Verschillende werkwoorden, die thans alleen intransitief voorkomen, werden in het Mnl. transitief gebruikt; zie § 193. Andere daarentegen, waaronder vele met het voorvoegsel be samengestelde, konden intransitief gebezigd worden, die thans uitsluitend of in den regel transitief of reflexief zijn. Bij verschillende, voornamelijk bij de ww. die eene beweging uitdrukken, is er geen onderscheid tusschen het intr. en het reflexief gebruik. Hiertoe behooren: aenwerpen (aanslibben); belgen (boos worden); bedauwen (vochtig worden); beclagen (treuren); bekeren (thans nog in 't Westvl. intr.); beseffen (gevoel, verstand hebben); besien (toezien); besorgen (zorgen); bespotten (spotten); besuren (bederven); betalen (gelden); bevlecken (vuil worden); bevloeien (nat worden); bewarmen (warm worden); bewenen (weenen); blusscen (uitgaan van vuur, gelescht worden; vgl. hd. die Lampe losch); delen (aandeel hebben in iets); drenken (verdrinken, in het water versmoren); drinken (dóórdringen); dromen (cum dativo); dwingen (benauwd zijn; De Bo, 285); effenen (effen worden); erven (vererven; hd. erben); gaderen (bijeenkomen; eng. to gather); (in)gieten (vloeien; vgl. hd. gieszen); gooien (stroomen, vloeien); gunnen (genegen zijn); hanteren met (omgaan met; vgl. fr. hanter chez q.); heffen (zich verheffen); herbergen (logeeren); hinderen (schade lijden); hoeden (op zijn hoede zijn; vgl. eng. to heed (als intr. verouderd); hopen (zich ophoopen; thans nog in Z.-Nederl. dial.); clieven (barsten, splijten; eng. to cleave); crenken (verzwakken = cranken); quetsen (gekwetst worden); quellen (sukkelen = quelen); laken(bezoedeld worden; ontbreken, afnemen; vgl. eng. to lack); laden (vastkleven; vgl. De Bo, 602); lesschen (bedaren, verminderen); letten (talmen, dralen); lonen (vergolden worden); loven (borg zijn voor iemand; door ellips van den objectszin; Mnl. Wdb. IV, 851); maken (zich begeven of zijn; vgl. blide, blent, valsch maken; eng. to make merry, bold, enz.); melken (melk geven; vgl. ene melkende koe; hd. eine melkende Kuh); mengen (omgaan met, zich ver-
mengen); merken (opletten; thans alleen trans. in den zin van een merk zetten op iets; vgl. eng. to mark); mesten (vet worden); misdragen (= hem misdragen; vgl. dragen, dat ook de bet. heeft van het refl.); omdragen (zich omwenden); mishouden (= hem mishouden, zich slecht gedragen); nopen (zich bewegen); ontdoen (opengaan); onterven (iem. ontgaan); onthouden (= zich onthouden); ontcnopen (losgaan, opengaan); ontstelen (wegsluipen = hem ontst.); ontvangen (ontbranden, ontgloeien); ontvremden (zich verwijderen = hem ontvr.); ontwecken (= ontwaken); ontwinden (zich aan iets onttrekken; uitschieten = hem ontw.); ontworstelen (= hem ontw.); ontwringen (= hem ontwr.); opblasen (opzwellen; vgl. eng. to upblow); opdragen (= hem opdragen, zich verheffen, trotsch zijn); openbaren (openbaar worden, zich vertoonen); opheffen (= hem opheffen; eng. to up(heave); orloven (geoorloofd zijn); overdragen (de grenzen overschrijden, overeenkomen); pachten (beslag leggen); pensen (bedenken); planten (wortel schieten; vgl. eng. to plant, zich nederzetten); pogen (= hem pogen, zich inspannen, syn. van mnl. pinen); porren (= hem p., zich in beweging zetten); proeven omme of op (de proef nemen van; eng. to prove); rechten (zich oprichten; eng. to right); riten (stukgaan, splijten; vgl. hd. reiszen); (ont) schaken (er van doorgaan); schicken (zich voornemen; vgl. De Bo, 994); scamen (= hem sc.; eng. to shame); scepen (zich inschepen, varen); sceppen (geschapen staan); setten (zich verzetten); slaken (bedaren, verminderen; eng. to slacken); slechten (effen worden; gesloopt worden); tonen (zich vertoonen); togen; spenen (zich tot vrucht zetten); spiegelen (zich spiegelen); spreiden (zich verspreiden); toesetten (zich inspannen); toevoegen (zich toevoegen); troosten (zich opbeuren); tormenten (gekweld worden); tracteren (handelen over); utedragen (uitsteken); utenemen (zich onderscheiden); vgl. ndl. uitnemend); varuwen (een kleur krijgen); verbaren (zich openbaren, verschijnen); verbliden (zich verblijden); verblinden (blind worden); voeden (zich voeden, gevoed worden); voeren (gaan, rijden); verderven (mhd. verderben); verdrieten (ontevreden zijn); verdroeven (bedroefd worden); verheffen (zich verheffen; eng. to heave); vergramen (gram worden); verhogen (zich verheugen); verhovaerden (zich verhoovaardigen); veridelen (ledig worden); vercoenen (zich verstouten); verlaten (eindigen, ophouden); verlengen (vervelen); verstouten (moed krijgen); verstoren (zich verstoren);
vertoghen (zich vertoonen; vgl. eng. to show); verquisten (sterven = te quiste gaen); verclaren (klaar, helder worden); (ver)vullen (vol worden); verwachten (wachten); verwecken (verwekt worden); verwonderen (zich verwonderen; eng. to wonder; hd. wundern); warmen (warm worden); worgen (geworgd worden; vgl. hd. erwürgen); enz. Bij vele dezer werkwoorden kan de intransitieve beteekenis voortvloeien uit de reflexieve, die dikwijls in Mnl. geschriften nog wordt aangetroffen. Geen refl. is tot nu toe gevonden o. a. van de wkw. dwingen, erven, lesschen, letten, ontcnopen, ontwinnen (ontsnappen), pachten, rennen en reppen, die alle zoowel trans. als intr. kunnen voorkomen. Ook kan door ellips van het object het trans. ww. intransitieve beteekenis aangenomen hebben of kan een transitief ww. in vorm met het intr. zijn samengevallen. Zie verder over de mogelijke ontwikkeling van de intr. uit de refl. Kern § 70 vlgg.; Den Hertog III, § 81-83; voor de 17de eeuw Vondel's Taal II § 163 vlgg.; Bredero § 12 en § 117; Wilmanns III § 216; § 236; Diez III, 192-195; Sn. de Vogel § 194; Germ. Rom. Monatsch. III, 241 vlgg.
Opm. Somtijds moet een intr. constructie door eene transitieve worden weergegeven. Zoo komen mi gevalt, - gesciet; - miscomt, - missciet voor in den zin van: ik doe, bedrijf kwaad, ik pleeg zonde; mi es ghedaen = ik heb gedaan (Dram. Poëzie, bl. 499). Zie Mnl. Wdb. IV, 1715 en vgl. verschillende verbindingen, waarin de persoonlijke met de onpers. constructie wisselt: ic hebbe wonder naast mi hevet wonder; ic droomde naast mi droomde; ic gruwe iet (ik heb een afschuw van iets) naast mi gruwet; mi jamert sine scade naast mi jamert sire scade (vgl. hd. das jammert mich); mine mesdade mi berouwen naast mi berouwet mire mesdade; ic ontferme ere dinc naast mi ontfermet ere dinc; mi verdriet naast ic verdriete; mine siele heeft gedurst te Gode naast 't onpers. mi dorst; zoo ook ic hongere naast mi hongert, enz.
