|
|
|
| |
| | | |
Overeenstemming
§ 204.
In den regel komt het koppelwkw. in getal overeen met het onderwerp. Overeenkomst
met het praedicaatsnomen heeft evenwel plaats, wanneer het onderwerp het neutrum
van een pronomen is, dat een eenigszins vage beteekenis heeft, waardoor het mv.
zich richt naar het duidelijk meervoudig praedicaat1. || Het waren heidine al. Dit waren
haer clederkine. Dit sijn Seneca leren. Behoort bij een enkelvoudig
subject een meervoudig praedicaatsnomen, dan richt zich het wkw. naar het
praedicaat. || Die vierde plaghe waren vlieghen (vgl. hd. der Lohn dieser Welt sind vergängliche Freuden); doch ook het
enkelv. komt voor: Scone pausvederen voorwaer was boven al dat
dac (Brand.).
Opm. I. Overeenstemming in persoon tusschen de copula en een als subject gebezigd
neutr. van een pronomen, terwijl het praedicaat een pers. vnw. is, komt een
enkele maal voor. || Wie sal hier de tolne ontfaen? Die gone seide:
Dats ic (vgl. fr. c'est moi; eng. It is
I2). Opm. II. Wanneer het
onbep. vnw. het als aankondiger van het subject optreedt (§
38), richt zich het ww. naar het logisch onderwerp. || Het waren
twee conincskinderen. Het waren vele lieden in dien tijd. Het worden
vechtende die Sammaritane. Daarnaast een enkele maal bij een telwoord.
|| Het esser zeven consten gheheten liberale, eene constructie
die in Vlaamsche dialecten nog bestaat, als navolging van het Fransch (zie De
Bo, 427: 't Is er velen die anders denken). Vgl. hd. es ist naast es sind; es giebt naast es geben; in 't Ofr. il est naast il sont; zie Mnl. Wdb. III, 408; voor
lateren tijd Bredero § 31; Ndl. Wdb. VI, 686. Opm. III.
Zijn de deelen van een veelvuldig onderwerp van verschillenden persoon, dan
staat het wkw. in den eersten persoon, zoo deze aanwezig is; zoo niet, dan in
den tweeden. || Ic ende dijn sone bliven verdreven. Ic ende dit
wijf woonden te gader. Du ende dine kinder salt doot sijn. Maer du ende die
spaerware hebt dese edelheit ommare. Ook kunnen beide deelen wederom
worden opgenomen door een pronomen, waarmede dan het wkw. overeenstemt. || Ic ende ghi, wi sijn die den anderen minnen
| | | |
mogen.
Dese ghesellinne mine ende ic, wi droeghen over een. Het
tegenovergestelde vinden we in: Doe seide so: als wi waren
vergadert wettelic, du ende ic, so sach ic, enz. Zie Wilmanns III, §
155.
| |
§ 205.
Geen overeenstemming tusschen onderwerp en gezegde vindt men, wanneer het
eerste een collectief is; alsdan kan het wkw., evenals in het Ofr. en het
Mhd., in het meervoud staan.
|| Al tfolc loofden den coninc Saul. Sijn hoir hilden trike.
Dijn gheslachte sullen sijn coninge van Israël. Een scare stonden
ghescaert. De Roemsce raet coren enen die Victor hiet. Al ghemeene
quamen na ons ghelopen. Die meente metten ridderen overeendroeghen. Dat
diet waenden, dat hijt seide van vare. Dat geselscap hem verscieden. In
den woch varende quamen een trop hovelinge. Alse dat here van Brabant al
gereet waren. Doe sagen der viande macht, enz. Die
ghemeente van den lieden seiden some. Hets menechwerf ghesien, dat
vrouwen oneerlijcheit (= schandelijke dingen) ghescien. Deene paertie wouden sterken die heeren. Deerst geselscap
sellen over tfonnesse wesen. Dat roomsche convent vloen. So datter een
deel ute stolen. Ende dat heerscap van Remerswale gaderden. Die clergie
leveden in so groter scande. Ene grote menye sullen doot bliven. Die
lage gaven hem so zware wonden. Brabant stoc no steen meer verloren. Dat
lant wouden dat hi hilic dade. Ende alse Kartago wiste die mare, daden
sine bannen. Alle quaetheit die sijn bijna ten hoechsten ende ten
oversten comen; enz. Zie Delbrück, Synt. III §
103; Paul § 230; Wilmanns III § 153; Sn. de Vogel § 188 en vgl. thans nog:
Een groote massa stemmen waren op hem vereenigd. Ongeveer
alle leden kwamen ter vergadering; een tiental hebben kennis gegeven van
verhindering. De plaatsen zijn bijna uitverkocht; een paar zijn er nog
over.
