliserende blik de gebeurtenissen
in het stuk te volgen. De verleiding is misschien groot in Jerolimo het
toonbeeld van een hovaardige en onbetrouwbare Brabander te zien. In de loop van
het spel gaat het portret van Jerolimo echter steeds meer nuances vertonen.
Zijn gebreken vertellen uiteindelijk meer over de mensen die hem omringen, dan
over zijn eigen kwade inborst.
| |
Jerolimo, bedelaar en bankroetier
Er mankeert nogal wat aan Jerolimo. Toch valt het uiteindelijk
moeilijk hem een slecht persoon te noemen. Jerolimo mag hovaardig zijn, maar
hij is toch vooral een onovertroffen zwetser. Hij is een oplichter en
bankroetier, maar hij is nog meer een arme en hongerige sloeber. Voor degene
die goed oplet, is zijn ware gedaante gemakkelijk waarneembaar. Oplettende
personages blijken echter zeldzaam te zijn in het stuk. Uiteindelijk doorziet
alleen zijn tijdelijke knecht Robbeknol volkomen de armzalige materiële
toestand van Jerolimo. Op een goed ogenblik wil Robbeknol zekerheid over
Jerolimo's berooide staat, en dan doorzoekt hij in afwezigheid van zijn meester
diens geldbuidel: ‘Dits niet, niet, niet, niet, niet, niet, niet, nichil
is hier meest,/ Het schijnt datter geen gelt in lang in is gheweest./ Och dits
een armen droes! Voorwaar hy is rechtvaerdich,/ Om zijn armoede, mijn
meedooghentheyt wel waerdich’ (vs.982-5).
De ene bedelaar herkent de andere. De jonge Robbeknol verkeert in
even behoeftige omstandigheden als Jerolimo. Meermalen verschaft Robbeknol ons
inzicht in de moeite die hij heeft om aan eten te komen. Zolang hij een doek om
een hoofdwond gewikkeld had, gaven de mensen hem uit medelijden. Maar nu hij
gezond is, wordt hem voorgehouden dat hij beter kan gaan werken voor de kost
(vgl. vs.47ff). En dat is het laatste waar Robbeknol aan denkt, zoals blijkt
uit een latere passage wanneer hij zich doof houdt voor het advies van de
spinsters Els en Trijn werk te | | | | gaan zoeken nu Jerolimo er
definitief vandoor is gegaan (vs.1887ff). Het karakteriseert Robbeknol als een
ledigganger, maar de trekken die
Bredero aan de jonge zwerver meegeeft,
maken hem niet zo onsympathiek als zijn soort doorgaans pleegt te worden
afgeschilderd. Robbeknol zoekt zoveel mogelijk naar eerlijke middelen om aan
eten te komen, hij wil niet stelen (‘al ist een aardighe kunst’)
uit angst om aan de galg te komen (vs.54). In een monoloog in het derde bedrijf
klaagt hij omstandig zijn nood: ‘Niemant weet vande noot, dan diese
treurich proeft./ Wat raat gaat mijn doch an? och ick kan niet versinnen/ Waar
mede dat ick best de schaam'le kost mach winnen’ (vs.1233-5).
Uiteindelijk besluit hij door uit de bijbel voor te lezen te proberen enige
aalmoezen te gaan verwerven.
Robbeknol is evenmin als Jerolimo een geboren Amsterdammer. Zijn
vader was een molenaar uit Bolsward, en zijn moeder kwam uit
Alkmaar; Robbeknol zelf zou oorspronkelijk uit Embden
afkomstig zijn.
16 Nadat zijn vader door fraude bij de aflevering
van meel verbannen werd en vervolgens stierf als soldaat in het Spaanse leger,
belandde Robbeknol met zijn moeder in Amsterdam (vs.70ff). Daar
begon een moeilijk en wisselvallig leven aan de nachtzijde van het bestaan. Een
leven vol harde confrontaties en teleurstellingen. De ontdekking dat zijn
nieuwe baas bij nader inzien niet meer dan een bedelaar is, betekent een nieuwe
deceptie voor Robbeknol. Maar het gegeven vervult hem ook met deernis:
‘Hy heeft noch gelt noch panckt [bezit] en niemant sal hem gheven’
(vs.1239). Het is niet alleen een uiting van compassie, het raakt ook de kern
van het bedelaarsbestaan en kondigt de ontknoping als het ware al aan. De
hongerige die in het nauw zit, zal wat moeten bedenken en dat kan niets anders
dan iets listigs zijn. ‘Armoe soeckt list,’ zo wil het gezegde. De
slagvaardigheid die Jerolimo uiteindelijk vertoont in het oplichten van zijn
Amsterdamse crediteuren, spreekt in het genre van het bedelaarsbedrog tot de
verbeelding. Ondanks zijn armzalige toestand slaagt hij erin zeer
kredietwaardig over te komen. Op goed vertrouwen, zo verzekeren diverse
schuldeisers naderhand, werd Jerolimo van alles aan dure goederen ter hand
gesteld.
Jerolimo en Robbeknol zijn armzalige bedelaars of leeglopers, maar
in hun soort zijn ze de kwaadsten niet. Ze bezondigen zich niet aan zuipen,
vechten, dobbelen, roven en moorden; ze zoeken slechts allerlei middelen om aan
de kost te komen. De bedelaar is daartoe vooral aangewezen op bedrog.
17 Jerolimo heeft
daarin een hoge graad van kundigheid bereikt, Robbeknol leert nog steeds bij.
18 Het is
wel opgemerkt dat
Bredero in vergelijking met de
overeenkomstige personages in de bron, de picareske roman Lazarillo
de Tormes, de trekken van Robbeknol en Jerolimo iets verzacht
heeft, en zo de twee bedelaars iets sympathieker heeft willen voorstellen.
19 De
vraag is wat Bredero daarmee beoogde. Waarschijnlijk niet dat de twee
leeglopers als helden uit het spel tevoorschijn zouden komen. Ik vermoed dat
Bredero zo de aandacht meer wilde richten op de Amsterdamse entourage waarin
zij verkeren en daarmee op de manier waarop de inheemsen met lieden van dit
slag omgaan. Deze omgang kenmerkt zich niet alleen door hypocrisie, maar ook
door machteloosheid en domheid. Het Amsterdam dat Bredero in de
Spaanschen Brabander schildert, is nadrukkelijk een
achterlijk Amsterdam.
| |
Historische distantie
De stad waar Robbeknol en Jerolimo hun geluk beproeven, is nog
katholiek. Amsterdam verkeert in interne verwarring terwijl het
gehele land in de greep is van | | | | de opstand tegen de Spanjaarden.
Onderzoekers hebben regelmatig geprobeerd op grond van de diverse historische
referenties in het stuk, tot een precieze datering van het moment van handeling
te komen.
Bredero geeft in zijn
inhoudsbeschrijving die uit 1617 of 1618 zal dateren, als tijdsbepaling
‘de Sterfte over meer dan veertich Jaren’. Het meest concreet zou
daar uit afgeleid kunnen worden dat het spel vóór 1579 gesitueerd
is. Aangezien Amsterdam nog katholiek is, wat onder andere valt af te leiden
uit het nog bestaan van de kloosters, moet de handeling zich zeker
vóór de Alteratie (1578) hebben voltrokken. Ook moge duidelijk
zijn dat het stuk geplaatst moet worden ná het begin van de Opstand,
omstreeks het midden van de jaren zestig, en omdat er een aantal keren aan Alva
gerefereerd wordt, kan dat worden gepreciseerd tot ná 1566.
Binnen deze begrenzingen (1566-1578) is regelmatig geprobeerd het
tijdstip van handeling, door het duiden van diverse historische referenties,
verder in te sluiten. Veel van die referenties lijken in de richting te wijzen
van de twee à drie jaar voor de Alteratie. Stutterheim kiest met enige
twijfels voor 1576,
20 Rooker meent dat
het stuk zelfs met vrij veel zekerheid tussen Satisfactie (8 februari 1578) en
Alteratie (26 mei 1578) gesitueerd kan worden.
21 Het
doorslaggevende argument voor die laatste stelling zou zijn dat er pas vanaf de
Satisfactie weer (vreemdelingen)verkeer tussen Amsterdam en het
reeds langere tijd aan de zijde van Oranje staande omringende Holland mogelijk
is. Problemen als veroorzaakt door een landloper als Jerolimo zijn in deze
redenering op een eerder tijdstip niet goed voorstelbaar. Ik betwijfel echter
of dat zo'n goed argument is; het wordt in ieder geval niet door enig
historisch document aannemelijk gemaakt. Waar de Alteratie een duidelijk
caesuur markeert in de geschiedenis van Amsterdam, daar is het kenmerkende van
de Satisfactie juist dat het oude (het katholicisme) gewaarborgd en het nieuwe
(het protestantisme) getolereerd werd. Al met al was de periode tussen
Satisfactie en Alteratie een korte en niet zo karakteristieke overgangstijd.
Bovendien duidt
Bredero de tijd van handeling
nadrukkelijk aan als de ‘Sterfte’ waarmee een pestepidemie bedoeld
wordt. Dat er de maanden voor de Alteratie een zware of zelfs lichtere epidemie
in Amsterdam gewoed moet hebben, die als kenmerkend voor die tijd kan gelden,
is niet aannemelijk. Lange tijd is gedacht dat Bredero met de
‘Sterfte’ doelde op de zware pestperiode rond 1558, wat uiteraard
niet overeenkomt met de vele gegevens die naar de ‘binnenlandse
twisten’ verwijzen. Maar er is in de tussenliggende tijd nog een tweetal
jaren met een grote sterfte door epidemieën, en wel de opeenvolgende jaren
1573 en 1574, waarvan het laatste waarschijnlijk het hoogste aantal
sterfgevallen te zien heeft gegeven.
22 Of dit een sluitend aanknopingspunt biedt,
blijft vooralsnog de vraag, maar het is een historisch feit om rekening mee te
houden.
Er is echter weer een gegeven dat daarmee op gespannen voet staat;
in vs. 1888 wordt gerefereerd aan een recente doorbraak van de St. Anthonisdijk
bij Diemerdam, een gebeurtenis die op 1570 gesteld zou moeten
worden.
23 Zo zijn er wel meer historische referenties die alle een andere
kant op wijzen.
24 Dat geldt zeker voor de diverse, meest niet zo belangrijke,
details die verwijzen naar zaken die alleen na, en soms ver na, de Alteratie
voorstelbaar zijn, zoals bijvoorbeeld het bestaan van Arminianen (vs.1315) of
van de Guyneesche Compagnie (vs.275).