Naast deze intransitiva komen tal van reflexiva voor, die thans niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren o. a. hem aendoen (zich kleeden; hd. sich antun); hem afdoen (zich onttrekken); hem baten (zich beteren; vgl. ohd. sih buazen); hem bedanken (in zijn schik zijn; fr. se remercier); hem (be)duchten (vreezen); hem begaen (zich onderhouden); hem bedaren; hem bekeren (zich keeren); hem bekennen (begrijpen, belijden); hem beliën (belijden, erkennen); hem belenden (zich ergens heen begeven); hem belopen (beloopen); hem beloven (roemen; zich verheugen; thans nog in
Ziud-Nederland); hem besoeken (probeeren); hem bewanen (meenen); hem behoren (passen; hd. sich gehören); hem biechten (vgl. fr. se confesser; ags. him shriven); hem bevroeden (begrip hebben, vatten); hem dalen; hem dragen (zich richten, zich gedragen; fr. se porter; hd. sich tragen); hem gedogen (geduld hebben; mhd. sich gedulden, toestaan); hem (ge)duchten; hem gesellen (zich aansluiten bij; zich inlaten met; hd. sich gesellen; fr. s'associer, s'accompagner); hem hebben (lat. se habere, zich gedragen); hem ilen (in oostelijke dial.; hd. sich eilen); hem laten (zich gedragen); hem snellen (hd. sich schnellen); hem stelen (wegsluipen); hem tieren (zich aanstellen); hem torenen (mhd. sich zürnen); hem trecken (zich begeven); hem liden (geduld hebben); hem liegen (zich bedriegen); hem miden (zich onthouden van); hem ontdoen (zich openen); hem ontsien (vreezen; hd. sich entsehen); hem ontluken; hem proeven (zich betoonen; eng. to prove himself); hem omsien (rondkijken; vgl. hd. sich umsehen); hem ommesenden (naar alle kanten zenden); hem pogen (zich inspannen; syn. van hem pinen); hem (ont)vruchten (vreezen; hd. sich fürchten); hem rumen (wijken); hem rusten (fr. se reposer; hd. sich ruhen); hem scromen; hem scuwen (zich verbergen; vgl. hd. sich scheuen); hem vensen; hem verbreken (zich ergens toe zetten); hem (ver)snellen, hem vereisen (bang zijn, schrikken); hem vermanen (zich herinneren), hem vermoeden (meenen); hem versagen (vgl. fr. se décourager); hem verplegen (zich verplichten); hem versceden; hem verscieten (zich bewegen); hem verscinen (zich vertoonen); hem versellen (zich aansluiten); hem verspelen (zich vermaken); hem versuchten; hem versumen (zich te buiten gaan; mhd. sich versümen); hem verscricken (hd. sich erschrecken; fr. s'effrayer); hem vervaen; hem vervaren; hem vresen; hem vluchten (hd. sich flüchten; fr. s'enfuir); hem wandelen (zich vermeien); enz. Zie § 185 en § 261 b.
Ook kent het Mnl. een groot aantal onpersoonlijke werkwoorden, die thans weinig of niet meer gebruikt worden. Hiertoe behooren mi aventuert (mij overkomt); mi bedinket (ik herinner mij); mi becomet (mij behaagt); mi behoeft; mi es cleine beholpen met (ik heb weinig aan); mi berouwet; mi dromet (hd. mir träumt etw.); mi eist; mi geluckt (ik ben gelukkig); mi genoeget (ik ben tevreden met, mij behaagt; hd. mir genügt); mi gewerdet (mij bekomt); mi gewerdiget (mij behaagt); mi (ge)dinct; mi gruwet; mi
gruwelt; mi griset (ik gruw van); mi herdenket; mi jamert; mi langet = mi verlanget; het loopt (= het gaet); het naket (het nadert); mi mist; mi miscomt (het gaat mij slecht); mi ontfermet (het refl. is nog zeldzaam); het pliet (het is gewoonte); mi rouwet; mi (be)scaemt (ik schaam mij); mi smartet; mi varet; mi slapet (hd. mich schläfert); het stervet (er sterven menschen); mi treget (verdriet); mi toornt; mi twifelt; mi twiët (twijfelt); mi vaket (ik heb slaap); mi varet (ik vrees); mi verdunket (mishaagt); mi vereiset; mi es vergeten (nog in dial.); mi vercomet; mi veronwerdet (ik ben boos); mi verenet (ik vrees); mi vervreemt; mi verdriet (= mi vernoyt); mi vriest; mi walgt; mi wondert; enz. Voor de 17de eeuw zie Vondel's Taal II § 167 en voor het Romaansch Diez III, 195-197.
Naast de thans gebruikelijke worden in het Mnl. nog de volgende ww. als koppelwerkwoord gebezigd || Becomen (vgl. eng. to become; fr. devenir), (be)diën, becant (bekent) sijn of werden, becomen sijn, beseven sijn, geset sijn, gemict sijn, loopen, becliven (vgl. eng. to grow), vooral doen (doeien, vgl. ofr. faire; eng. to do). || Ander die by fraude poorters bedeghen waren. Abt Johan die es enghel bediet; hi ne es meer onder die liede niet. Ingels was Willebroert becant (W. was een Engelschman). Als hi groot becomen was. Wye dat vrolijc waer beseven ende onreyn waer sijn werc, sijn woert. Sijn (van den magneet) nature es sulc ghemect, dat hi iser an hem trect. Wi sullen scriven van Europen entie lande diere in lopen (gelegen zijn). Sal trouwe staende bliven dat sal bi desen tween becliven. Het doet goet winnen enen vrient. Menich boem goet ende dire, daert bi doet wesen soete. Menege proverbie goet, dat nuttelijc te horne doet (vgl. tal van voorbeelden in Mnl. Wdb. II, 236). Vooral bliven komt in den zin van worden, met het bijdenkbeeld duurzaamheid, voor in verbinding met participia van trans. en ook intr. ww. || Bi quaden herden bliven die scaep verloren. Die pic handelt, blijft daer af besmit. Daer bleef .. menich (man) verslaghen ende verdronken. Ic sal geloven dor dese dingen an uwen God ende kerstijn bliven. Nochtan, alset stille blivet, wassen weder die wagheslaghen. Vgl. ook bliven onder voet; verloren bliven; te nie(u)te bliven, doot bliven; enz. Vgl. § 15; Mnl. Wdb. I, 1304; Kern § 329; voor later tijd Ndl. Wdb. II, 2842; het Deensche at blive, dat ter omschrijving van het passief gebruikt wordt; Grimm, Gramm. IV, 17.
Opm. I. Mogelijk heeft bliven de bet. worden ontleend aan het lat. manere = esse, of aan
het ofr. remaindre. Zie N. Taalgids XIV,
67.
Opm. II. Somtijds wordt ook comen, evenals in
het Mnd. en thans nog in het Engelsch (It will come true),
aangetroffen in den zin van worden (waarmede het in varr.
afwisselt; § 242). || Si ontboden hem
dat haer sone ridder quam ende ware dalrebeste lichame, daer si nie
wandelen mede. Zie Mnl. Wdb. III, 1723 en voor
dit gebruik in Zuid-Nederland De Bo, 552; Antw. Idiot.
689; Schuerm. 275; Waasch Idiot. 361 en het lat. venio; het fr. venir, gedijen, in: le blé ne vient pas dans ce terrain; cet enfant vient bien
(Hatzfeld, 2227; Sn. de Vogel § 156) met het eng. to grow,
worden.
Het praesens kon gebruikt worden om eene toekomstige handeling uit te drukken (§ 283 vlgg.; Grimm IV, 176; Sn. de Vogel § 318), vooral als het vergezeld ging van een bijw. bepaling, die op de toekomst wees.
|| Morghin, als die sonne up gaet. Ende nemmermeer vortan en werdic rover no scaecman. U en comter af nemmer goet. S. Luucs dach comt hier houde (spoedig). Seghelijn, die corts wart (var. coemt1) voer dese stat. Doet hijs niet, hi sterft in den xxxsten daghe. Binnen vijf daghen wert (zal het zijn) hier. Datter ie was ende emmer es (erit). Werp den tempel neder, ic makene in derden daghe weder. Al bestu wilt, du werts tam. Gi die na dit eertsce leven vort int geestelike sijt (zult zijn) verheven. Ende (God) sede: du (Eva) werdes (zult zijn2) onder des mans mogenthede. Mach ickene levende gevaen, ic bringene te Montalbaen. Werpt ut din evelen geest, so vlit (fugiet) hi van u. Ende onse Here ghebiedt ons voert dat wi onse lendenen gorden. Ontoe vrient, ic segghe u (zal u zeggen) wat ic hier doe. Ic lede u ter selver stat daer ic u sal maken sat (Rein. I, waarvoor in Rein. II: Ic wil u leden tot eenre stat). Niemant en ghesiet den dach dat hi alle dinc hebben mach. Nu manic u dat ghi penst hoe ic die mesdaet best ghewreke.
