terug  begin  verderprepost
[p. 138]

Getal

§ 203.

Verschillende abstracte znw. worden in het meervoud gebezigd, waarvan wij thans geen pluralis vormen, zooals: ere, genade, lof, prijs, scout, minne, hulde, scande, confuus, gonste, plicht (verantwoordelijkheid), hope, lief, leet, sekerheit, joget, ellende, mist, seer, gemack, trouwe, rouwe, spoet, vrede, enz. || Men sprack daer harde vele eren der coninginnen. Wi moghen hebben grote genaden. Van so groten prise ende van loven. Dat gene ombedecte minnen comen mogen te hogen prisen. Bi dulllen rade verloos hi der moeder hulden. Die scouden die sijn mijn. Ic duchte grote scanden. Maer ic u nimmer dan jonsten en tooghe. Dies moet hij dien nacht de craemen wachten up sine plechten. Die in goeden hopen sijn van minnen. Dit sijn vijf rouwen van onser liever Vrouwen. Dat craft ende gheweldicheit maken nijt ende grote veede ende van lieven maken lede. In goeden trouwen. (En) trouwen. Onachtsam vremder spoede (ongevoelig voor uitwendig succes). Vooral geschiedt dit na wat. || Wat eren soutstu hebben dies of wat lone of wat prise. Wat node soude hem jaghen achter bosschen ende haghen. Wat groter lede eest datti doet. Ook van een persoonsnaam: Wat Reiniere es dit? Zie Crit. Comm. 95; Leendertz, Flor. CII; Brugm. § 526,3); Idg. Forsch. XX, 197-198; Wilmanns III, 339, 4; Diez III, 5; Vondel's Taal I § 75 en hd. in Treuen, in Ehren, zu Gnaden, in Hulden, zu Schanden werden, enz.

 

Opm. I. Enkele collectieven werden ook gebruikt voor één enkelen persoon of zaak, zooals diet (volk, mensch, kerel, held); vee (een stuk vee); meisniede (dienstpersoneel, hofhouding; dienstbode, dienaar); liet (volk; mhd. liut), mv. liede, menschen (Mnl. Wdb. IV, 522); joget (jeugd; jongeling, meisje; vgl. eng. youth; gri. νεανίχς). Vgl. Brugm. § 436; Taal en Letteren XI, 182 vlgg.; Idg. Forsch. XIX, 295.
Opm. II. In en door het rijm komt somtijds een meervoud voor in verbinding met een enkelvoud. || Dune vinds in desen wederstoot niewer ghenen vrient noch maghe (: daghe). In: Het moet al sterven jonc ende oude (: woude) hebben we met een analogieformatie te doen (vgl. arm ende rike; groot ende clene). Ook buiten het rijm komt deze laatste verbinding voor. In de twee andere, Stroph. Ged. bl. 166 geciteerde voorbeelden Het seghet al, heren ende knecht (: berecht). Gemoetise, waert man of wive (: live) kunnen knecht en man beide meervoud zijn. Zie Franck § 206 en § 193.

prepostterug  begin  verder