25 Het ziet er naar uit dat, gegeven het grote aantal anachronismen,
elke poging tot een precieze datering altijd op meer of minder krachtige
tegenvoorbeelden zal blijven stuiten. Misschien moet het begrip
‘datering’ in dit geval wat worden versoepeld tot ‘het stuk
zal ongev- | | | | eer in die periode gedacht zijn’. Een periode die
zich vervolgens wat nauwkeuriger laat omschrijven als de tijd waarin
Amsterdam temidden van het opstandige Holland nog aan Spaanse en
katholieke zijde staat, waarbij de meeste gegevens vooral naar de periode
tussen 1573 en de Alteratie wijzen. Elke verdere precisering roept problemen
op.
| |
Het perspectief van verandering
Het is interessanter om na te gaan wat
Bredero met deze historisering beoogde.
Het is daarvoor in de eerste plaats noodzakelijk om de verschillen tussen het
Amsterdam van omstreeks 1575 en het Amsterdam van 1617 wat nader
te analyseren. Behalve dat de stad was overgegaan naar het kamp van Oranje en
het oude geloof had afgezworen, had zich in de tussenliggende vier decennia een
waar Wirtschaftswunder voltrokken. Van een typische Hollandse
handelsstad was Amsterdam uitgegroeid tot een machtige metropool die zich er
met beleid en met succes op toelegde zoveel mogelijk goederenstromen in de
wereld te beheersen. De toevloed van Zuidnederlandse kooplieden, en niet te
vergeten Zuidnederlands kapitaal, na de val van Antwerpen is in
deze snelle en immense machtsontplooiing een belangrijke factor geweest. In de
stad ontstond een voor die tijd zeer moderne kapitalistische infrastructuur met
een bank-, beurs- en verzekeringswezen, waardoor men er in slaagde de
afstemming van de noodzakelijke voorzichtigheid op het nemen van risico bij de
overzeese handel, ten gunste van de handel te laten uitvallen.
26 Ongeveer gelijktijdig met de hervorming van de
economische instituties, onderging ook de sociale structuur een ingrijpende
herordening. Een ontwikkeling die misschien het eenvoudigst omschreven kan
worden als rationalisatie, met een vooropstellen van het ‘welbegrepen
eigenbelang’. Dit is dan het eigenbelang van de handeldrijvende elite,
waar overigens eveneens de middengroepen van konden profiteren, en uiteindelijk
ook de lagere bevolkingsgroepen. Er werd een door het stadsbestuur
gecontroleerd stelsel van sociale voorzieningen in het leven geroepen en het
strafrecht werd ingrijpend hervormd. Op het moedwillig in stand houden van
allerlei maatschappelijk onrecht of ongemak kwamen strafbepalingen te staan.
Desalniettemin zal het leven in deze stad niet voor iedereen in alle opzichten
paradijselijk zijn geweest; de snelle veranderingen brachten nu eenmaal korter
of langer durende fricties, armoede en misdaad met zich mee. Dat waren
overigens verschijnselen die in de Westeuropese urbanisatie van de zestiende
eeuw gemeengoed waren. In dat licht bezien, stak de toestand in
Amsterdam gunstig af bij andere metropolen.
Verwondering en trots overheersen in de eigentijdse visies op de
recente ontwikkeling van Amsterdam en het gewest Holland. Niet alleen de handel
en het stedelijk leven, maar ook de cultuur en de wetenschap bloeiden.
Johannes Pontanus gaf in 1611 een stem
aan deze tevredenheid in zijn Rerum et urbis Amstelodamensium
historiae, waarvan in 1614 een vertaling verscheen onder de titel
Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde coop-stadt
Amsterdam. Pontanus stelde in zijn voorrede vast dat de
ontwikkeling van Amsterdam drie fasen kende: de eerste voltrok zich onder de
heren van Aemstel en de graven van Holland, de tweede onder de
Bourgondiërs en hun erfopvolgers. De derde fase was pas sinds kort
aangebroken: ‘Ende niet lange daer na in dese onse eeuwe, welcke niet
meer als ontrent den tijt van vierendertich jaeren begrijpt, zijn soo vele
wercken ende daden t'huys ende buyten wtgherecht, dat indien yemant de
gheschiedenissen ende grootheydt der stadt dae- | | | | rentusschen
opgewassen, met de jaren wilde verghelijcken, soude wel hondert jaeren meer
rekenen. Want beneffens dat binnen soo corten tijt de palen der stadt meermaels
wtgheleydt zijn, groote ende schoone gestichten gesteld, de Kercke ende
Politie [stadsbestuur] verbetert, de Gasthuysen vermaeckt, ende nieuwe Wetten
ende Magistraten als sekere aediles ofte opsienders der seden ende
gemeyne discipline geordineert, ende ten lesten de Cloosters tot een ander ende
bequamer gebruyc verkeert [...].’
27
Pontanus legt dus een scherpe caesuur
omstreeks 1580, en dat roept onwillekeurig associaties op met Bredero's
tijdsbepaling in de Spaanschen Brabander, die terug
verwijst naar het oude Amsterdam van over ‘veertich
Jaren’. Het is alleen al om deze reden interessant om na te gaan op welke
wijze Pontanus zijn visie op de recente geschiedenis van Amsterdam uitwerkt.
Dit blijkt een aantal zeer interessante gezichtspunten op te leveren voor de
interpretatie van Bredero's spel.
Het was ooit al eens vastgesteld dat
Bredero voor de figuur van Gierighe
Geraart bij Pontanus te rade was gegaan.
28 De schildering van de immense gierigheid van
de huisbaas en diens vrouw heeft veel trekken gemeen met het portret dat
Pontanus geeft van ene Willem Barentsz. en
Margriete Claes Cors. Geraart liet evenals Willem zijn vrouw betalen voor
administratieve diensten. De vrouw op haar beurt ontziet zich in beide teksten
niet de vis die ze voor eigen gebruik in huis heeft gehaald met goede winst aan
de buren door te verkopen en zelf een visloze maaltijd te hebben. Pontanus
trekt de vergelijking met de vrek Euclio uit
Plautus' Aulularia
die met leedwezen zijn urine verloren ziet gaan, bij
Bredero verzamelt Geraart de snottebellen
van anderen in de hoop ze ooit te gelde te kunnen maken, enz.
29
Interessanter voor het begrip van de Spaanschen
Brabander is de visie die
Pontanus uiteenzet op het ingrijpende
hervormingsproces dat zich in korte tijd heeft voltrokken. Zo houdt Pontanus
een uitgebreide beschouwing over de pest, naar aanleiding van de inrichting van
het pesthuis als afgescheiden onderdeel van het nieuwe Amsterdamse gasthuis,
dat vlak na de Alteratie werd gevestigd in een voormalig klooster.
30 Hij bestrijdt
daar het idee dat de pest iemand onmiddellijk door God wordt toegezonden. Dit
was een wijdverbreid volksgeloof - dat overigens nog lang stand zou houden
31 -, waar Pontanus zijn opvattingen over de noodzaak van het
onderkennen van besmetting tegenoverstelde. Hoewel een christen gehouden was
tot naastenliefde en een pestlijder dus bijstand diende te verlenen, kon hij
door voorzichtigheid en hygiënische maatregelen, het gevaar van besmetting
terugdringen. Om zijn betoog kracht bij te zetten wijst hij op het gevaarlijke
gebruik onder de Turken, ingegeven door het idee dat de pest nu eenmaal de gave
Gods was, om zich met de kleren van een pas overleden pestlijder het gezicht te
wrijven: ‘Also crijcht de besmettinghe een open bane, ende heele
huysghesinnen sterven teenemael wt.’
32
De uiteenzetting van
Pontanus vindt een macabare antipode in
het optreden en redeneren van de hondslager Floris Harmensz. in de
Spaanschen Brabander. Hij gaat een draagbaar brengen naar
het huis van iemand die aan de pest (‘de gave Gods’, vs.315) is
overleden. Jan Knol vraagt of hij dat huis wel binnen durft te gaan: ‘Wel
souw icker niet in-gaan durven? dat is oock wat; wel dat komt schoon./ Ick gae
's nachts wel met de Graefmaker in een kuyl van twintich doon./ Ick deynck stae
ick mee in't rolletje/ Soo sal't oock kosten mijn bolletje.’ (vs.316-9).
Floris gelooft niet dat je de pest op enige manier kunt ontlopen, al zou je
naar Texel vluchten (vs.320ff). Het is in vergelijking met Pontanus een
bijgelovig fatalistische en tevens | | | | zeer onvoorzichtige kijk op de
pest, die Floris tot een groot gevaar voor zijn omgeving maakte.
Met deze scène is de toon gezet voor een reeks manifestaties
van weinig verheffende of doordachte opvattingen en gebruiken onder de
Amsterdammers. Die bedenkelijke Amsterdamse mores treden het meest
onverbiddelijk aan het licht in de omgang met bedelaars en uitschot. Maar ook
in de terloopse detaillering worden personages als ongeletterd en bijgelovig en
in die combinatie bovendien als berekenend en leugenachtig afgeschilderd. Dit
spreekt bijvoorbeeld uit de snollenscène waar Trijn Jans met een
bewijsje van de lommerd tevoorschijn komt, maar dit niet kan lezen. Bleecke An
kan evenmin wijs uit het briefje, maar doet of ze precies weet wat er staat en
stelt het voor alsof het duivelskarakters zijn, daarmee haar onvermogen
verbloemend (vs.581-585).
Het is een tijd die vraagt om een hervorming. De
spinstersscène in het derde bedrijf draagt zulks bijna woordelijk uit.
Robbeknol vindt bij de spinsters Els Kals, Trijn Snaps en Jut Jans een gewillig
gehoor voor het lezen uit de bijbel. Trijn geeft een levendige beschrijving van
het welbehagen dat ze van het voorlezen ondervindt: ‘Jesus, Marye, maar
kyeren, God segen ons, is dat Gods woort?/ Ja wel Heer; ick wort schier aars,
ick hebt mijn leven niet e hoort,’ (vs.1350-1). Robbeknol is zijn aalmoes
dus meer dan waard, waar Trijn meteen aan toevoegt: ‘Ick ken niet een A
voor een B, mijn ouwers lietent my noyt lieren,/ Hoe moy leest die knecht! hoe
keunent de menschen versieren [bedenken]?’ (vs.1352-3). Om daar
vervolgens een innige wens aan te verbinden: ‘Ick ben me Rooms-Katelijck,
en ick gae wel in de preecken,/ Maar wat ist? hier e seyt, ick macher mijn
hooft niet mee breken,/ Of daar een Paap staat en praat int Latijn, en haaltet
wel so vart,/ Ick laat mijn noch staan; maar dat hyer selver in verwart,/ Men
hoort ons slecht en recht en eenvoudich te leeren [...].’