Gelijk het praesens gebruikt werd met de beteekenis van een futurum, kwam het perfectum voor in den zin van het fut. exactum. || Wi gaen als een rose root ende sciere sijn wi verbliket. Dat comen sal es scier vergaen (vgl. Grimm IV, 186).
gen, moeten (vgl. fr. devoir) en willen (vgl. eng. to will; hd. wollen; fr. vouloir; en ndl. Willen we maar weggaan?1)
|| Swighen dese cleene, so sullen roupen die steene. Levic een jaer, het sal hem scinen! Du biste stubbe ende du selste wederkeren int stubbe. Van rouwen wies hem die moet so groot, dat hine weet wat hi mach doen. Dat was ende wesen moet. Du seids loghene over waer: dies moestu (var. saltu) sterven in dit jaer over twee maent. Noch vintmer meer dan dunct genoech, woude tweder comen na haer ghevoech, dat si dat lant souden vullen met drachten. Alle die hadden cracht weder ende vort opten Rijn wouden in siere hulpe sijn. Ic ne sal u niet vele scelden (Rein. I; doch Rein. II: ic en wil niet scelden). Ic wil slapen in din vrede (in pace dormiam).
Opm. I. Meermalen moet sullen worden weergegeven door op het punt staan, zooals: Als hize (de
adre) lecghen siet so clare ende hise nemen sal metter hant,
dan wint soere omme. Grimolt geviel dat hi ene duve soude scieten
(lat. cum arcu columbam percutere nisus esset). Zie Alex. bl. 490 en vgl. in denzelfden zin het ww. willen (evenals het hd. wollen) in: Ene kerke, die van ouden wel na wilde vallen doe. Die kerke van
Latrane wille vallen uut haren stane. Doe die vrouwe dat hoorde, so
woude hoor hert ontween breken. Dit gebruik is dial. nog bekend;
zie Boekenoogen, 1220.
Opm. II. Niet altijd dient sullen tot omschrijving van het futurum; het kan ook moeten, behooren beteekenen. || Hier omme souden wi
alle waken, hoe wi dat mochten gheraken te doene. Menne soude ghene
vrouwe slaen. Die ander coninc, suldi weten, had een dochter
suverlijck. Een enkele maal komt het voor in den zin van kunnen, zooals in: Seldi mi secgen hoe hi (de
ridder) heet? Een modaal ww. is het in: Si
beteghen hem dat hi een valschen brief soude ghescreven hebben.
Opm. III. Behalve ter omschrijving van het futurum wordt willen ook gebezigd, evenals plegen, plien (zie
§ 11) ter omschrijving van een ander wkw., waarmede het verbonden wordt. Het
staat dan op de grens van een modaal wkw. Vgl. Ik wil je
groeten (ik groet je); het wil me voorkomen; hd.
das will ich meinen; ich will glauben; eng. I'm thinking this will be your daughter; en voor het Mnl.:
Ic wille betrouwen Gode, dat ghire qualic an lieghet. Nu
merct wel, wat wille dit menen. Ooc wille men wanen das, dat hi van
Pauluse gedoopt was. Ooc wilde men segghen, dat sy tgelt hadden genomen.
Gode willic u bevelen! So dat menech wanen woude dat die werelt enden
soude. Men wilt wanen ende weten datter vele sijn vergeten. Zie
Grimm IV, 181; Taal- en Ltb. V, 271-273; Walewein, bl. 206-207; Taal en Letteren XIII,
576; Den Hertog I § 78 (2).
Opm. IV. Eene hoogst enkele maal wordt,
evenals in het Mhd. (zie Wilmanns III, § 92, 2; Michels § 265 anm. I), het
futurum omschreven door middel van werden. || (Et vox
citharoedorum et musicorum et tibia
canentium et tuba) ne wert nemmer ghehoort werden1. In
dezelfde bron (eene vertaling van de Apocalypse) komt ook voor de
omschrijving door werden (= zullen zijn) + part. praes.,
een gebruik, dat ook in het Mhd. bekend is (Wilmanns III, § 90, 3). || Alle heydine werden commende (venient) ende
werden aenbedende in diin aensichte. Evenzoo in de uit het mhd.
vertaalde Limb. Serm. Zie § 242.
Opm. V. De
omschrijving van het futurum door hebben te + infinitief,
die in verschillende talen bekend is, begint ook in het Mnl. voor te komen.
Gewoonlijk dient deze omschrijving om een moeten of een behooren uit te
drukken, doch in een zin als Neghene poente horen ten
pelgherijm, die verre te vaerne hevet zien we duidelijk den
overgang van ‘moeten’ tot een ‘toekomstig zijn’. Zie Ndl.
Wdb. VI, 210; Diez III, 236; Sn. de Vogel, § 315 en vgl. het lat. amare habeo met het fr. aimerai.
Opm. VI. Ook kan het fut. omschreven worden door sijn te +
infinitief. || Ic gheloeve dat Hi hier na toe te comene es
ordelen levende ende dode (lat. venturus est judicare
mortuos et vivos). Dat dier es up te clemmene van den
afgronde ende het sal gaen in de doot. De vrouwe die te ghebaerne was
den zone. God almachtich, du best ende waers ende die te commene best.
Die stont der becoringhen die te commene es. Alle coninghe die noch toe
te comene waren in Jherusalem. Een gheestelick dinc, dat te ghesciene
es. Serpents gheslachte, wi vertoghen u te vliene die gramscap die es te
ghesciene (lat. a ventura ira). Deze constructie
was in het Me. vrij gewoon en is in het tegenwoordig Engelsch nog bekend.
Zie Mnl. Wdb. VII, 1106; VIII, 118; Mätzner III, p. 37 en
Poutsma § 29.
Opm. VII. Voor het gebruik van den conjunctief ter
uitdrukking van het futurum zie § 340.
Het praesens werd ook gebruikt om een verleden tijd uit te drukken (praesens historicum). || Alse hi dit sprac, saen daer naer siet hi van dien berghe daer comen nederwaert te dale een wit ghescelscap. Te voet beette hi daer met desen ende loopt om te cussene den man. Ter duere comen si ende vinden dat soe besloten was. Lovende onsen here mede comt hi ter porte van der stede ende riep zere. Daer hi (Croesus) eens sit ende vermaent, dat hi so rike ware van scatte. Aldus wijct hi ende vliet ende voer in Minder Azia. Maer soe sach te hemele waert ende roept up Gode ende mesbaert. Up onser Vrouwen riep soe mede. Des sijn si allen totten helschen vorste ghegangen, ende spreken hem aldus aen. Hi grongierde, hi maecte geclach ende coemt gesprongen metter vaert te .... Nu es die bisscop weder comen ende heeft gheent dode kint genomen ende siet tgelove vanden wive. Ende alse die man gedaen was af, tast hi ende wreef den doden. Dat peinst hi cume ende metter vaert so keert Hildebrant sijn paert ende riep.
Doe soe gheent wonder sach, knielt soe ende bat. Doe quam Pertchevael toegeslagen ende vint den hert ant lant gedreven. Si goet en lieten negeen, sine stalent ende rovent tallen stonden. Nu staen die andere twee versaghet (:) ende vochten jeghen meneghe rote. Alexander dies slaghes hi hem scaemt (:) ende slouch Poruse. Alle sine rudders mede lieten haer spel ende si onthalen(:) Waleweyne met soeter tale. Si riepen inwaert ende crayeren(:). Si bevaelne gode onsen here ende bidden hem dat hi pine om dere. Die coninc doe niet langher ne spaert(:) hine riep sine baroene te rade. Si bemaenden ende besweert(:) datti haer seide sijn ghedochte. Die duvele quamen daer alle ende eischen den breideldief. Doe reet hi op hem al dat hi mach. Hi maecte hem enweghe al dat hi can.
In verschillende voorbeelden vindt men afwisseling tusschen het praes. historicum (een plotseling of een nieuw feit!) en het imperfectum. Ook het rijm kan hiertoe hebben gedwongen. Dit laatste geldt voornamelijk van vaste uitdrukkingen als: al dat hi mach, al dat hi can, hoet gaet, so hi ierst mach en dergelijke. Zie nog Tijdschr. IV, 204; Van Helten, Mnl. Versb. § 9 opm. I; Overdiep, bl. 16 vlgg.; bl. 55; Martin (Rein.), bl. 362; Wilmanns III § 96; § 338 (voor 't gebruik der tijden in hoofd- en bijzin) en voor de 17de eeuw Bredero § 192.