Opm. Eene enkele maal vindt men overeenstemming met het gramm. subject, waar
wij die niet zouden verwachten: Soudi danne wel willen weten,
dat cullen waren een hovesch wort? Vgl. ndl. Stoelen
is het meervoud van stoel.
| |
§ 206.
Behalve bij de verzamelnamen kan het werkw. ook in het meerv. staan na
enkelvoudige onbepaalde pronomina, die een collectief of algemeen begrip
uitdrukken, als selc, men, menech ene, elc, somich een, menech,
so wat, wie (so); ook na niemen
en (en) geen.
|| Selc die draghen grau ende bont. Doe men die stienen leiden
in dat fundament. Hoe men wilden dat si daden. Dat men bi dien Gode
scouwen mogen. Scat dien men gherne te rovene pleghen. Hoe menich
| | | |
dorper ghier sijn nu te hove bi den heren. Daer
omme bleven doot menich prince. Dier mirakelen menich ene ghescieden.
Somech een, die ontscoet, die quamen. Daer sijn serpente menich een.
Menich ene worden sere tebarenteert. Elc dier waren droefden te meer.
Niement uter stat en conden ontfaren. Niemen goeder zeggen dan. Gheen
man en mochten scilt draghen. Omdat nyemand, in wat ordine si waren,
verhoverden souden. Der Roemschen keyser engeen ne gewonnen meer in
ghewelt. So wat wive der tominghe gomen. Wie dat dlijf mach ontdraghen
selen in bossche ende in haghen hen berghen. Wie so wille mochten der
wapen dragen. Vgl. § 108; Noord
en Zuid III, 86-92; Wilmanns III § 153; Paul, Gr.
IV § 168; voor later tijd Vondel's Taal § 254; Bredero §
25.
Opm. I. Ook in den relatieven zin, welke betrekking heeft op een collectief
of een collectief begrip, wordt meermalen van het gramm. getal afgeweken en
een constructio ad sensum aangetroffen. || Elken ridder,
diene cruusten. Men vint van hem menegen genoot, die hem selver eer
slaen doet. Menich fel gast, die seere haetten Christus wet. Menech
verdranc in die stranghe, diere in vielen. Menegerhande sake, die hem
quamen te groter ere. An hem so viel menechte groot, die eer wilden
laten tleven. Ende daer waser veel, die zeer bedroeft waren. Menre
niemen wille gehoren, die besondecht sijn te voren. Doe brochtemen vor
den rechter (= de rechters) saen, diene niet en wilden
ontfaen. Ne waser man noch jongelinc, die wisten waer hi bequam. Elc
hadde an ene casule groot, die yserijn waren ten hielen lanc. Al dat
wonder, die u noch verholen sijn. Die dief steelt, dat si vinden. Alse
een peert, die sijn so snel. Die lyoen moet hem vlien, die nochtan alle
diere ontsien. Alt volc, dat tusscen der Elven enten Rine orlogens
lusten, quamen alle uptie Romeine. Dat wreede geslachte vanden Hunen,
dat sident vele roder crunen maecten. Vgl. echter ook de gewone
constructie: || Der Romeine scare, die int lant bleef, wonnen
die eylande in de Zuutzee. Daer volgeden ende quamen tjegen menech man,
diet anesach. Zie nog § 57. Opm. II. Bij een meerv.
antecedent kan in den relatieven bijzin het ww. in 't enkelvoud staan,
wanneer er iets medegedeeld wordt aangaande iederen persoon of iedere zaak
afzonderlijk. || Sinen drossate hi gebiet dat hi scinke den
besten wijn alle den genen, die daer sijn binnen den huus, die wille
drinken. Het behoeft dat si lettren kinnen, die die geeste ende
daventuren bekinnen soude, dier an gemaelt sijn. Zie § 110 en Leendertz in Flor. bl.
142.
| |
§ 207.
Eene andere eigenaardigheid van het Mnl. is, dat in twee (meestal door ende) met elkander verbonden zinnen, die beide als subject
een collectief hebben, het wkw. in den eersten zin zich richt naar het
gramm. getal en in den tweeden naar het logisch.
|| Elc die comen is te sinen jaere ende tusschenkennen quaet
ende
| | | |
goet. Ende al dat volc hoirde die woirden ende
seiden toten kinde. Dat volc van Ynden upscoot ende wilden wreken dat.
Elc trooste andren ter aventure ende liepen an die mure. Elc ginc ende
slipen. Te hant ginck er een deel uyt ende namen den onsaligen prister.