(vs.1356-60).
| |
Het bedelaarsvraagstuk
‘Het volck is hier goedt gheefs, 'tblijckt an haar
karitaten’ (vs.1181), zo stelt de Amsterdammer Jan Knol met enig ongemak
vast. Hij is een litanie aan het afsteken over de grote hoeveelheden vreemde
bedelaars die zich in de stad ophouden. Juist de buitenlanders verzieken in
zijn ogen het klimaat van liefdadigheid waarin de oprechte armen hun
rechtmatige aalmoezen kunnen ontvangen. Ze maken zich in zijn ogen schuldig aan
ernstige leegloperij, ze dobbelen, zuipen, stelen en moorden, en als ze eens
gepakt worden dan komen ze op voorspraak van een of ander viswijf of door
steekpenningen weer vrij (vgl. vs.1182-95). Jan geeft hiermee een aardige
analyse van een vraagstuk dat in de laatste decennia van de zestiende eeuw
bestuurders en de spraakmakende gemeente in toenemende mate zou gaan
bezighouden. Bekend zijn Coornherts
Boeventucht (1587) en het rapport uit 1577 over
de armenzorg van het Leidse stadsbestuur dat met medewerking van
Jan van Hout was opgesteld.
33 In beide gevallen werd beoogd het probleem
van de vagebonden en bedelaars bij de wortel aan te pakken. Maar zover is het
in het Amsterdam van de Spaanschen Brabander
nog niet.
Jan vertolkt de grote machteloosheid die er in de stad heerst om de
bedelarij de baas te worden; de bevolking is zelf onderdeel van het probleem
door goedgeefsheid en door het steeds weer voor de schelmen op te nemen,
terwijl de magistraat kennelijk corrupt is. De goedgeefsheid was door
Coornhert aan het slot van de
Boe-
| | | |
ventucht met scherpe woorden
34 als een voorname oorzaak van het bedelaarsvraagstuk
aangewezen: ‘Mildelijcker voedtmen den ledighen stercken/
dan menze wijslijck dwingt tot land-nutte wercken/ zo maackt zotte
mildheyd de landen vol gheboeft/ dat den vromen met dieft, roof, en
moord bedroeft.’
35 Door milde gaven
van de goedgeefse bevolking wordt de bedelaar in zijn ledigheid bevestigd, en
daar komen problemen van. Hoe dat in de praktijk werkt, wordt in de
Spaanschen Brabander bij herhaling duidelijk gemaakt.
Niet alleen door het optreden van Jerolimo en Robbeknol maar inderdaad ook door
de averechtse liefdadigheid van de bevolking.
36
De mildheid is de ene oorzaak van de toevloed van bedelaars en
schavuiten, de andere is de dubbele moraal onder de Amsterdammers. Als Jan is
uitgeraasd over de kwalijke praktijken van de vreemdelingen, brengt Andries het
gesprek fijntjes op de vele drinkebroers, waartoe zoals we dan inmiddels weten
ook Jan behoort, die profiteren van de omvangrijke aanvoer van smokkelbier
(vs.1202ff), en evenzo de kooplieden die erin slagen groot voordeel te behalen
door de accijns te ontduiken. Op deze manier blijven de boeven vrij spel
houden.
Daar komt bij dat elk optreden van het gezag kan rekenen op
protesten van het volk.
37 In de Spaanschen Brabander wordt tegen het
einde, wanneer Jerolimo de stad al verlaten heeft, Robbeknol door de schout
aangehouden als medeplichtige aan de oplichterij van zijn meester. Robbeknol
weet duidelijk te maken dat er niets meer te halen is, maar dat hij met de
Brabander te maken heeft gehad kan hij niet ontkennen. Vervolgens mengt
spinster Els Kals zich in de discussie: ‘Mijn Heeren met verlof, de
jongen is onschuldich,/ Och hy is simpel, slecht, onnoosel en eenvuldich’
(vs.2144-5). Wat er van zij, het is in ieder geval een zeer eenzijdig portret
van Robbeknol. De schout houdt de spinsters dan ook voor: ‘Maar vroutjes
weetjet wel? daar zijn veel loose guyten,/ Die anders zijn in 't hert als sy
schijnen van buyten,/ Het is een argen schalck, vol slimme pottery.’
(vs.2156-8). Deze taxatie is dichter bij de waarheid dan die van Els Kals, maar
dit uitgesproken hebbende, schenkt de schout Robbeknol vervolgens wél de
vrijheid. De schout is dan ook meer geïnteresseerd in wie hem voor zijn
diensten gaat betalen, dan in de achtergronden van een bedelaar als
Robbeknol.
Met een dergelijk aanpak zal het bedelaarsvraagstuk in volle
hevigheid blijven voortbestaan. Er werd voor de Alteratie zeker wel nagedacht
over maatregelen om uitwassen te bestrijden. Bekend is de keur van Karel V uit
1531, waar ook in de Spaanschen Brabander tweemaal aan
wordt gerefereerd (vs.360 en 2227). Daarin waren reeksen maatregelen
afgekondigd die vooral berustten op het zeer streng straffen van lediggangers.
Coornhert is in zijn
Boeventucht zeer kritisch over deze ‘onrechte
remedie’: ‘Nu heeftmen gesien dat over thien off twintich jaren
tienmaelen meer geboefts werde gebannen, gegeesselt,
gebranttekent, van ooren berooft, an galgen verworcht, int vuyr
verbrandt ende op raderen gestelt, dan voor den tijd dat des
Keysers placcaten jegens den vaghebonden in groter menichten waren verkondicht
[etc.].’
38Coornhert stelt vast dat vele boeven niet meer bang zijn
voor met name de doodstraf, en bovendien om allerlei redenen niet zoveel kans
lopen om gepakt te worden. De ledigganger volhardt dus gemakkelijk in zijn
schadelijk gedrag. Daarom is voorkomen beter dan bestraffen. De eerste stap die
gezet moet worden is het in de kiem smoren van allerlei vormen van ledigheid.
Dit hield vooral in dat de zogenaamde ‘sterke bedelaars’, dat wil
zeggen degenen die wel zouden kunnen werken maar het uit luiheid niet doen, van
bedelpraktijken en wat dies meer zij worden afgehouden.
| | | |
Tegen het einde van de zestiende eeuw wordt in
Holland en met name in Amsterdam in korte tijd een aantal
krachtige maatregelen genomen. Ze kenden een tweeledige doelstelling: enerzijds
de sterke bedelaars met hun kwalijke en bedrieglijke praktijken van de straat
halen, anderzijds dergelijke lediggangers met tuchtmaatregelen verbeteren.
Beide strategieën moesten uiteindelijk leiden tot een grotere veiligheid
voor de stedelijke bevolking. Het jaar 1595 is cruciaal, door het voornemen om
tot de inrichting van een aantal tuchthuizen te komen, of zoals
Pontanus het omschrijft: ‘De
menichte van Landtloopers ende bedelaers inde landen van Hollant ende
Westvrieslant so ten platten lande ende in de Steden, heeft occasie ghegeven
van beyde de Tuchthuysen soo wel van mannen als vrouwen op te richten. Want als
dese haer veynsden te zijn dat zy niet en waren, ende onder het decxsel van de
bedelrije de ghelegentheden van tijt ende plaetse verspiedende hare dieverijen
ende rooverijen by dage ende by nachte pleechden: Soo hebben de E. Heeren
Staten van Hollant ende Westvrieslant dies aengaende doen publiceren seker
placcaet vanden 16 December 1595.’
39
Op 3 februari 1596 wordt in Amsterdam het
mannentuchthuis of het ‘rasphuis’ in gebruik genomen, en nog
datzelfde jaar zal er een ‘spinhuis’ voor vrouwen worden ingericht.
40
Met een aantal aanvullende maatregelen als registratie en snelle uitzetting van
vreemdelingen die geen duidelijke reden hadden om in Amsterdam te
verblijven, maar ook het verbieden van het geven van aalmoezen door
particulieren, werd de greep op de bedelaars nog eens verstevigd. Verder werden
degenen die tot arbeid in staat werden geacht te werk gesteld. De bedeling kwam
in handen van instellingen waar het stadsbestuur uiteindelijk de supervisie
over voerde.
41 Als we op de
diverse contemporaine berichten mogen afgaan, dan waren deze nieuwe maatregelen
in hoge mate effectief. Amsterdam stond al spoedig in binnen- en buitenland
bekend als een redelijk veilige stad.
42
Met het oog op de doeltreffende aanpak van het bedelaarsvraagstuk in
Amsterdam sinds de Alteratie, doet de gang van zaken in de
Spaanschen Brabander overduidelijk ouderwets en
achterlijk aan. Niet dat met de instelling van de tuchthuizen alle problemen
waren opgelost. Een ordonnantie uit 1613 vaardigt nog een aantal maatregelen
uit die het voor bedelaars eens te meer onaantrekkelijk moeten maken zich in
Amsterdam op te houden. Deze ordonnantie is voor het begrip van de
Spaanschen Brabander van bijzonder belang. Een extract ervan wordt door
Pontanus met grote tevredenheid (‘een
schoone ordonnatie’) in zijn geschiedwerk afgedrukt.
43 De tekst blijkt woordelijk enige aanduidingen en passages te
bevatten die ook voorkomen in de keur die in de Spaanschen Brabander op
de Dam wordt voorgelezen.
44 Het
betreft een streng bedelverbod voor iedereen, dat inderdaad een belangrijk deel
van de oplossing van het leeglopersvraagstuk zou zijn. In de Spaanschen
Brabander wordt tevens een registratie aangekondigd, en dat zal eveneens
een cruciaal onderdeel van het beleid worden. Maar allerlei finesses die in de
ordonnantie van 1613 zitten, ontbreken in de uitgesproken tekst bij
Bredero. Bovendien zit er een kenmerkend
verschil tussen beide teksten. In de Spaanschen Brabander wordt als
sanctie op overtreding van het bedelverbod een nog wat ouderwetse
pre-Coornhertiaanse maatregel in het vooruitzicht gesteld: ‘op peene van
openbaarlick geschavotteert ende strenghelick ghegheesselt te werden’, in
de ordonnantie klinkt de straf al veel moderner: ‘op pene van in
publijcke wercken oft andersins naer discretie van den Heeren van den gherichte
ghestraft te werden’.
45
Het is nu de vraag wat
Bredero met het laten uitspreken van een
anti-bedelkeur | | | | beoogde. Het heeft er de schijn van dat hij ook
hier de noodzaak van hervorming in het oude Amsterdam nog eens heeft willen
benadrukken. Er is een gegeven dat daarvoor een belangrijk argument lijkt te
leveren. Al veel is er geschreven over de ondertekening van de keur in de
Spaanschen Brabander met de naam ‘Brederood’,
waarbij dan wel een datum 18 maart, maar geen jaartal wordt gegeven. Over de
achtergrond van deze naamgeving is in twee richtingen gespeculeerd zonder dat
dit tot duidelijke conclusies heeft geleid. Een wat romantische interpretatie
heeft er een verwijzing naar de auteur van het toneelstuk in willen zien. Een
andere mogelijkheid is dat Bredero hier heeft willen verwijzen naar de
‘grote geus’
Hendrik van Brederode. Stutterheim
overweegt beide mogelijkheden en opteert voor de laatste, maar met vaststelling
dat het wederom een anachronisme is (Brederode overleed reeds in 1568), en dat
de datum 18 maart in dit geval geen concrete betekenis heeft.