Opm. Het praes. heeft in al deze zinnen de beteekenis van een imperfectum. Van de omgeving zal afhangen of het aoristisch of imperfectisch moet worden opgevat. In zinnen als Mettien sit up die edelman ende rijt wech sinen hoghen telt wijzen de adverbia ‘mettien’ en ‘wech’ op een oogenblikshandeling. Evenzeer bij zinnen beginnende met alse, doe, teersten dat en dergelijke.: Teerst dat verhoort Macedo, was hi der orloghen vro. Zie § 123.
Vrij gewoon is de verbinding van een praes. met een imperf. van hetzelfde werkw. of een imperf. met een praes. Uit zinnen als: Oec vint men daer ende wilen vant. Dese drie verscheden te ghere ure noch en verschieden nie. Wat so men bit of datmen bat kon gemakkelijk deze uitdrukkingswijze ontstaan, die later niet meer dan een stijlfiguur is geworden. Vgl. Stroph. Ged. bl. 173; Ferg. Gloss. 279. || God die ons sach ende siet dus risen. Die Goten hieten ende noch heten. Daer ic af seide ende segge. Die hadde ende heeft al sijn gebot. Neemt dat ic biede ende boot. Als noch plegen ende plagen subtile sonderlanghe clerke. Die naest den oesten leigt ende lach. God diet al gheeft ende gaf. Een stedekijn dat Avenioen hiet oft
heet (lat. nuncupatur). Vooral uit dit laatste voorbeeld kan men zien, dat de verbinding niets dan eene stijlfiguur is geworden.
Een ander geval dan het in de vorige paragraaf vermelde treffen we aan in zinnen als: Ic hebbe gepijnt ende gepijnt mede. Dese Vrouwe Victoria sach ende sach verre ende na. Stant up, stant up zaen. Die tijt gheet vaste ende gheet. Die doot naect ende naect. Hier is de werkwoordsvorm herhaald ‘om het begrip meer te doen uitkomen of om aan te duiden dat de werking langzaam of eenigszins met moeite geschiedt’ (Alex. bl. 445). Ook kunnen twee synoniemen voor dat doel worden gebruikt. || Soe langhe stuuct men ende steect den stoep (kruik) te watre, dat hi breect. Want zou (uw dood) van dijnen beghinne dij naect ende naerst daghelics. Hetzelfde verschijnsel vindt men bij de znw. || Gheven es algaeder here ende here. Si versochten stede ende steden.
Het perfectum historicum narrativum, gebezigd voor gewichtige handelingen, kan temporeel gelijk zijn aan een imperfectum of een plusquamperfectum. De recapituleerende perfecta staan temporeel op één lijn met het plusquamperfectum, de aoristische perfecta zijn temporeel gelijk aan een imperfectum.
| a) | Een recapituleerend perfectum historicum vinden we in || Men seghet dat men niet ne mochte Waleweine vinden hine hadde werc ende salve; nu eist comen dat hire te doene hevet. Sijn halsberch hadde menighe scure, men sach sijn scone lijf aldure, dat hem tserpent hevet ghedaen. Die jugen hebben wel verstaen ende ghemerct hoet hevet ghedaen die witte scilt. Een ander ridder was ghevloen van den Grieken, hiet Orestes, die up een roche gheclommen es. Eer si hem ghecleden connen, heeft Macedo die stat ghewonnen. Nu eest comen ter dagheraet so dattie dou te vallene en bestaet. Nadat grave Willem doot ghebleven is, so wart Florijs die xiii grave van Hollant. |
| b) | Een aoristisch perfectum historicum ter aanduiding
van een nieuw feit vinden we in: || Hi trooste die Percen diere vloen ende maecte hem moet, so dat si staen enten weren hebben ghevaen. Mettien scoot hi van den waghen ende heeftene mettien sweerde geslaghen. Alse dat die vos hevet versien, hi jancte ende huulde sere mettien. Van den bedde spranc sij saen ende hevet ene veinstre ontdaen. Na der talen so ghinc Reynaert weder te sinen casteele waert sonder orlof, ende mettien hevet Lan- |
| froyt den beere versien. Haer arme nam die
vrouwe fine ende hevet haer selven bevaen om haer borste ende seide
saen. Si ghinghen van den dike neder de opden dijc waren comen; als
dandre dat hebben vernomen binden lande, ghinghen si lopen te scepe
waert. Doe dit Leodegan hevet verstaen, doe bat hi koninck Artur
saen. Die felle (die eerst niet wou spreken) hevet
antworde ghegheven ende seide. Opm. I. Door adverbia kan het aoristisch aspect nader worden aangeduid. Zie Overdiep, 56 vlgg.; Tijdschr. IV, 204; Wilmanns III, § 97; Vondel's Taal, § 171; Kern, § 79; Ferg. Gloss. 278; 28. Voor 't hedendaagsch gebruik van het perfectum zie Overdiep in N. Taalgids XVII, 26 vlgg. Opm. II. Voor de afwisseling van perfectum en imperfectum zie Wilmanns III, § 97; Vondel's Taal, § 171; Ferg. Gloss., 278; 280; Kern, § 49; N. Taalgids, XIV, 72. Opm. III. Een praesens naast een futurum vinden we in || Dus nemet hi orlof ende sal naken daer hi seere sal mesraken. Zie N. Taalgids XIV, 72. |
Als een attractie van den tijdvorm moet het imperfectum beschouwd worden in de volgende zinnen. || Doe ginghen die papen, dat was (= is) waer, in ene stat niet verre van daer. In den wech ghenas hi daer een jechtegen, dat was waer. Si bleef daer met haren lieve, dat was waer. Die van vare te voren en mochte, die verboude hem, als mi dochte (= dunkt) ende ghinc vechten. Zoo ook: dat was waerlike dinc; dat en was loghene negheen; dat en was ghene ghile; dat en was gheene saghe; dat was ene ware dinc; enz. Zie Alex. bl. 404, en Ferg. gloss. 280, waar gewezen wordt op zinnen als: Waerdi (= sidi) die knape, die ic sach heden? Hoe gerne soude ic weten, wat heren dit waren die hier sitten in deser scaren. Vgl. voor dit gebruik van een imperfectum in den zin van een praesens, ook in het Lat. en Grieksch, Kühner II § 32 (3).
Het imperfectum kan temporaal gelijk staan met een plusquamperfectum (vgl. § 283 vlgg.) of een perfectum. Zie Ferg. gloss. 280; Wilmanns III § 98 en § 100; Paul § 278; Michels § 266; Kern § 49; Sn. de Vogel § 304.
|| Doe hi dies ghedranc, sprac hi. Doe hi gesprac dese woort, beval hi jonghen ende ouden, dat si vigeliën singhen souden. Alle die claerheit van verstane die alle menschen ye ghehadden. Ende daer naer quamen die seven quade jaer, alse die coninc in drome sach. Pippijn wiste ende ondervant (had onderzocht) wie si waren diene hier dus
in verrieden. Hi claechde dicke dat hi Reinaerde ie bekinde. Si sprongen op haesteleken ende eer si getrokken haer sweerden, waren si weder op haer peerden. Ende doe si (de boden) quamen daer si souden ende si geseiden (gezegd hadden) wat si wouden, die lettren die baroene upbraken. Alsi doe volaten ende biden viere saten, sprac men om slapen gaen. Hi beduchte hem des dat der vrouwen yet mesquam (was overkomen). Doen sij eyne wijle ghesliep (geslapen had), vreyseliken dat si riep. Doe si (de boden) geseiden, wat si wouden. Brinc mi die spise; doe hise hem brochte ende hise gheat (gegeten had). - En was noyt man onder den dach, die oyt swarten zwane sach. Si mindene van menscheliker naturen mee dan noit muder kint minde. Twi wardic ie (ben ik ooit geboren) vele sondich lijf!
Opm. I. Vergelijk een zin als: Hoe lang was ze weduwe, toen ze
hertrouwde? met het eng. How long had she been a
widow, when; zie voor andere voorbeelden uit hedendaagsche
schrijvers Noord en Zuid XVII, 96 en vgl. N.
Taalg. XVII, 26.
Opm. II. Vooral in latere geschriften is het
gebruik van het imperf. plach met de beteekenis van het
praes. niet ongewoon. Het praet. heeft hier uit de bet. ‘hij heeft steeds
verricht’ die van ‘hij is gewoon’ ontwikkeld (vgl. lat. consuevi). Zie A.E. Lubach, Over de verbuiging van 't
ww. in het Ndl. der 16de
eeuw, § 29 en Addenda; Tijdschrift,
XXXII, bl. 299.