Hier af wart die meente in roere ende wapenden hem. Sulc helech man
prijsdene daer of ende seiden. Dus ruumde menech man die stede ende
baden. Doe muurdemen de steden ende scaerden volc. Alse elc te sinen
wapene vinc ende weder trocken te velde. t Roemsche here was onbehoet
ende hadden met menege clene die Goten beseten. Dan sittet convent ende
knaghen een ey of enen vulen harinc. Die werelt maect ghescal ende tiënt
den vrouwen al. Alt ander geselscap toeliep ende gaven hem
xxx
wonden. Doen bleef diere Brabantre scare stille houdende ende
beidden. Dene scare maecte daer een groot geclop ende ripen vaste. Doe
quam die ander lage ende reden op hem. Vgl. ook: Die
paus hij beghint aen sijn bisscoppe ende die bisscop beghinnen voirt om
hare prochiaen. Ende die landdekene die beghint aen dleke volc ende
corbelgerent oft pylgeren (V. Leeuwen). Die een stat
zal regeren wel en selen ghierech wesen no fel. Doene mochter niemen up
staen si ne vielen van den planken neder. Doe vloe daer wie soes hadde
moete alse die omme ghene dinc en sagen dan alleene omme tlijf
ontdragen. Lettel waren so fiere hine waende bernen van den viere. Dies
minst hadde ofte meest vondens even vele ter maten. En es man in
erterike sine moeten mi sijn onderdaen. Zie nog Noord
en Zuid III, 86-91; Vondel's Taal § 254.
Opm. Behalve bij de in § 204-206 genoemde
gevallen wordt ook bij het pron. du een meervoudsvorm van
het wkw. aangetroffen: du waent, du minnet, du strijt, du ziet,
du mesdoet, enz. Omgekeerd wordt soms ghi
verbonden met een enkelvoud: gi vaers, gi hoordes, gi heves, gi
blives (V. Helten, § 210 a; Vor der Hake, bl.
222). Ook in den imperatief treft men den meervoudsvorm aan, als tot één
persoon gesproken wordt: Mensche merct, oftu best vroet. Vrouwe
en scaemt u niet. Vooral tegen de Maagd Maria, die ook steeds met
ghi wordt aangesproken, waarbij natuurlijk de
meervoudsvorm wordt vereischt: Helpt ons, vrouwe. Zie
§ 28.
| |
§ 208.
Zeer talrijk is het aantal zinnen, waarin het wkw. in het enkelvoud staat bij
(gewoonlijk vóór) een meervoudig of een veelvoudig subject. In vele gevallen
kan den schrijver het volgend subject nog niet dadelijk bewust zijn geweest.
|| Dien beweende Adam ende Yeve. Dus scied Saul ende Samuel. Doe
wart die cater ende die beer borghen voor Ysegrijn. Aerdbeve, | | | |
storem ende wint wart in menech lant ghesint. Dat
hem die mont entie lierwanghe verrot was. Dat was Loduwijc ende
Karleman. Cruut ende bloemen ontfinc loof. Doe dede die sone entie vader
haer volc besniden. Di naect groote plaghen. Dus wart daer ute gedreven
die duvele ende hare wet. Van danen over drie milen lach scepe. Eens was
desen man gesent twee corven met spisen geladen. Sijn plumen in den
viere metten roeke tserpent verjaghet. Hem dochte dat die wolken
swevede. Die boec seit ons dat, dat vloide int gewat vissche, die daer
speelden. Op den setel Moyses sal sitten Scriven ende Phariseen. Hem
blijft die sonden. Van desen volke es ontsprongen twe ende seventech
manieren van tonghen. Nochtan volcht daer twe quaede saken. Soe sal
onder dy ghestroeyt werden die motten. Hen stont wel in staeden die
voetlieden, die daer waren. Dat selve dat die herte can vernemen, dat
bringt haer an die oren ende die oghen. Hier endt nu altemale die
proverbiën van Juvenale. Hier moet bliven uwe beesten. An gheent
gebeelde wies twee borstekine. Some croniken seghet. Ende als die
rechter mitten scependom vergadert sijn. Eist dat de zondenteswaer niet
si. Dese drie namen was een man; enz. enz. Zie Jonckbloet, Ep. Versbouw, bl. 124; Stroph. Ged. XLV
noot; Dram. Poëzie, bl. 509; Brand. bl.
15; Alex. bl. 438; Vondel's Taal § 254;
Bredero § 22; De Vries, Dysmelie, 41; Paul, Gr. IV § 170; 174; 177; Wilmanns III § 153; Delbrück, Synt. III § 102-106; Paul § 233; Prinz. § 96;
Diez III, 300; Mätzner II, bl. 150 vlgg.
| |
§ 209.