46
Toch is hier wel iets meer over te zeggen, waardoor de introductie
van ‘Brederood’ in de tekst aan betekenis wint. Stutterheim
vermeldt uiteraard dat Hendrik van Brederode in 1567 enige tijd, van 27
februari tot 27 april, in Amsterdam heeft doorgebracht, maar kan
er geen concrete aanknopingspunten in vinden. De datum ‘18 meert’
kan echter mijns inziens tegen die achtergrond wel degelijk een specifieke en
historische betekenis hebben. Het is wederom bij
Pontanus te lezen hoe er tijdens het
verblijf van de geuzenvoorman, door gereformeerde leidslieden bij het
stadsbestuur een request wordt ingediend dat er onder andere op aandringt
Hendrik van Brederode te benoemen tot ‘een ghenerael overste ende
Capiteyn over voorschreven knechten, om de voorschreven stede ende inwoonderen
der selver te bewaren, tot voorderinge ende profijt, vande Majesteyt
rust ende voorspoet der Poorteren ende inwoonderen.’
47 Dit request zou
dateren van 17 maart en werd op 18 maart door de raad ingewilligd op voorwaarde
dat stadhouder Willem van Oranje er zijn goedkeuring aan zou hechten.
48 Tot dat moment mocht Brederode de titel van
‘Over-kapitein’ voeren.
49 De goedkeuring van Oranje voor het akkoord tussen het
stadsbestuur en de gereformeerden volgde overigens spoedig, zij het juist niet
op het punt van de nieuwe functie van Brederode, daarover wilde Oranje met
Brederode zelf van gedachten wisselen. Het gunstige tij voor Brederode en de
gereformeerden verliep overigens spoedig daarna, wat de eerste tot een haastig
vertrek uit Amsterdam bewoog. De stad zou vanaf dat moment tot aan de
Satisfactie van 1578 stevig in de greep van de Spaansgezinden blijven.
De datum die
Bredero in zijn Spaanschen
Brabander koos, was dus niet zo vreemd, en de proclamatie heeft in
het licht van de latere hervormingen ook een specifieke betekenis;
Hendrik van Brederode kan als een heraut van
de moderne tijd worden gezien. Zijn kortstondig bewind was een aankondiging van
een nieuw gerationaliseerd strafrecht. Een aankondiging met nog enige
primitieve trekken weliswaar, maar desondanks gunstig afstekend bij de wanorde
en willekeur die op dat ogenblik in Amsterdam heerste en nog
geruime tijd zou blijven heersen.
De consequentie was wel dat
Bredero hiermee een anachronisme toeliet
dat toeschouwers opeens op de gedachte kon brengen dat het stuk in 1567 zou
moeten spelen, terwijl toch veel meer gegevens in de richting van circa 1575
wijzen. Ik meen dat dit een reden te meer is ervan uit te gaan dat Bredero zijn
stuk, met een ruim en wat vlottend chronologisch besef, gedacht heeft in het
‘Spaansgezinde Amsterdam ten tijde van de
Opstand’.
| | | | | |
Jerolimo als alter Alva?
Bij de toneelliefhebbers die in 1617 en daaropvolgende jaren een
voorstelling van de Spaanschen Brabander bijwoonden en
die enig besef van de recente geschiedenis hadden, zal de gedachte aan
Hendrik van Brederode onwillekeurig wel
zijn opgekomen. Een andere passage zal mogelijk ook een, ongetwijfeld met een
glimlach begroete, associatie met een historische figuur opgeroepen hebben. Het
betreffen de scènes met het afscheid van Jerolimo en daaropvolgende
oploop van schuldeisers. Wanneer we deze tonelen vergelijken met het gedeelte
in de Lazarillo de Tormes waarop ze gebaseerd zijn, dan
doet zich meteen een in het oog lopend verschil voor: waar in de roman slechts
sprake is van twee schuldeisers, de verhuurder en de vrouw die het bed geleverd
heeft, daar vertoont de Spaanschen Brabander een uitgebreide stoet van
gedupeerden. De verhuurder en de vrouw herkennen we in Gierighe Geraart en
Byatris, maar Otje, die schilderijen op zicht gaf, Jasper die tapijten
verhuurde, Balich die tin leverde, en Joost die kostbaar tafelgerei aan
Jerolimo ter hand stelde, zijn een toevoeging van
Bredero.
In vergelijking met de oorspronkelijke bron is de schade die door
Jerolimo wordt veroorzaakt bovendien veel groter. Dit leidt vervolgens tot een
tragikomische scène waarin iedereen om zijn recht en zijn bezit komt,
maar vooral met voldongen feiten en eigen domheid wordt geconfronteerd.
Jerolimo is er vandoor gegaan, terwijl hij nog kort daarvoor de aandringende
Gierighe Geraart en Byatris beloofd had ze binnen een dag hun geld te geven:
‘Moyer al stillekens, sweyght, men sal ouwlien gheryven,/ Ick go node
Burs, en loot mey duysent pont of-schryven./ Stuur u Moosen of knoop [meid of
knecht] morghen vruigh of t'achter noen.’ (vs.1864-1866), en dan zal men,
zo belooft Jerolimo, tot op de laatste cent worden betaald. Zodra de
schuldeisers tevreden gesteld vertrekken, onthult Jerolimo dat hij er nu
ogenblikkelijk vandoor gaat. Het is een verloop van de handeling dat voor een
deel duidelijk op de prozabron steunde, maar voor een ander deel naar ware
gebeurtenissen uit het recente Amsterdamse verleden lijkt te verwijzen.
Want Jerolimo's vertrek uit Amsterdam heeft veel weg
van de wijze waarop de hertog van Alva eind oktober 1573 uit Amsterdam vertrok.
Pontanus vertelt deze geschiedenis
omstandig. Hij herinnert eraan dat Alva juist bij Alkmaar een
(naar naderhand bleek, beslissende) nederlaag heeft geleden, en nu snel
Amsterdam, waar hij voor enige tijd domicilie had gekozen, wil verlaten. Maar
door de wijze waarop hij vertrekt zal hij grote schande over zich afroepen:
‘Want t'sdaechs te vooren eer hy soude vertrecken hadde hy tweemael met
het gheluydt der Trompetten doen omme roepen, dat alle die yet van hem eyschten
ende begeerden betaelt te zijn, datse hen souden laeten vinden in zijn
logement, het welc was ten huyse van Jan Persijns, om aldaer haer ghelt te
ontfanghen. Daer zijn terstondt seer veel lieden gecomen, d'een eyschte hondert
croonen, d'ander twee hondert, ende so voort d'een meer d'ander min,
d'een van verschoten ghelt ende d'ander van goet gecocht. Duc d'Alva merckende
dat zy alle teghenwoordich waren bedenckt eenen loosen vondt, ende dachvaertse
te comen des anderen daechs ontrent ten acht uren, dan soude hy haer ghelt doen
tellen. Maer hy was veel vroeger opgestaen dan zy lieden, ende was des morghens
wel vroech vertrocken sonder hen lieden Adieu te seggen [...].’
50
Alva vertrok met als eerste bestemming Utrecht,
evenals Jerolimo (vgl. vs.1929). De Amsterdammers die hem zo op goed vertrouwen
geld geleend hadden, zouden daarvan nooit meer iets terugzien.
Pontanus merkt op dat de gebeurtenis
inmiddels | | | | een legendarische klank had in Amsterdam:
‘[...] ende men singt noch by den Hollanders hier en daer in de percken
ende cruysstraten, ende dat op rijm ende Nederlantsche liedekens, dat hy
Banckeroet tot Amsterdam ghespeelt heeft: D'welck men teeghen die pleecht te
segghen, die de reeckeninghen van ontfanghen ende wtgheven onclaer
staende, dewijle zy niet betalen en connen, wt haer goet scheyden.’
51 Het
schandelijke van het bankroet was één kant van de zaak.
P.C. Hooft zal later in de
Nederlandsche historien (1642) de geschiedenis uiteraard
ook ophalen en dan tevens wijzen op de onnadenkendheid die er van de zijde van
de geldschieters bij in het spel was: ‘Geslachten van d'alderrykste, die,
uit dommen yver, en onervaarenheit, en zich aan 's Koninx naam vergaapende, hem
meer dan 't hunne geborght hadden, werden hierdoor zoo berooit, dat wyf en
kindren, zouden zy eeten, moesten om een' arme daghhuur [karig loon] gaan
werken.’
52
Moeten we nu op grond van de genoemde parallellen besluiten dat
Bredero Jerolimo als een personificatie
van Alva bedoeld heeft? Daar is geen reden toe. Jerolimo is hoogstens een zeer
kluchtige uitvoering van de ijzeren hertog. Maar het zou wel zo kunnen zijn dat
met het aanzetten van de omvang van het bankroet dat Jerolimo in Amsterdam
lijdt, Bredero de gedachte aan de Alva-affaire heeft willen oproepen, waardoor
het historische karakter van het spel aan kracht won. Dat dan niet in
feitelijke zin, maar door als het ware te laten uitkomen dat in het oude
Amsterdam op een dergelijke groteske manier bankroet ‘spelen’ via
de goedgelovigheid van de plaatselijke bevolking wel degelijk mogelijk was.
Het zou overigens ook kunnen dat de parallel geheel op toeval
berustte, en alleen maar voortkomt uit een toneelmatige uitbreiding van het
summiere gegeven in de roman. Toch is er dan nog een detail dat wederom te
denken geeft. Wanneer Jerolimo in de laatste scène waarin we hem
meemaken tegenover de opdringende Byatris en Gierighe Geraart uitvluchten
bedenkt voor het nu niet kunnen voldoen van hun financiële eisen, stelt
hij zich voor als een goed koopman die nooit zijn geld braak laat liggen en
daarom ook geen kontanten in huis heeft: ‘Ja siet eens, pont vlooms is
alle doogh so veel van interest,/ Wel verstoonde door de regel kos
[“regola della cosa”, ofwel, volgens wiskundige methodiek],
gedevideert tegens den penning thien.’ (vs.1861-2). Het is een
formulering die niet anders kan dan, al is het voor even, de gedachte oproepen
aan de belastingmaatregel waarmee Alva zich eeuwige roem zou verwerven.
| |
Eigentijds chauvinisme
Zou
Bredero een diepere bedoeling gehad
kunnen hebben met het tot leven wekken van het oude Amsterdam? Het
zal bij de eerste toeschouwers en lezers zonder twijfel tot een besef van het
grote contrast met de actuele stand van zaken hebben geleid. Het portret dat
Bredero van de oude Amsterdammers schildert is bijna navrant te noemen. Daarbij
vallen vooral domheid en schijnheiligheid op als een kenmerkende eigenschappen.