Een enkele maal heeft (o.a. bij Maerlant) het perfectum de beteekenis van een praesens.
|| Stervet een delfijn, dandre comen, ende hebbent op haren rig ghenomen ende draghene tot dat risen die waghen ende die stoerme te lande draghen. Alse enege vrouwe blivet doot, so cleetmense na hare wet ende hebbense upten oevere geset. Ende als hi bi hem mach bekinnen in sinen spronghe vische comen, hevet hi sine proie ghenomen.
Het gebruik van het perfectum is hier toe te schrijven aan den invloed van constructies als enen gemint, gehaet, vercoren hebben = iemand minnen, haten, verkiezen, waar ‘het ww. hebben verbonden is met een verl. deelw., waarmede het ééne uitdrukking vormt met de bet. van een tegenw. tijd, die een voortdurenden toestand uitdrukt’; zie § 18 en vgl. lat. aliquem cognitum, rogatum habere; urbem captam habere. Men wachte er zich dus voor in ‘als die lieden tpaert versagen, dat den here adde gedragen’ de laatste woorden als een plusquamperfectum op te vatten, daar ‘adde gedragen’ hier droeg beteekent als imperfectum van gedragen hebben = dragen. Vgl. ook: Die fonteine die dolivier met
sinen bladen hadde bedect (bedekte). Heerden waren uptien macht, die hare scaep hadden ghewacht (bewaakten). Sinen broeder, dien hi hadde vercoren sere (liefhad). Sider hadden sijt (land) verloren ende quam den Ingelschen in hant. U vader, de coninc, twine haddi u gehuut int lant (= waarom huwelijkte hij u niet uit in uw eigen land)? Zie Diez III, 286; Sn. de Vogel § 306; Overdiep, bl. 25.
Een plusquamperfectum van de optatief, waar wij een niet omschreven vorm bezigen, komt voor a) in zinnen die beginnen met alse (of). || Onse here stonter in diere ghelike alse ocht hem leet hadde ghesijn. Daer mocht men vrouwen zien gebaren alsof si mannen hadden ghewesen. Ende (hi) toech eenen silveren knoep vander borsten van sinen rock ende deedt den beelde aen sinen vinger ghelijc oft een vingherlinc hadde gheweest. b) bij een der ww. willen, wanen, meenen, bevelen, gedoghen; zie Franck in Alex. bl. 430; Kern § 322 en vgl.: || Int ander jaer dat God woude, dat Theodosius die oude keyserkrone hadde ontfaen. Ic waende du god hads gesijn. Sijn vader bat hem dat hi met hem ware gevaren. Maria waende datt een hofwinne ghewest hadde. So raecte hi ten lesten an gheselscap van mordenaren; ende dese moordenaren die waenden dattet een coepman hadde geweest (= was) ende dat hi veel ghelts gehadt hadde (= had). Sij meynde dat dach gheweest hadde (= ware) ende dat sy versuemt hadde oer ghetijden te lesen. c) in zinnen die afhangen van een irrealis. || Die hadde ghewesen letterwijs, hi mochte daer wonder hebben ghelesen. Het waer tijt, dat ghi waert comen. Zie Kern § 322 (3).
Opm. I. In zinnen als: Doe hadden die joden wonder groot ende
wouden emmer hebben verslagen. Hi trac tswaert uten scoe ende wouden
hebben ghesleghen doot. Hi pijnt hem hoe hi onteert mochte hebben die
heileghe kerke. Wy sullen varen ons wreken daer int lant op die ons
willen hebben gescant. Diese waende hebben gescant kan het ww. hebben nog opgevat worden in de oorspr. bet. van bezitten, houden, terwijl het verl. deelw. bepaling van
gesteldheid is bij het object, zoodat we niet met een perfectum, doch met
een praesens te doen hebben (vgl. Wilmanns III, § 89, 3).
Opm. II. Een
plusquamperfectum, waar we een perf. zouden verwachten, vindt men in: Doe seide een osse: dul keytijf, hier en machtu niet behouden
tlijf; twine hadstu (= zijt ge) int foreest ghevloen?
Oom Brune, vaste gaet mineren, hier coomt Lamfroit, ende sal u scinken,
haddi gheten so souddi drinken. Twine haddi noch gheslapen ende hadt
gerust ene wile? Twine ware hi (= es hi) selve hier
comen ende hadde den horen genomen? Ic can gewerden niet in inne, oftic
hare iet hadde (= hebbe) mesdaen. Die duvel hi was u
wel hout, dat het u niet en hadde (= hevet) doot.
Vgl. Mnl. Wdb. III, 201; Ndl. Wdb. VI, 225; Ferg. bl. 69 noot 5; Sn. de Vogel, § 302; 304.
Evenals thans nog in verschillende dialecten kwam ook in laat Mnl. (15de eeuw) een dubbel samengestelde verl. tijd voor. || Sy hadden al dlant ghedestruweert gehadt. Sommige wise mannen haddent al te gheerne belet gehadt. Dat hy de selve cure bedient heeft gehadt. Soo wanneer een ingeleyt cnape compt geswooren wercman in de munte te worden, soo mach de wercman off muntere, die denselven tanderen tijden ingeleyt heeft gehat, wederom eenen anderen inleyden. Het praes. ic hebbe hem gevangen (= ik houd hem gevangen) had tot perfectum: ic hebbe hem gevangen gehad, waarbij de oorspr. bet. van hebben en gehad niet meer werd gevoeld, waardoor de beteekenis van de langere constructie gelijk werd aan die der kortere. Zie Mnl. Wdb. III, 201; Kern § 51 en § 319 en vgl. thans: Wat wou u gehad hebben (= hebben)?; Van de Water, bl. 45: Ik he der veul gekocht gehad.
Opm. Toen gehad zijn beteekenis verloor, kon de constructie ook voorkomen bij intr. ww. || Die stormen ende onweder die geweest ende geregneert hebben gehadt. Voor Zuidndl. dialecten zie o.a. Antw. Idiot. 75; Rutten, 88; Waasch Idiot. 33: Ik heb daar geweest gehad.
Ten slotte zij er nog op gewezen, hoe in het Mnl. het ww. doen, verbonden met een infinitief gebezigd wordt als hulpwerkwoord, een gebruik, dat ook in het Mhd. vrij ongewoon is (Kraus, 217). Het Ohd. en het Ags. kennen het in 't geheel niet, terwijl het thans in 't Engelsch zeer gebruikelijk is (Poutsma, bl. 79 vlgg.) en in het Hd. vooral in volkspoëzie en volkstaal nog voorkomt (Paul, Wtb. 551). Wel kende het Ofr. deze constructie van faire + inf. || Merci, pere, dist-il, orme faites entendre (= entendez-moi); zie Gramm. Hist. § 432; Diez III, 416.
|| Altoes waest de baelius sede, dat hi selve wachten dede (waakte) alle nachte met sinen knapen. Sonder eene menechte cleene, die God selve beschermen dede (beschermde). Een crekel clene, daer wilen bi Egipten ghemene God dede plaghen. Maer als dit die visschers vaen dan doen si hem thovet afslaen (slaan zij hem het hoofd af). So doe hem laten die medianc (lat. illi venam minuas medianam). Zie Mnl Wdb. II, 234; Tijdschrift II, 28 vlgg.; Alex. lxxxvi-lxxxviii; Ndl. Wdb. III, 2734; Van Helten, Gloss. op Anna Bijns
en voor onzen tijd Molema, 86, die nog vermeldt: Ik dou bedanken, ik bedank; hij dut bedanken, hij bedankt; Bergsma, Drentsche Woorden en Spreekwijzen, 92: loopen doen = loopen; Brab.: ik doe het zoo maar laten, ik laat het maar zoo (zie ook V. d. Water, bl. 45); het Zaansche: ik heb edaan ete = ik heb gegeten (Boekenoogen, lxxiii).