De bijstelling komt in het Mnl. in naamval overeen met haar antecedent, dus
ook in den tweeden naamval. Evenals thans kan de appositie door andere
woorden van het antecedent gescheiden zijn, doch in dit opzicht heerscht er
in het Mnl. (in navolging van het Latijn?) eene groote vrijheid.
|| Hi ghewan te wive des rijcs conincs dochter Lodewijcs, van
Vranckerike des groots heeren. Hi was sone des heren stout mijns heren
Aerts van Grimbergen. In eren eens goeds mans ende vermoghen van Brabant
des hertoghen Jans. Int vierde jaer des regements des tseests paus tser
Clements ende int
xviiiste
iaer des rijcs des vifts keysers Lodewijcs. Die sone Zebedeus
Jans broeder des evangelisten. Dijns heren dijns Gods sabbaet. Om des
bisscops Augustijns lof. Du best bode sekerlike Jhesus Gods soens. Ic
bem dochter sekerlike ons Heren Goods van hemelrike. Derftmen des
meesters cyrurgijns. Sijns apostels Pieters ontlopen. Haer soens weduwe
Alexanders. Elyzabeth, des
| | | |
papen wijf Zachariën. Josephs des smeets sone.
Jacobs sone spatriarken. Papen die Ysis temple wachten der godinnen. Die
name sijns wijfs der coninghinnen was Alexandra. In Isis ere, haerre
goddinnen. Pruft wie herteliken wee Marien, sinre mudder, was.
Opm. Naast onze constructie die stat Rome wordt veel meer
aangetroffen Rome die stat (of die
stede); zoo ook: Nychomedia die stat. Te Jherusalem in die
stede. Van Theben die stede. Die van Menfes van der stede. Rome die
port. Die havene van Rome der port. Voor Troyen die port. Abidos dat
lant. Dor Samariën dat lant. Toter Strange der riviere. Nylus die
riviere. Moniu den berch (de Alpen). Vgl. voor eene dergelijke
volgorde: Ragu dien wart Saruch een sone (een zoon Saruch)
geboren. Hier naast komt ook eene bep. met van (fr. la ville de) voor: In die stat van Babilonyen. Die poort van Vyanen. Die port van Cydonen.
Dat lant van Persen. Dat lantscap van Meden. Trike van Persen ende van
Meden. Die ryvier van Nylus. Die berch van Monju. Zie Sn. de Vogel
§ 408 rem. 2 en vgl. lat. urbs
Romae.
| |
§ 210.
Voorbeelden van den onverbogen vorm der bijstelling komen ook meermalen voor.
|| Van siere zuster, die jonge Clothilt. Sconincs sone
vercrachte siere dochter, die scone Dyna. Hem allen nam hi tlijf
beesten, manne ende wijf. In conincks Willem tyden, gebieder des Roems
rijck. Doe coos men enen na sine doot Nycholaus, die eerste man, die. Si
leghet met enen man, van Bruuyswijc die hertoghe vri. Messchien tzal mij
ghebueren of u moeder, die edel vrauwe. Bi den dode heren Zyvaerts,
laetste vicarius. Hi vraechde sinen philosophen, sine natuerlike
meesteren. Des naest dages sente Maertijns dach. Bi Alexanderen, die
grote coninc. Dor Samariën dat lant; enz. Zie Tijdschr. V, 244; Vondel's Taal § 243; Bredero §
100. Een accusativus pro genitivo komt ook voor: Hi hadde
Aristobolus dochter te wive, sinen broeder. In Justiniaens tijt den
jongen. Den verbogen naast den onverbogen vorm vindt men in: Hoe ghelijc soe sprect si hare, Damiët der scoender care, van
Damast die coninghinne (Dram. Poëzie bl. 502).
Vgl. ook enkele gevallen van contaminatie: Metten broeder die
welke die coninc wan an sijn ghetrauwet wijf der coninghinnen (vgl.
§ 172?). tLant dat haren vorders,
der Bertoene, hadde geweest. Gecoft mit Jhesus minen lieven soens
bloede. 42 broeder van Ochosiën, des coninc van Jherusalem. In Jhesum
Cristum, dijns soens ere.
Opm. I. Voor Na den woorden David, des propheten. Die schapen
Absalon, des groten heren. Hannibal des fieren doot, waar de
eigennaam onverbogen blijft, zie Van Helten § 291.
|
1Paul, Gr. IV, § 177; het Ndl. Wdb. VI,
682 en Van Wijk § 3 beschouwen dat en het als subject, terwijl Wilmanns III, § 321 in die woorden het
praedicaat ziet.
2Mnl. Wdb. II, 74; Paul, Prinzipien, § 216; Gr. IV, § 177;
Delbrück Synt. III, § 106-108; Diez III, 93; N. Taalgids VI, 34; VIII, 30.
|
|