Achter de bij herhaling door de diverse personages geponeerde Hollandse
eenvoud, gaan telkens berekening en hypocrisie schuil. Aan het begin van dit
artikel sprak ik mijn vermoeden uit dat Bredero met zijn stuk behalve het
ontvouwen van een visie op het recente verleden, in verhulde vorm ook stelling
wilde nemen in een eigentijds debat.
Het zou zelfs zo kunnen zijn dat hij daarin een specifiek mikpunt
had in de persoon van de Amsterdamse regent
C.P. Hooft, die zoals bekend niet veel
ophad met | | | | de inbreng van de grote groepen immigranten in het
Amsterdamse leven. Dat zou dan een stout om niet te zeggen delicaat stukje zijn
geweest. Het is om een aantal redenen niet goed voorstelbaar dat Bredero in
zijn stuk impliciet stelling tegen Hooft heeft gekozen. C.P. Hooft was de vader
van een zeer gewaardeerde vriend van Bredero, en hij behoorde tot de rekkelijke
en liberale groepering in de Amsterdamse vroedschap. Hij nam in de bekende
conflicten tijdens het Bestand ferm stelling tegen de Gomaristen en was een
pleitbezorger van gewetensvrijheid. De schaarse gegevens die over Bredero op
dit punt bekend zijn, wijzen erop dat ook hij een gematigde en tolerante
houding in geloofszaken voorstond, maar zich tevens verre wilde houden van
inhoudelijke theologische disputen.
53 Dat laatste kan van C.P. Hooft niet
gezegd worden.
54 Hooft was desalniettemin een man die in ruime kring, bij
vriend en vijand, respect genoot om zijn houding tijdens de Opstand en in de
jaren na de Alteratie. Hooft onderscheidde zich temidden van de andere regenten
ook door zijn belezenheid en door een veelal wijze kijk op actuele zaken. Want
daar sprak Hooft zich, zoals blijkt uit een aantal bewaard gebleven
redevoeringen, graag over uit.
In 1617 doet zich een incident voor dat achteraf qua
gewelddadigheid als het Amsterdamse hoogtepunt in bestandstwisten tussen
remonstranten en contraremonstranten kan worden gezien. Op de ochtend van
zondag 19 februari bekogelen jeugdige contraremonstranten het huis van de
koopman
Rem Egbertsz. Bisschop, een broer van de
remonstrantse theoloog
Simon Episcopius. Tegen dit geweld werd
door de schout en de verantwoordelijken in het stadsbestuur geen actie
ondernomen, wat waarschijnlijk voor de relschoppers een aanmoediging was om tot
plundering van het koopmanshuis over te gaan. Pas na ruim vier uur zou de
schout een einde maken aan het oproer.
C.P. Hooft gaf enkele dagen later in een
toespraak tot de vroedschap zijn grote verontwaardiging te kennen over deze
gang van zaken.
55 De oproerlingen hadden diezelfde
zondagmorgen ook voor zijn huis, en voor dat van andere vooraanstaande
rekkelijken, misbaar staan maken. Hij sprak dus in zekere zin vanuit een
persoonlijk belang, maar zijn uiteenzetting heeft veel bredere contouren. Hooft
wijst het stadsbestuur op haar plicht de orde te handhaven en aan niemand en
dus ook niet aan de contraremonstranten enige vorm van eigenrichting toe te
staan. Hij voegt daar dan zijn eigen analyse van de toedracht bij, waarin hij
een kwestie aanroert die bij de conflicten over geloofszaken in deze jaren wel
vaker boven komt drijven: welke plaats kon aan immigranten in de vitale
onderdelen van het stedelijke leven worden toegestaan?
56 Hooft had daarover in de loop der jaren
al regelmatig een sterk afwijzende opinie laten horen.
57 En ook in deze toespraak spitst zijn onderzoek naar de oorzaak van
de huidige intolerantie en gewelddadigheid zich toe op de rol die vreemdelingen
zich inmiddels hebben toegeëigend. Dit gaat gepaard met een verheerlijking
van de oude Hollandse mores. Zijn opmerkingen kennen weliswaar enige
voorzichtigheidsfrasen, maar zijn visie is er niet minder stellig en
chauvinistisch om: ‘'T mach mijn aen tverstandt wel gebreecken,
ende daerom wil ick 't mijne wel om een beter geuen, maer nae het
oirdel, dat ick alsnoch hebbe, dunckt mijn, dat de naturelle ingeboorne van
Hollandt doorgaens alle andere volckeren in getrouwicheydt, oprechticheydt,
naersticheydt ende conscientie verde overtreffen, ofte immers nyemandt
daerin behoeuen te wijcken [...].’
58
Hoofts beeld van de oprechte inheemse Hollander staat lijnrecht
tegenover de staaltjes van schijnheiligheid die in de Spaanschen
Brabander door diverse Hollan- | | | | ders ten beste worden
gegeven. Hooft adstrueert zijn betoog door te wijzen op de misdaadstatistieken:
‘De Regenten vande huysarmen, gasthuysen, als oock insonderheydt dye
nieuwe algemene aelmoziniers, mitsgaders de diaconen vander kercke, mene ick
dat oock wel vernemen dat sij nae proportie nieuwers nae soo veel last hebben
vande ingeboren Hollanders, als wel van andere natien.’
59 Deze materie wordt door
Hooft zo omstandig aangeroerd om aannemelijk te maken dat de plunderaars van
het huis van Bisschop vreemdelingen geweest zullen zijn.
60
Met het poneren van deze veroordelende kijk op vreemdelingen,
verzuimt Hooft niet de oprechtheid van de Hollanders met voorbeelden te staven.
Zo wijst hij erop dat hun goede trouw blijkt uit het feit dat velen die in de
Oostzeehandel opereren zonder enige geschreven waarborg hun waren aan schippers
meegeven.
61 Een
ander voorbeeld spreekt uit Hoofts kenschets van het geschokte rechtsgevoel van
de eerzame Amsterdammers onder invloed van de gewelddadige rellen. Ze waren tot
dan toe gewoon om hun huizen, winkels en pakhuizen voor voorbijgangers open te
stellen, maar dat kan nu kennelijk niet langer.
62
Welke verontrusting er ook uit Hoofts woorden moge spreken, ze maken
gaandeweg tevens duidelijk dat Amsterdam in die tijd over het
algemeen als een veilige stad kan worden beschouwd, waarin afgezien van de
godsdienstige troebelen een zekere sociale rust heerst. Paupers die ertoe in
staat zijn, worden te werk gesteld, de godshuizen verrichten hun armenzorg, en
de burgers hoeven dus doorgaans hun deuren en ramen niet af te sluiten. Zelfs
waar getracht wordt een omineuze kijk op de eigen tijd te schilderen, zoals
hier door Hooft, is het contrast met de onveilige, chaotische en rechteloze
wereld in de Spaanschen Brabander van circa veertig jaar
eerder, scherp merkbaar.
Zou het
Bredero om dit contrast te doen zijn
geweest? Met andere woorden, is de Spaanschen Brabander
te beschouwen als een commentaar op chauvinistische opvattingen als die van de
oude regent
C.P. Hooft? We zullen het nooit met
zekerheid weten. Om de veronderstelling aannemelijk te maken zou allereerst
aangetoond moeten worden dat Bredero kennis heeft gedragen van de tekst die
Hooft in februari 1617 in de vergadering van de vroedschap uitsprak. Dat kan
echter niet met enig document worden gestaafd. Hij zal er in ieder geval niet
zelf bij aanwezig geweest zijn, maar misschien heeft hij een afschrift van de
rede onder ogen gehad. Het zou ook kunnen zijn dat Hoofts zienswijze in de
kringen waarin Bredero vertoefde veelbesproken was. Hoe het zij, in april van
hetzelfde jaar voltooide Bredero de Spaanschen Brabander, waaruit een
geheel andere visie op de oude Hollandse oprechtheid sprak dan uit de rede van
Hooft. Misschien dat we zo ook de aan het begin van dit artikel besproken
referentie aan de Theseus en Ariadne van C.P's zoon
P.C. moeten begrijpen: Bredero verkeerde met
zijn relativering van de Hollandse morele superioriteit in goed
kosmopolitisch-denkend gezelschap.
63 Dat laatste kon de
patriottische regent toch moeilijk ontkennen.
| |
Schalckheyd en scherpte
De thematiek van de Hollandse mores valt niet los te zien van het
eigentijdse besef dat de Hollanders in korte tijd een indrukwekkende
emancipatie hadden doorgemaakt. In een eerder artikel
64 heb ik
geprobeerd aannemelijk te maken dat de Hollandse intellectuelen en literatoren
aan het begin van de zeventiende eeuw met een zekere tevredenheid terugkijken
op een culturele inhaalcampagne die was ingezet | | | | door
Erasmus. De spreekwoordelijke botheid
die de Hollander van oudsher zou hebben aangekleefd, was overwonnen via een
krachtige, bewust gestuurde intellectuele en culturele emancipatie. Botheid
moet daarbij overigens opgevat worden als een begrip dat diverse connotaties
kan dragen, positieve als eenvoud en getrouwheid, maar ook negatieve als
domheid en gebrek aan manieren. Vooral de laatste betekenissen zullen, in
Hollandse ogen althans, snel aan relevantie verliezen, al scheppen de
Hollanders er tegelijkertijd een zeker behagen in om het begrip
‘bot’ als een geuzenadjectief in leven te houden.
Bredero bracht met de
Spaanschen Brabander een bijzonder accent aan in het zo
sterke besef van het slagen van de Hollandse beschavingsambities. Hij plaatste
de handeling van zijn spel nadrukkelijk in een nog weinig ontwikkeld
Amsterdam. Jerolimo mag de Hollanders op allerlei manieren van
botheid betichten, en uit het verloop van de gebeurtenissen kan worden afgeleid
dat zijn schimpscheuten bepaald trefzeker zijn. De Amsterdammers blijken
gemakkelijk te misleiden, ze ontberen verfijning, maar wat het meest
ontluisterend is, de positieve connotaties van het begrip ‘botte
Hollander’ houden nu juist geen stand. Eenvoud en trouw verkeren in
wanorde en schijnheiligheid. De Hollandse botheid is uiteindelijk niet iets om
trots op te zijn. Het schermen met de oude eenvoud en trouw, vooral waar men
zich verheven wil achten boven andere volkeren, verliest in het licht van de
evangelische waarheid dat de mens eerst zijn eigen gebreken moet bekennen,
bovendien elke rechtvaardiging.
65
In de Spaanschen Brabander speelde een
dergelijk besef als veronderstelde interpretatieve attitude op de achtergrond
weliswaar voortdurend mee, maar het stuk was toch in de eerste plaats bedoeld
als komisch spel. En als komisch spel wilde het misschien nog wel iets anders
tot uitdrukking brengen. De woordcombinatie ‘botte Hollander’ kende
een klassieke pendant in de ‘Auris Batava’, een begrip uit een
epigram van Martialis. Auris Batava verwijst naar de oude Bataven die in de
visie van Martialis uitgerust waren met een stel botte oren; oren die geen
begrip van verfijnde mededelingen en van scherts toestonden. Het is
Erasmus die Martialis' visie in een adagium
nieuw leven inblaast, en tegelijkertijd de Hollanders oproept zich nu eindelijk
eens intellectueel te gaan ontwikkelen. Dit zou als het startsein gezien kunnen
worden voor de boven beschreven Hollandse culturele emancipatie in de zestiende
eeuw.