Even gewoon is het gebruik van het ww. (ge)doen als vervanger van een of meer voorafgaande werkwoorden. || Ganc henen seiti: Vader, ic doe. Die hebbic also lief als ieman sine kindre doet. Hi en keni mi niet, so doe ic hem. In het tweede deel eener vergelijking (§ 150 opm. I.): Viere voete heeft si (de vleermuis) ende tande alse de muse doen. Mi deert meer uwe pine ende u grote seer, dant u selven moge gedoen. Ghi hebt volx vele mere dan u viant doet. Met weglating van het pers. vnw.: Men wiste hoet began gereet; so ne deet oec hoet bequam. En wiste niemen hoet opquam, so ne doet oec hoet inde nam. Met het pron. het verbonden kon doet aanduiden, dat de vooraf genoemde werking geschiedt: Na den etene gaf men wijn, alst doet daer hoghe liede sijn. Dit ne mach in gere wisen enich man doen, sprac hi. Het mochte wale doen, seidsi. Zie Alex. bl. 433; Mnl. Wdb. II, 235-236; Paul § 386; Diez III, bl. 415; Ndl. Wdb. III, 2733.
Opm. Voor het hedendaagsch gebruik van doen als plaatsvervangend ww. zie Den Hertog III, § 92; De Bo, 243: Hij heeft u dat gezeid, doet hij niet? Gaat ge morgen naar stad? het doet al (het geschiedt), en verder tal van andere voorbeelden bij Schuermans, 98; Bijv. 65; Waasch Idiot. 179; Antw. Idiot. 360; enz.
Nog eene andere eigenaardigheid kent het Mnl. bij het ww. doen; het wordt namelijk, evenals in het Ohd. en Mhd. (Grimm IV, 594-596), veel meer dan nu verbonden met een znw. ter omschrijving van een werkwoord, blijkens uitdrukkingen als: eenen val doen; sciltwachte doen; were doen; sine onscout doen; huwelijc doen; haesticheit doen; antwerde doen; sinen ende doen; sijn keren doen; een blijf doen; eenen keer doen; clage doen; nersticheit doen; enz. Zie Mnl. Wdb. II. 238; Wilmanns III § 225 (4); Anna Bijns, Gloss. 18; Ndl. Wdb. III, 2707; vgl. in dezelfde functie het ww. nemen in uitdr. als: goom nemen; hoede-, raet-, begin-, ende-, sceden nemen (vgl. Mnl. Wdb. IV, 2318; Grimm IV, 600); slaen in acht slaen, gade slaen, goom slaen, roeke slaen, swike slaen, enz.;
driven in mesbaer driven (mesbaren), meslaet driven (= hem mislaten), dogen driven (= dogen), jammer driven (jammeren), clage driven (weeklagen); stichten in wijch stichten (= oorlogen), leere stichten (= leeren), sijn gebede stichten (= bidden), een gedinge stichten (= pleiten), (roof ende) brant stichten (= rooven en branden), enz. Zie Mnl. Wdb. II, 417; VII, 2116.
Opm. Voor de omschrijving van het actief door middel van sijn verbonden met een nomen agentis (eene navolging van het Mlat. of het Ofr.?) zie § 11 en vooral Diez III, 200 noot; voor die van sijn gevolgd door een relatieven zin § 11 en Mnl. Wdb. II, 150; voor die van gaen (vgl. fr. aller) verbonden met den infinitief § 11; Sn. de Vogel, § 316; N. Taalgids XIV, 73.
Het part. praes. kan in ruimer mate dan thans betrekking hebben op een znw., dat niet het onderwerp der werking is; meermalen heeft het dan eene eenigermate passieve1 beteekenis; vgl. ndl. de vallende zieke; halende part (touw, waaraan getrokken wordt); eene stilzwijgende voorwaarde; een zittend leven; een zingende mis; ijlende koorts; roerende goederen; fr. café chantant; école payante; rue passante; des coulours voyantes; hd. fallende Sucht; kostende Preis; eng. falling sickness; sleeping-car; visiting day; walking stick; voor het mnl.: vallende evel; vallende of stortende sieckte; seggende worde (gezegde w.); lesende misse; singende (siel)misse; dragende, drivende goet (roerend goed); varende have; varent goet; roerende, onroerende goet; levende dach, levende tijt (levensdag, levenstijd); ontseggende viant (openlijke vijand2); onwetende vrede (een vrede welks bestaan men niet kent); ridende manescijn; ridende oorloch (een oorlog, waarin men rijdt; oorlog in het open veld); ridende wake (rijdende de wacht houden); bi slapenden tide; nachtslapende tijt (mnd. bi slapender tiit); inrydende schauwe (een schouw ter invordering); sayende lant (zaailand); winnende lant (bouwland); loopende lant (bouwland); dat bevende ordel; die bevende doemsdach; uut-
vechtende tynnen; wevende werke; prisende scijnsel (d. i. geprezen sc. = Jezus).
Opm. I. Voor lateren tijd vgl. werckende dag (werkdag); loopende eerde (begane grond); (be)haelende sieckte; swetende sieckte; wayende vasten, -somer;
etende waren (vgl. hd. essende und trinkende
Waare), enz.; voor de 17de eeuw: zingende klucht; plantende, sayende cool; van steen opmetselende
huysen; sijn doende diensten; zie Tijdschr. XVII,
234 en vgl. nog Waasch Idiot. 34: loopend,
zittend, bukkend werk; spittende land; ook Antw.
Idiot. 77: loopende, staande, zittende werk;
halende (besmettelijke), vallende ziekte; De Bo, 683:
eene melkende koe (of is hier te denken aan een intr.
melken?). Zie Taal en Lett. IX, 237;
Den Hertog III, § 41; Andresen, Sprachgeb. 82; Paul, Prinz., 157; Sn. de Vogel § 281 bis; Leuv.
Bijdr. X, 22.
Opm. II. Eene soortgelijke eigenaardigheid
vinden we in: om onwillicheit der ponden (om den onwil van
hen, die de ponden moesten betalen); Mnl. Wdb. V,
1592.
Verbonden met het ww. sijn, werden of bliven werd het part. praes. praedicatief gebruikt, een verschijnsel dat thans zelden voorkomt: zij is lijdende; hij is beterende; er is wat gaande; hij is gaande en staande; hij was doende (zie Antw. Idiot. 77). Men bezigde, evenals in het Oudsaksisch, werden om het begin, sijn en bliven om het voortduren der werking uit te drukken. Bij dit laatste ww. kan thans nog een part. praes. voorafgaan of een infinitief volgen: staande blijven naast blijven staan.
|| Elck voer daer hi behorende was. In dien selven tiden was levende die scone Pallas. Want wie soos begherende was, quam hi te hem, hi ghenas. Mathathias die in Modin woenende was. Eest alfsgedwas dat ic hier ontmoetende si? Wat inde saller af comende sijn. Hier omme soude elc gedenkende sijn des woords. Al dat hi besittende is in dit leven. Die sake is hangende. Des ghenen hand, die mi verradende si. Gelikerwijs dat Judas Jhesum den Joden leverende was. Uw harnas ende uwen scilt moet ghi mi ghevende sijn.
Mitridates wart jagende in foreeste. So sere hi stinkende wart. Die lantmanne worden hackende in dien dagen. Die Jueden worden makende groten strijt. Justiniane die was wee ende wart seggende (= seide) openbarlike hi soude noch sijn rike ontfaen. Si begonsten slapende te werden. Dat ic screef blijft staende. Achilles bleef wakende in der nacht. Hi bleef sittende in Meden. Si bleven staende vechtende in dat dal. Doen bleef hi altenen siende op hare. Metten woorde bleef si liggende ende sliep (bleef ze liggen slapen). Of met voorafgaand participium staende, liggende, sittende,
wonende, heetende, levende, merrende bliven, enz. Zie Christ. bl. 240; 335; 454; Tijdschr. XXVIII, 35; Taalk. Bijdr. II, 75 vlgg.; Mnl. Wdb. I, 1302; VII, 1106; Tekstcritiek, 82; Diez III, 199-202; Sn. d. Vogel § 299; Paul § 287; Bredero § 196 en voor een paar plaatsen uit lateren tijd, waar bliven gevolgd wordt door een onvolt. deelw. vgl. Ndl. Wdb. II, 2840: Als sy even seer bleef biddende.
Opm. I. In navolging van bliven werd ook gewone sijn eene enkele maal met een onvolt. deelw. verbonden: doende sijn gewone; regeerende sijn gewone. Zie Taalk. Bijdr. II, 75; Tijdschr. II,
33-37.
Opm. II. In navolging van werden komt ook beginnen en ten gevolge daarvan ook gefinen voor, gevolgd door een part. praes. || Het was op
ene avontstonde dat Carel slapende begonde. Al wenende si niet
gefeen. Zoo ook in het Mnd.: Disse sulve kindesche man vil
sere wenende began (Tijdschr. II, 35).