Pontanus, om bij hem nog maar eens terug te
keren, kende de Auris Batava-legende uiteraard ook, en heeft er tegen de
achtergrond van de recente opbloei van Amsterdam een wat voorzichtige mening
over. Hij begint met vast te stellen, in bewoordingen die veel van die van
Erasmus weghebben: ‘dat het gene dat de oude eertijts op de Bataviers (nu
Hollanders) als onervaren, hard ende bot te zijn geschoten hebben, den
nacomelingen niet aen en gaet, oft ooc tot haeren lof moet gheduydt
zijn.’
66
Pontanus wijst er vervolgens op dat vele
volkeren een onbeschaafde voorfase hebben gekend. En dan komt er een nuancering
die eveneens bijna woordelijk bij
Erasmus te vinden is, en die de plaats van
het komische en kluchtige onder de Hollanders betreft: ‘Ofte so yemandt
t'gene dat van Martiale teghen de Bataviers gheseyt is wilt houden staende dat
het oock tot desen tijt behoort, wat meerderen lof salmen den Hollanders
gheven, als soo men seght dat zy vande bootsen [Lat. “iocis”] van
Martialis vreemt zijn, de welcke hy oock selve schalckheydt [Lat.
“nequitias”] noemt?’
67
Maar de ‘bootsen’, ofwel ‘speelse
ondeugendheden’, waar
Pontanus de Hollanders van meent te moeten
vrijpleiten, lagen bepaald niet buiten het gezichtsveld van | | | | de
moderne Hollanders.
Bredero maar ook
Roemer Visscher,
P.C. Hooft en
Samuel Coster bewezen het. Ze bewezen
tevens dat het vernuftig hanteren van het kluchtige en dubbelzinnige (en
daaronder zeker ook het pikante) tot een onderdeel van de eigen wellevende
beschaving gemaakt kon worden. Daarmee gaven ze een illustratie van die mooie -
zowel onheilspellende als betere tijden aankondigende - uitspraak van Jerolimo
in de openingsmonoloog van de Spaanschen Brabander.
Jerolimo heeft juist zijn voornemen bekend gemaakt om de Hollanders eens flink
om de tuin te leiden, en verbindt daar dan een ‘didactisch’ oogmerk
aan: ‘'t Is tijdt da wy die bot-muylen [i.c. de Amsterdammers], die
huybens [uilen] wat fatsonneeren:/ Men moet haar altemets een spelleken en een
kluchtken leeren.’ (vs.43-44). Zoals bij Martialis staan hier beschaving,
scherpte van geest, en speelse dubbelzinnigheid, in een directe relatie tot
elkaar.
Het zou
Bredero uit wellevendheid ongetwijfeld te
ver gevoerd hebben om, wijzend op eigen werk, de schimpscheuten van Martialis
op de Bataafse oren definitief als een achterhaalde legende te betitelen. In
1618 doet de Zeeuw
Jacob Cats het dan maar in zijn
Silenus Alcibiadis. Cats hanteert daarbij een luchtige,
om niet te zeggen schalkse, toon (want in bedekte termen vooral de procreatieve
vermogens van de Hollanders prijzende). In zijn opdracht ‘Aen de Zeeusche
ionck-vrouwen’ omschrijft hij de bloei van de Hollandse amoureuze
dichtkunst met bewonderende woorden. En in zijn woordkeus lijkt Cats
nadrukkelijk een weerspreking van de Bataafse oren-mythe te beogen:
‘Hollant is gheslepen’ zo stelt hij vast, ‘Daer is een
gheestich volck dat, door een aerdich jocken,/ Door sanck, en soet ghedicht, de
Jonckheyt weet te locken [etc].’
68 Het epitheton
‘bot’ is vervangen door ‘geslepen’. De
spreekwoordelijke ongevoeligheid voor scherts is niet langer kenmerkend voor
dit ‘gheestich volck’ dat zich zo doeltreffend van ‘een
aerdich jocken’ weet te bedienen. De simpele lieden zonder cultuur, die
van oudsher het boegbeeld van Holland vormden, zijn dan ook opgevolgd door
vaardige en vermakelijke dichters. En uiteraard noemt Cats onder zijn
voorbeelden Bredero.
| |
Literatuur
| Bonger (1978): H. Bonger,
Leven en werk van D.V. Coornhert. Amsterdam
(1978). |
| Brugmans (1972): H. Brugmans,
Geschiedenis van Amsterdam II. Utrecht/Amsterdam
(1972). |
| Brumble (1975-1976): H.D. Brumble III,
‘G.A. Bredero's Spaanschen Brabander.’ In:
Spektator 5 (1975-1976) p. 60-667. |
| Cats (1618): Jacob Cats,
Silenus Alcibiadis, sive Proteus. Middelburg
(1618) (ex. UBA: O 90-32). |
| Coornhert (1985): D.V. Coornhert,
Boeventucht (eds. A.J. Gelderblom, M. Meijer Drees et
al.). Muiderberg (1985). |
| Van Deursen z.j.: A.Th. van Deursen,
Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van
Maurits en Oldebarnevelt. Franeker z.j. (2e druk). |
| Van Deursen (1991): A.Th. van Deursen,
Mensen van klein vermogen. Het kopergeld van de Gouden
Eeuw. Amsterdam (1991). |
| Van Dillen (1935): J.G. van Dillen,
‘Amsterdam in Bredero's tijd.’ In: De
gids 99 (1935) II p. 308-336. |
| Eriksson (1976): Torsten Eriksson,
The Reformers. An Historical Survey of Pioneer Experiments in
the Treatment of Criminals. New York/Oxford/Amsterdam (1976). |
| | | |
| Evenhuis (1965-1966): R.B. Evenhuis,
Ook dat was Amsterdam. De kerk der hervorming in de gouden
eeuw, dl. I en II. Amsterdam (1965-1967). |
| Van Gelder (1982): H.A. Enno van Gelder,
De levensbeschouwing van Cornelis Pieterszoon Hooft,
burgemeester van Amsterdam 1547-1626. Utrecht (1982, facs. ed. van
eerste uitgave 1918). |
| Ter Gouw (1879-1893): J. ter Gouw, Geschiedenis van
Amsterdam (8 dln.). Amsterdam (1879-1893). |
| Grootes (1968): E.K. Grootes,
‘De Spaanse Brabander.’ In: Spiegel
historiael 3 (1968) p. 466-472. |
| Grootes (1979): E.K. Grootes (ed.),
G.A. Bredero's Schyn-heyligh. 's-Gravenhage
(1979). |
| C.P. Hooft (1871-1925): C.P. Hooft, Memoriën
en adviezen (2 dln.) (ed. H.A. Enno van Gelder). Utrecht
(1871-1925). |
| P.C. Hooft (1972): P.C. Hooft, Nederlandsche
historien boek 1-13 (facs. v. ed. Amsterdam 1703). In: P.C. Hooft,
Alle de gedrukte werken 1611-1738 (ed. W. Hellinga &
P. Tuynman) IV. Amsterdam (1972). |
| Keersmaekers (1981): A. Keersmaekers (ed.),
G.A. Bredero's vertaalde gedichten. 's-Gravenhage
(1981). |
| Keersmaekers (1987): A. Keersmaekers,
‘Bredero en de Spaanse Nederlanden.’ In:
Verslagen en mededelingen van de Koninklijke academie voor Nederlandse taal-
en letterkunde. (1987) p. 198-215. |
| Kollewijn (1883): R.A. Kollewijn (ed.),
Samuel Coster's werken. Haarlem (1883). |
| Méchoulan (1990): H. Méchoulan,
Amsterdam ten tijde van Spinoza. Geld en
vrijheid. Amsterdam (1990). |
| Melissen (1981-1982): S. Melissen,
‘De heedendaagse Goude-eeuw.’
In:Spektator 11 (1981-1982) p. 30-60. |
| De Meyere & Baekelmans (1914): V. de Meyere & L.
Baekelmans,
Het boek der rabauwen en naaktridders. Bijdragen tot de
studie van het volksleven der 16e en 17e eeuwen. Antwerpen
(1914). |
| Minderaa & Zaalberg (1984): P. Minderaa & C.A.
Zaalberg (ed.),
G.A. Bredero's Moortje. Leiden (1984). |
| Noordegraaf & Valk (1988): L. Noordegraaf & G. Valk,
De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late
middeleeuwen. Bergen (1988). |
| Pontanus (1611): Ioh. Isaac. Pontanus,
Rerum et urbis Amstelodamensium historiae.
Amsterdam (1611) (ex. UBA: 330 A 12). |
| Pontanus (1968): Ioh. Isaac. Pontanus,
Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde coop-stadyt
Amsterdam. (vert. Petrus Montanus). Amsterdam (1968, fotogr. herdr.
v. uitg. Amsterdam, 1614). |
| Roodenburg (1990): H. Roodenburg, Onder censuur. De
kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam
1578-1700 (diss.). Hilversum (1990). |
| Rooker (1991): C. Rooker,
‘Bredero, poëet en Amsterdammer, en de Spaanse
Brabander.’ In: Literatuur 8 (1991), p. 30-38 |
| Schama (1988): S. Schama,
Overvloed en onbehagen, de Nederlandse cultuur in de Gouden
Eeuw. Amsterdam (1988). |
| Van Stipriaan (1996): R. van Stipriaan,
‘Hollandse botheid in de Spaanschen
Brabander.’ W. Abrahamse et al. (red.), Kort Tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan
Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam (1996) p. 95-101. |
| | | |
| Van Stipriaan (1997): R. van Stipriaan,
‘De Spaanschen Brabander, een kluchtig
spel.’ In: Nederlandse letterkunde (1997) p. 45-66. |
| Stoett & Damsteegt z. j.: B.C. Damsteegt & F.A.
Stoett (eds.),
G.A. Bredero's Spaanschen Brabander Jerolimo.
Zutphen z.j. (derde druk 1978). |
| Strengholt (1975): L. Strengholt,
‘[bespreking van] G.A. Bredero's Spaanschen Brabander (ed.
C.F.P. Stutterheim (1974)).’ In: TNTL 91 (1975) p.
305-317. |
| Stuiveling et al. (1983): G. Stuiveling et al. (eds.),
G.A. Bredero's boertigh, amoreus, en aendachtigh groot
lied-boeck. Leiden (1983). |
| Stuiveling & Damsteegt (1986): G. Stuiveling & B.C.