Opm.
III. Het begin der werking wordt ook uitgedrukt door het praefix ver, zooals in verminnen, verruken (er
de lucht van krijgen), versien (in de gaten krijgen), verhooren (vernemen), verkennen, verweten,
verlachen (uitbarsten in lachen), enz. Vgl. thans nog verlieven. Dezelfde kracht om een oogenblikshandeling uit te
drukken heeft het praefix ge- (zie § 283).
Opm. IV.
Ook varen kan, gevolgd door part. praes., het begin der
werking uitdrukken. § Hi voer liggende (ging wonen) in een eylant. Doe sat hi up al sonder sparen ende voer
soekende (ging zoeken) die joncvrouwe.
Naast deze constructie met het onvoltooide deelw. ontmoet men vrij dikwijls die met de onbepaalde wijs, in navolging van beginnen, dat ook door een infinitief zonder te kon worden gevolgd. || Ende tot Erpse waren se die Blankarde soeken. Tfolc ghemeene wort doe claghen (ging klagen). Ende alsoe wordense striden daer gemene. Over eten worden si mede spreken vele. Daer omme wart men zynen octroye vercoopen. Aldus worden sy kijven ende schelden. Ende daerna waert si draghen (var. draghende) sonder ghenoet. Doe wart alsoo zeer reghenen, dat ic tot H. bliven moest. Vgl. mhd. sô wirt er sprëchen zehant; er wirt weinen; er wart ûf springen; sô werdent sie trinken naast dô wurden sie trinkende; enz. Zie Noord en Zuid II, 137; Tijdschr. IX, 34; X, 233; XI, 178; XXVIII, 36.
Opm. Ook werden te (vgl. beginnen te) komt in deze functie voor. || So dat te bevene waert die oude ende te claghene grote coude. Vgl. De Bo, 1408: Hij wierd te ronken, hij begon te slapen. Ik werd honger te krijgen; zie ook Antw. Idiot. 1458; Schuermans, 872.
Ouder dan dit gebruik is de verbinding van het ww. sijn met den infinitief ter uitdrukking van ‘bezig zijn met eene of andere handeling’. Voorbeelden hiervan worden ook in het Ohd. en Ags. aangetroffen. Door de schijnbare ellips van participia als gegaan, geloopen en dergelijke (vgl. mnl. hi es dore (hij is er van door) en ndl. hij is naar huis) kreeg sijn zelf de beteekenis van een ww. van beweging en kon alzoo door een infinitief worden gevolgd zie Wilmanns III, § 92; Lübben, Mnd. Gramm. § 65; Tijdschr. XI, 232; Mnl. Wdb. VII, 1107. || Navons als gi slapen zijt. Om te horne ochte men slapen si daer binnen. Joseph was bereiden die bruloft. Die geweest hadden up tlandt roeven. Gelloen die es soeken nu Agulande. Ick was dezen nacht visschen in der zee. Daer willic wesen den viant jagen. Die broeders waren mayen coren. Want het sijn die voeten ons heren noch wanderen hier inder aerden.
Opm. In later tijd komt deze constructie nog nu en dan voor, o. a. bij Houwaert: Meester en Vrouwe waren slapen. Zoo ook bij een anderen Zuid-Nederlander, A.F. Wouthers: Als hy al slapen was1. Overblijfselen hiervan kennen we in: Hij was (wezen) visschen. Ik ben wezen wandelen. Ik ben hem te wachten. Zij is melk halen. In Zuid-Nederland: Vader is ploegen. Uw broer was wandelen. De kinderen waren slapen2. Hij was slapen3. Ze zijn weg spele, wandele4.
Verder vinden we een onvolt. deelw. betrekking hebbende op het onderwerp - a) bij de ww. duncken, bliken, scinen, gaen, comen (eene gelijktijdige handeling uitdrukkend; vgl. ofr. e Bramimonde vient corant contre lui); of betrekking hebbende op het voorwerp of lijdend onderwerp bij werkwoorden met een causatief begrip: ‘doen sijn, werden, bliven, bliken, scinen’, zooals doen (maken), bringen (maken), hebben, laten, houden, heeten (zeggen), segghen, beliën, kennen, gewagen, bedragen (beschuldigen), betooghen, wisen, hem veinsen, enz.
|| Nu dochte hi hare sittende beneven. Dat u dunct wesende goet. Ditte dijnct mi de rechte heerscepie zijnde. Ten waere dat bleke in fraude ghedaen gheweest sijnde. Dese scinen minnende reynecheit. Al dat si schinen hebbende, daer sijn si in bedroghen. Een groot here
ginc singende. Hierna quam Benjamin ridende. Zephirus die wint uten suden waiende quam. Loopende, swemmende, gaende comen. Doe van der steden die maniere van roken comende (= comen) riekende wel. Om dat hise wilde bringen gheloevende ane warachtegen dingen. Et heeft den horen staende te siere bate. Die hadde hangende een hoeft an sijn gereide. Men laetse levende (vgl. Mnl. Wdb. IV, 194). Die liede die hi wilde mittien dranke staende houden. Men heet dien wijs sijnde, dye hem selven over sot houdt. Hij zecht mij dijn moeder wesende. Wij ouderliede kennen ende lijden mids desen ontfaen hebbende. Dat wij houden wesende goet. Dat sy betoochden getrouwe zijnde mijnen geduchten here. Hy veynsde hem sijnde een vriendelijc paysmakere. In dit lant daer si wonende was becant. Dese twee bescreven sijn wesende al van énen seden.
b) betrekking hebbende op het object of het passieve subject bij een ww. met een begrip ‘waarnemen’ of ‘waargenomen worden’, als: (be)vinden, (ver)sien, ontmoeten, verhooren, vernemen, verstaen, beseffen, weten, kennen, houden (achten), enz.
|| Bevonden si eeneghe verdient hebbende der scande. Biden broeke heeft hi versien twee scepelkine staende. Pieter heeft hem volghende ghesien. Tere steden ontmoeti comende enen garsoen. Daer hi trent liggende heeft gesocht, vant hijt etende staen int gras. Den keyser Karel heefti vonden sittende etende. Hi vernam eenen doden liggende doot. Commende vernam hi saen More eene wel langhe scare. Hi versach drie man comende (var. comen). Ieman die ic levende weet. Zaken, die zy verstonden hemlieden in laste ghegheven zijnde. Beseffende ulieden daertoe gheneghen zijnde. Zie Taalk. Bijdr. II, 75 vlgg.; Tijdschr. II, 33 vlgg. (vooral bl. 36); 176 vlgg.; XI, 178 vlgg.; Wilmanns III § 61, 3; Poutsma, bl 734 vlgg.; Diez III 261 -262.
Opm. I. Opmerkelijk is de uitdr. iet lesen vinden naast iet lesende vinden (in boeken vinden). Ze kan ontstaan
zijn door een versmelting van wi vinden lesende en wi mogen lesen (zie Mnl. Wdb. IX, 498).
Naar analogie daarvan vormde men ook scriven vinden =
geschreven vinden. Vgl. Tijdschr. II, 178-181.
Opm.
II. Als product van versmelting der uitdr. dit doende en
in dit doen kan bescouwd worden het meermalen
voorkomende in dit (dat) doende, in dit te doen; zie Taalk. Bijdr. II,
79; Tijdschr. II, 37; 174, waar nog andere voorbeelden van
eene dergelijke contaminatie uit latere geschriften medegedeeld worden; Mnl. Wdb. II, 238 en vgl. eng. in doing
this.
Opm. III. Bij de meeste der bovengenoemde werkwoorden kan
ook
een infinitief met of zonder te volgen,
waaraan het is toe te schrijven, dat in enkele gevallen, door verkeerde
analogie een participium staat na een wkw., dat alleen een infinitief achter
zich kan hebben. || Waer men kerstene begaende conde. Ses weken
liggende was gheset. Zie Franck in Tijdschr. II,
37.
Opm. IV. De beteekenis van een part. praes. hebben enkele
adjectiva op lijc, waarvan sommige niet meer in gebruik
zijn, als: bienlijc (biedende); dienlijc
(dienende, ondergeschikt; mhd. dienlich); gescienlijc (geschiedende); levelijc (levend;
mhd. lëblich); ontroostelijc
(verontrustend; mhd. untroestlich); onweigerlike (niet tegenstribbelend; mhd. unweigerlich). Voor de 16de eeuw zie Ndl. Wdb. VIII, 2303; Gloss. op Anna
Bijns, bl. 42, alwaar op bl, 33 ook gewezen wordt op adjectieven met den
uitgang ig, die denzelfden dienst kunnen verrichten,
gewoonlijk verbonden met wezen of zijn.