Damsteegt (eds.),
G.A. Bredero's verspreid werk. Leiden (1986). |
| Stutterheim (1974): C.F.P. Stutterheim (ed.),
G.A. Bredero's Spaanschen Brabander. Culemborg
(1974). |
| Terwey & De Vooys (1920): T. Terwey & C.G.N. de Vooys
(eds.),
G.A. Bredero's Spaansche Brabander.
Groningen/'s-Gravenhage (1920)3. |
| Van Vaeck (1994): M. van Vaeck, Adriaen van de
Vennes Tafereel van de belacchende werelt (Den Haag 1635) (3 dln.).
Gent (1994). |
| Veenstra (1946): F. Veenstra,
Bijdrage tot de kennis van de invloeden op
Hooft.Assen (1946). |
| Verdenius (1925): J.J. Verdenius,
‘De Spaansche Brabander.’ In: TNTL44
(1925) p. 237-275. |
| Wesseling (1993): A. Wesseling,
‘Are the Dutch Uncivilized? Erasmus on the Batavians and
his National Identity.’ In: Erasmus of Rotterdam Society
Yearbook 13 (1993) p. 68-102. |
| De Witte z.j.: A.J.J. de Witte (ed.),
P.C. Hoofts spel Theseus en Ariadne.Zutphen
z.j. |
|
1Vgl. de opmerkingen van Zaalberg in de
inleiding bij de meest recente editie (Minderaa & Zaalberg (1984) p.
35ff).
2Stutterheim (1974) p. 136 (‘Tot den
goetwillighen leser’); zie voor deze passage tevens Van Stipriaan (1997)
p. 58.
3Editeur Stutterheim koos in zijn inleiding een
diametraal tegengesteld gezichtspunt: ‘Iemand kan in een historisch
toneelspel zijn tijdgenoten een spiegel voorhouden. De mensen waren in 1576
niet anders dan in 1617 en alles wat over allerlei verdorvenheden wordt gezegd,
kan op beide jaren betrekking hebben.’ (Stutterheim (1974) p.
24-5).
4Vgl. mijn artikel ‘De Spaanschen
Brabander, een kluchtig spel’. (Van Stipriaan 1997)
5Vgl. bijv. Stutterheim (1974) p. 89; Brumble
(1975-1976) p. 664; en Rooker (1991) p. 34f.
6H.D. Brumble is degene die dit standpunt het
meest geprononceerd vertolkt (Brumble (1975-1976) p. 663f en
passim).
7Vgl. bijvoorbeeld vs.1022ff (betoog van Jan
Knol, nog eens hernomen in vs.1165f); vs.1293 (uitspraak van Trijn Snaps); of
vs.2039 (Otje Dickmuyl over ‘knoeten’).
8Zie Van Stipriaan (1996.) p. 98f; en Van
Stipriaan (1997).
9Vgl. de uitgave van deze tekst door E.K. Grootes;
zie diens inleiding voor een analyse van de thematiek, waarbij overigens wordt
opgemerkt dat, in vergelijking met het origineel van
Aretino,
Hooft en
Bredero de nadruk op de schijnheiligheid
wat afzwakten (Grootes (1979) p. 33)
10Zie ‘Tot den goetwillighen leser’
(Stutterheim (1974) p. 132-137) en daaruit dan met name de aanvangspassages. En
zie ook de schimpscheut op de bevooroordeelde critici van zijn stuk via de
aanspreking ‘hypokrytesche schijn-heylighe’ (id.p. 134).
11Er werd reeds op gewezen door J.G. van Dillen
(Van Dillen (1935) p. 313); zie voorts Stuiveling & Damsteegt (1986) p. 31f
en p. 79; Keersmaekers (1987) p. 203f.
12De vondst werd gedaan door J.J. Verdenius
(vgl. Stutterheim (1974) p. 331).
13De Witte z.j p. 49 (vs.102-3).
14De Witte z.j. p. 49, vs.107-8; zie aldaar
tevens de inleiding p. 23 voor een toelichting op de invloed die Hooft op het
punt van kosmopolitisme van met name Montaigne en Lipsius onderging. Zie
daarvoor echter vooral Veenstra (1946) p. 59f.
15Vgl. de opmerkingen van Grootes: ‘Het is
van een prachtige ironie dat Jerolimo in zijn chauvinistische opschepperij mede
woorden hanteert die juist bestemd waren geweest om de kwaliteiten van iemands
geboortestad te relativeren.’ (Grootes (1968) p. 472). Zie tevens
Strengholt (1975) p. 310.
16Jerolimo vraagt aan Robbeknol waar hij
vandaan komt en deze zegt: ‘van Embden God bettert.’ (vs.66).
Stutterheim meent dat deze opmerking van Robbeknol een staande uitdrukking moet
zijn geweest, die in het geheel niet impliceert dat Robbeknol uit Embden komt
(Stutterheim (1974) p. 73f). Door welk ander gegeven behalve deze constatering
Stutterheims twijfel aan het waarheidsgehalte van deze opmerking is ingegeven,
wordt me niet duidelijk.
17Vgl. de Nederlandse bewerking van het
Liber vagatorum, Der fielen, rabauwen, oft der
schalcken vocabulaer (eerste uitgave 1547, herdrukken in 1563 en
1613), met als ondertitel ‘ooc de beueysde manieren der bedeleeren oft
bedelerssen, daer menich mensche deur bedrogen wort, wort hier geleert, op dat
hem elck daer voor wachten mach, ende is seer nut ende profijtelijck om lesen
voor alle menschen’ (De Meyere & Baekelmans (1914) p. 5), waarin
enige tientallen soorten bedelaars met hun bedrieglijke praktijken worden
besproken. Vgl. voor deze thematiek tevens Van Vaeck (1994) p. 783ff naar
aanleiding van een bewerking die
Adriaen van de Venne in zijn
Tafereel van de belacchende werelt (1635) maakte naar
deze Nederlandse uitgave van het Liber vagatorum.
18Zie Van Stipriaan (1997) p.48.
19Vgl. Stoett & Damsteegt z.j. p. 10ff;
Stutterheim (1974) p. 14 (betr. Robbeknol) en p. 63 (betr. Jerolimo).
20Zie voor een evaluatie van de diverse
historische referenties: Stutterheim (1974) p. 17ff;
21Rooker (1991) p. 30f en passim.
22Vgl. Noordegraaf & Valk (1988) p. 226,
p. 230 en tevens p. 43.
23Vgl. Stutterheim (1974) p. 21; Rooker (1991)
p. 30. Bij
Pontanus is sprake van het twee keer
moedwillig doorsteken van de ‘Diemer Dijck’ in 1573 door
opstandelingen onder aanvoering van Diederik van Sonoy in een poging greep te
krijgen op het goederenverkeer naar het Spaansgezinde Amsterdam
(Pontanus (1968) p. 96f en p. 98). Zie voor het belang van Pontanus voor het
begrip van de Spaanschen Brabander, het hiernavolgende
betoog.
24Vgl. de uitputtende opsomming die
Stutterheim geeft (Stutterheim (1974) p. 18ff; waarbij een interessant gegeven
Robbeknols verslag van een amourette die zijn moeder zou hebben gehad met een
knecht van Alva's stalmeester, waaruit een zoontje voortkwam. Stutterheim stelt
vast dat er sindsdien volgens de door Robbeknol vertelde tijd omstreeks zes
à zeven jaar verlopen moeten zijn. Stutterheim meldt dat Alva in 1573 in
Amsterdam heeft verbleven. Dit zou via eenvoudig rekenen 1579 of
1580 als jaar van handelen opleveren (id. p. 20). Inderdaad verbleef Alva in
1573 enige tijd in Amsterdam - een feit dat misschien ook voor de
Spaanschen Brabander niet zonder betekenis is, waarover
hierna meer - maar hij vertrok ook al weer snel, terwijl de knecht van de
stalmeester van Alva er een aantal jaren later nog steeds is (vgl. vs.117 en
131), wat er misschien op mag wijzen dat het opereren van de stalmeester en
zijn knecht niet direct met de aanwezigheid van Alva verband hoeft te houden.
De liefdesaffaire zou dus mogelijk door
Bredero vroeger gedacht kunnen
zijn.
25Vgl. het overzicht bij Stutterheim (p.
22ff).
26Vgl. Méchoulan (1990) p. 48ff, p.
108ff en passim.
27Pontanus (1968) fol.*3r: zie voor vergelijkbare
opmerkingen id. p. 105, waar de drie fasen met respectievelijk
‘ijzeren’, ‘zilveren’ en ‘gouden’ tijd
worden benoemd. Vgl. Melissen (1981-1982) p. 38f en passim voor de
geschiedopvatting die aan deze fasering ten grondslag ligt. Het lijkt overigens
aannemelijk dat Pontanus de Alteratie als het keerpunt opvat; in de eerste
Latijnse uitgave van 1611 wordt op de genoemde plaatsen naar tweeëndertig
jaar eerder verwezen (Pontanus (1611) p. *3r en p. 65; het resterende jaar
verschil zou verklaard kunnen worden uit de produktietijd van dit omvangrijke
geschiedwerk.
28Zie Terwey & De Vooys (1920) p. XIV en
Stutterheim (1974) p. 23.
29Vgl.
Pontanus (1968) p. 115f en
Spaanschen Brabander vs.1646ff.
30Pontanus (1968) p. 117ff.
31Vgl. Noordegraaf & Valk (1988) p. 31f en
passim.
32Pontanus (1968) p. 120; Pontanus citeert hier
uit een brief van Augerius Busbequius. Vgl. voor het doordringen van
besmettingstheorieën in de Nederlandse publieke opinie: Noordegraaf &
Valk (1988) p. 31ff en passim.
33Vgl.
Coornhert (1985) p. 31ff. Zie tevens
Eriksson (1976) p. 11ff, waar ook aan het tractaat Bedenking op de
grondvesten vant tuchthuis van
Jan Laurensz. Spiegel uit 1589 grote
invloed wordt toegeschreven.
34Die overigens weer ontleend waren aan zijn
gedichtencyclus Recht ghebruyck ende misbruyck van tydlycke
have (1585), die op zijn beurt weer een vertaling was van
De rerum usu et abusu van de Fries
Bernardus Furmerius uit 1575 (vgl. Bonger
(1978) p. 381).
35Coornhert (1985) p. 104.
36Zie voor allusies op mildheid onder de
Amsterdamse bevolking, waarbij soms ook het leegloperspraktijken bevorderende
neveneffect wordt aangewezen, o.a. vs.875, vs.1155, vs.1323ff (en dan met name
vs.1328ff), en vs.1927.
37Zie voor dit verschijnsel ook
Pontanus (1968) p. 135 voor een verhaal
over een bedelaar te Brugge die een reeks kwalen voorwendde en
daardoor grote aalmoezen kon verwerven; bij het opbrengen van deze bedrieger
waren velen onder het volk op de hand van de bedelaar (‘vele vanden
gemeynen volcke t'onvreden zijnde ende medelijden hebbende’
(etc)).
38Coornhert (1985) p. 68.
39Pontanus (1968) p. 132.
40Vgl. Pontanus (1968) p. 132ff en p. 137ff; zie
voorts Eriksson (1976) p. 11ff, en Van Deursen (1991) p. 67ff. Het is in
verband met diverse blijken van ongeletterdheid en onwetendheid met het
evangelie in de Spaanschen Brabander bovendien
interessant om te constateren dat ook daarover was nagedacht bij de inrichting
van het tuchthuis: ‘Op Sondagen ende heylichdagen zijn zy [de bewoners
van het tuchthuis] alle gehouden te comen op een plaetse van het parck
afghescheyden, die men de Schole noemt. Hier wordt wat in Godes woordt
voorgelesen, voornemelick soo daer yet is dat diene tot de manieren ende
beteringhe des levens. Sommige worden oock inde eerste beginselen der letteren
met lesen ende schrijven gheoeffent.’ (Pontanus (1968) p. 133).
41Zie voor een overzicht van de diverse
maatregelen de ordonnantie van 1613, zoals afgedrukt bij Pontanus (1968) p.
306ff en aldaar met name de artikelen V en volgende.
42Vgl. Eriksson (1976) p. 16f; Schama (1988) p.
581; Roodenburg (1990) p. 33; Van Deursen (1991) p. 60.
43Pontanus (1968) p. 306-309. Zie voor Pontanus'
visie op het vraagstuk van de ‘stercke bedelaers’: id. p.
134ff.
44Vgl. Van Dillen (1935) p. 327.
45zie respectievelijk Stutterheim (1974) p. 241 en
Pontanus (1968) p. 306.
46Stutterheim (1974) p. 25; en zie p. 35 voor
veronderstellingen over de datum, waarbij onder andere geopperd wordt dat die
kan zijn ingegeven doordat Bredero deze passage mogelijk op 18 maart geschreven
heeft.
48Uit Pontanus vallen de data niet met zekerheid
af te leiden; het is in ieder geval op of heel snel na 17 maart, de dag van de
overval door medestanders van Brederode op het verblijf van De la Torre, de
gezant van Margareta van Parma, waar het request als volgende politieke daad
uit voortvloeide. Vgl. Brugmans (1972) II p. 70, waar de diverse data wel met
stelligheid worden geponeerd: ‘[...] Op het verzoek van de raad stemde
Bredero erin toe “dat hij, tot dienst der Co. Mat. en tot rust en
eendragt in de stad, hier zou blijven als kapitein over den krijgshandel der
stad, en niets zou ondernemen aleer het antwoord van den prins gekomen
was.” Zo geschiedde het op 18 maart.’ Het door Brugmans gegeven
citaat voert terug naar een van de direct betrokkenen, Adriaan Pauw (vgl. Ter
Gouw (1879-1893) VI p. 175).
49Dit volgens Ter Gouw (Ter Gouw (1879-1893) VI
p. 175).
50Pontanus (1968) p. 100. Zie voor deze
geschiedenis tevens Ter Gouw (1879-1893) VII p. 114ff.
51Pontanus (1968) p. 100. Zie voor enige
voorbeelden van de genoemde liedjes: Evenhuis (1965-1967) I p. 83.
52P.C. Hooft (1972) p. 339.
53Vgl. Evenhuis (1965-1967) II p. 299f; zie
bijvoorbeeld ook de positie van Bredero's vriend
Reinier Telle, die als buitenstaander
wél zijn stem liet horen in het debat, waarschijnlijk ook remonstrantse
sympathieën had, maar tegelijkertijd een afkeer toonde van het voortdurend
theologische strijden tussen Arminianen en Gomaristen (Evenhuis (1965-1967) I
p. 245ff; Keersmaekers (1981) p. 46ff en m.n. p. 52ff voor de verwantschap op
dit punt met Bredero). Vgl. tevens de opmerkingen van G. Stuiveling in
Stuiveling et al. (1983) p. 77-82.
54Vgl. Van Gelder (1982) de hoofdstukken V tot
en met VIII.
55C.P. Hooft (1871-1925) I p. 167-191
(‘Op de troubelen en beroerten in februario a o 1617 binnen
Amsterdam gevallen’).
56De algemene gang van zaken was dat de
vroedschap niet, maar de kerkeraad wel voor Brabanders en Vlamingen openstond
(vgl. Van Deursen z.j. p. 90ff).
57Cf. Van Gelder (1982) p. 44ff en p. 167ff:
‘[...] de vreemdelingen dienen uit de vroedschappen, evenals uit
alle ambten en kerkeraden te worden geweerd. Hen haat hij bijna, groot is
tenminste zijn afkeer en minachting voor ze.’ (p. 167). Vgl. Van Deursen
(1991) p. 50ff waar opvattingen als die van Hooft worden bezien tegen de
achtergrond van de problemen die de opvang van grote groepen veelal arme
vluchtelingen in Holland in de jaren rond 1600 opriepen. De afkeurende visie op
vreemdelingen lijkt vooral in remonstrantse kringen gevonden te worden (id. p.
51).
58C.P. Hooft (1871-1925) I p. 178.
59C.P. Hooft (1871-1925) p. 179; vgl. de opmerking
van de patriot Jan Knol in de Spaanschen Brabander, na gewezen te hebben
op de vreemdelingen als schuldigen voor het feit dat mensen niet meer zo graag
aan bedelaars geven: ‘Sy zijn de óórsaack van der rechter
armen nóót,/ Die treurichlijck verkoopt zijn schaamt om wat
dróóch bróót./ En onder alle die de huyssitten hier
spysen,/ En suldy gheen twintich Burghers kinderen wysen./ Haar hert is haar te
gróót. Maer Moffen, Poep en knoet/ Dat syn troggelaers tot
bedelen opghevoet’ (vs.1166-1171). Dat dergelijke opmerkingen van een
schijnheilig personage als Jan met veel reserve bekeken moeten worden, is naar
ik hoop uit het voorgaande reeds duidelijk geworden. Dat de verhouding tussen
inheemse armen en behoeftigen van elders ook op een andere toon besproken kon
worden, bewijst wederom Pontanus, die uiteenzet dat aan de Amsterdamse
‘nieuwe zijde’ op de 1611 behoeftige huisgezinnen er ten hoogste
200 van Hollandse origine zijn; de overige zijn van uiteenlopende herkomst
‘[...] wt haer landt, door de oorloghe, ende andere nootsakelicheyt
ghedreven.’ (Pontanus (1968) p. 129-130); Pontanus voegt er nog aan toe
dat ze slechts onder de bedeling vallen ‘als zy niet en gaen bedelen ende
hier vast woonachtich zijn’ (id. p. 130).
60Vgl. C.P. Hooft (1871-1925) I p. 179-80:
‘Soodat ick daeruyt vaste reeckeninge maecke, dat al dat geselschap, dat
hem in dese ongebondentheydt heeft laten gebruycken, meestal uyt sodanigen
volck met hare kinderen is bestaende, en de datter gene, ofte immers seer
weynich, van oude Hollanders daeronder hebben gelopen.’
61C.P. Hooft (1871-1925) I p. 179: ‘De
geene dye ter seewaerts, en de insonderheydt op Oostlandt [de
Oostzeelanden] handelen, veel goedts en de gelt ofte costelijcke waren,
sonder eenige cognoscementen, derwaerts seynden en de vandaer ontfangen,
en dedaerbeneffens oock op verscheyden andere landen trafycqueren, konnen
daervan [van de trouw etc. van de Hollanders] best oordelen.’
62C.P. Hooft (1871-1925) I p. 183.
63Daarvoor kan behalve naar P.C. Hooft ook naar
een andere geestverwant van Bredero worden verwezen:
Samuel Coster met zijn Spel
vande rijcke-man (1615). In deze didactische allegorie klaagt
‘Ouderdom’ (of ‘Kommer’) over de grote hoeveelheid
listige bedelaars in Amsterdam (Kollewijn (1883) p. 177, vs.799-826) en brengt
dat in verband met de aanwezigheid van vreemdelingen: ‘En als ment Volck
beziet, zijnt maer een hoope Knoeten,/ Wt Eyderste van daen, en Burghers die te
met/ Voor vond'ling aen de Camper Steygher zijn gheset./ Die t'Amsterdam
maer op een stroo-wis komen dryven,/ Of die niet langher in haer Lant en
mochten blyven [etc.]’ (vs.821-825). waarop ‘Waerheydt’, die
als spreekbuis van de auteur kan worden beschouwd, antwoordt: ‘Nu oude
Vader, nu dit is een mis-verstandt./ Tis lijcke veel waer dat de Luyden zijn
gheboren/ Als ze maer deuchlijck zijn, en wel doen na behooren:/ Den vromen
vreemdelingh, al heeft hy goed noch Schat/ Is beter dan een onvroom Burgher van
de Stadt,/ Al was hy schoon van rijck, en over oude struycken,/ Men ziet niet
op de mans, maer op des mans misbruycken’ (id., vs.827-833). Vgl.
Verdenius (1925) p. 269 en Keersmaekers (1987) p. 201. De uitdrukking op een
‘stroo-wis komen drijven’ (met de betekenis in berooide toestand
arriveren) wordt in een vergelijkbare depreciërende context ook in de
Spaanschen Brabander gebruikt (vs.1014).
64 Zie Van Stipriaan (1997).
65Zie Bredero's voorrede (Stutterheim (1974) p.
132ff) en vgl. (Van Stipriaan (1997) p. 54)
66Pontanus (1968) p. 276; vgl. de tekst van
Erasmus bij Wesseling (Wesseling (1993) p. 90 (r.17-19).
67Pontanus (1968) p.277: het epigram van Martialis
voor zover geciteerd door Erasmus luidt: ‘“Tune es, tune” ait
“ille Martialis/ Cuius nequitias iocosque nouit/ Aurem qui modo non habet
Batauam?”’; vgl. de vertaling bij Wesseling: ‘“Are you,
are you,’ he said, “that Martial, whose naughty jokes everyone
knows, at least everyone who does not have a Batavian ear?”’
(Wesseling (1993) p. 89 en p. 90). De zinsnede bij Pontanus is overigens een
bijna letterlijke weergave van een passage in Erasmus adagium: ‘Quod si
quae quondam in Batauos dicta sunt contendet aliquis ad huius temporis rationem
pertinere, quae maior laus Hollandiae meae poterit tribui quam si dicatur a
Martialis iocis abhorre, quos etiam ipse nequitias appellat?’ (Wesseling
(1993) p. 90. r.21-23); vgl. Pontanus (1611) p. 235: ‘Aut si quis ea quae
in Batavos à Martiale dicta sunt contendit ad hanc quoque temporis
rationem spectare quanam maior laus Hollandis tribuetur, quam si dicatur
à Martialis iocis abhorre, quos etiam ipse nequitias
appellat?’.
68Cats (1618) fol.****2r.
|
|