Zie ook Ndl. Wdb. VI, 1389; Van Helten, Proeven v. Woordverklaring, bl. 65, noot.
Het partic. praet. heeft actieve beteekenis, wanneer het bij een intransitief ww., en passieve bet., wanneer het bij een transitief ww. behoort. Er zijn evenwel ook participia van intransitieve of reflexieve ww. die vaak of uitsluitend als adjectief worden gebezigd: a) van intr. ww. gelegen, geseten, gestaen (eig. zijnde gaan liggen, zitten, staan), gebloeit (bloeiend, van gebloeien, gaan bloeien), gegloeit, gegroeit, geswegen (zwijgend, van geswigen, stil worden), meshoopt (wanhopend), onthoopt, verhoopt (van verhopen, beginnen te hopen).
b) van reflex, ww.: begeven (in een klooster gegaan), behoet (voorzichtig), bekent (verstandig), bepenst (verstandig, gedachtig), gelaten (zelfverloochenend), gerast, gerest, gerust (flink), gescuult (verstopt), gesellet (vereenigd), vermeten, verheven (hoogmoedig), vermogen (krachtig; ohd. sih fermugen), vernoyeert (van zijn geloof afvallig), versaect (afvallig), verwaent. Ook beducht, bevreest, gevreest, besorget, bevrucht, vervaert, versaget kunnen alzoo worden verklaard (zie echter Kern § 58). - Geleeft en beleeft (ervaren) participia van trans. geleven en beleven hebben hun passieve beteekenis gewijzigd in een actieve, evenals ndl. bereisd en gestudeerd (Kern § 59).
Hiertoe moeten ook gebracht worden vele met on samengestelde deelwoorden (vgl. thans nog onverwijld, onbewimpeld, onverpoosd, onberaden, onverholen, onverdiend; hd. ungegessen (mhd. ungëzzen), ungetrunken aufbrechen), ‘die, oorspr. als passief praedicaat bij een object of bepaling behoorende, gaandeweg met het subj. van den zin in nauw verband gebracht werden en ten
gevolge daarvan een actieve beteekenis verkregen’ (Van Helten, in Tijdschr. XI, 191), als: ongepeinst (zonder dat men gepeinsd heeft), ongesien, ongestolen, ongespaert, ongewonnen, ongedaen, ongecocht, ongestreden, ongevochten, ongevorstet, ongeviert (zonder te vieren, te rusten), ongelet, ongeduert, ongefaelt. Zie Tijdschr. XI, 191-194; Mnl. Wdb. V, 202; 525; Ndl. Wdb. X, 872; Diez III, 264-265; Paul IV § 322.
Opm. I. Door Kern § 144 (noot) worden deze participiaalvormen beschouwd als
versteende uitdrukkingen, die door weglating van het object e. dgl.
gelijkwaardig zijn geworden met adverbia. Vgl. Paul, IV, § 327.
Opm.
II. Het mnl. bedrogen, ohd. bitrogan, in
den actieven zin van bedriegelijk vindt zijn parallel in
het lat. falsus, zich vergist hebbende, onbetrouwbaar,
bedriegelijk; evenzoo bescheiden in het fr. discret, later-lat. discretus, kunnende
onderscheiden, verstandig1. Gesworen is eene navolging van het lat. juratus.
Zie over nog enkele andere woorden, ook uit lateren tijd, het artikel van
Van Helten in Tijdschr. XI, 194-197, en vgl. verder
Wilmanns III, § 59; Paul. § 288; 291; Kern, § 55 vlg.
Opm. III. Het
participium dronken (got. drugkans) is
geheel adjectief geworden. Het bnw. vergeten
(vergeetachtig) behoort niet tot deze groep, daar het ww. vergeten een genitief regeerde, en dus intr. werd gebruikt.
Verbonden met het ww. comen, somtijds met gaen, en loopen, wordt het partic. praet. van een mutatief-intr. ww. als appositioneel adjectief gebezigd. || Alexander quam daer ghesleghen haerde lichtelike daerjeghen. Fabius die quam ghevaren ende ghetrecket bider Rone. Die Wandelen sijn comen gelopen. Si quamen dapperlike geseilt ant lant van Affrike. Doe sach tfolc, dat eene duve quam gevlogen. Si liep geslopen ende gecropen. Vgl. verder: gereden-, getoghen-, gewandelt-, toegeresen-, gevloeit-, angeswipt-, gecropen-, verdreven-, gevaren-, gestreken-, gegaen comen; enz. enz. De constructie met den infinitief of minder dikwijls het part. praes. komt echter ook voor als 't ww. niet mutatief wordt opgevat. || Daer na quam een ander man gaen. Eens dages quam degone den bloem besien. Ende (dat ors) ran buten den anderen staen op tfelt. Ghisteren morgen quam ic gaen bi sijnre veste Malpertuus. So quam hi screyen totten bordielhuus. Die hont quam weder wepelstarten ende smeken. Si wandelt spelen. So langhe liepwi te samen jaghen dat wi een vet calf venghen. Doe cam ic gaende in een valeie. Zie Mnl.
Wdb. III, 1717; Kern § 61 en § 328; Paul, Gr. IV § 323 en vgl. thans nog: Daar kwam hij aangeloopen, aangesneld, aangereden, etc.; hd. er kommt angerauscht, angesungen, geritten; es kommt ein Vöglein geflogen; enz.
Opm. Worden twee verschillende werkwoorden verbonden met comen of gaen, dan bezigde men somtijds van het eene den infinitief en van het andere het participium. || Hi quam wenende ende poplen. Hi ginc hem proevende scone ende togen. Als ghij ghinct glorieuslijc al wispelen ende waijende. Die duvelen quamen scateren ende lachende.
Ook het werkwoord bringhen werd, van personen gebezigd, verbonden met een partic. praet., de wijze van komen nader aanduidende. Later geschiedt dit alleen met enkele verl. deelw. als bepaling van gesteldheid van het object. || Dat men daer brochte sieke gedragen. Hi brochte die maget te sijns heren herberghe gheleet. Het bracht gevoirt sijn baniere een vrome man. Die afgode van haren lande die hi mettem brochte gerovet. Zoo ook gedragen, gejaget, getrect, getogen, gewait, verheven, gedreven bringhen, enz. Zie Mnl. Wdb. I, 1442; Alex. bl. 410; Tekstcr. 80; 107; Ndl. Wdb. II, 1281: iem. gevangen, gebonden brengen; hd. etwas angeschleppt bringen.
Het meest wordt het partic. praet. natuurlijk gebezigd in de samengestelde tijden der werkwoorden. In verbinding met het ww. sijn, werden of wesen werd het part. praet. van transitieve werkwoorden een middel om het passief uit te drukken; in verbinding met hebben om de verleden tijden van het actief te vormen. Zie § 268.
Opm. I. Hoe hebben hulpww. is geworden vindt men uitvoerig
en duidelijk verklaard in het Ndl. Wdb. VI, 224 en bij
Kern, § 14 vlgg. Het in 't Ohd. voorkomende eigan is wel
in het oostelijk Mnl. bekend als eigen, doch in den zin
van moeten, hebben, krijgen, ontvangen, intr. passen, en niet als hulpww. in gebruik; zie Mnl.
Wdb. II, 588.
Opm. II. Dubbel samengestelde passieve vormen,
zooals in het Hd. en somtijds ook in het tegenwoordig Ndl., zijn in den
indicatief zeldzaam. Ze komen in late teksten een enkele maal voor.
Talrijker zijn de gevallen in den irrealis. || Ons ware beter
datic hir voren noit en ware worden geboren. (Lanc). In de 15de eeuw komt deze constructie meer voor o. a. bij
Froissart: So hadde hy dair by den vyere sittende by hair
gevonden geworden. Ende hadde dat slot niet verbrant geworden.
Gebruikelijker was die met geweest of gesijn. || Sider dat ic
x
jaer out was, soe hebbic alsoe na van herteliker minnen
bedwonghen gheweest (Hadew.). Daer soude meerre
verdriet af comen
hebben ghewesen. Zelfs nu en dan bij intr. ww.: Hadden si gheweest daer ghegaen (Kern § 53 en § 321). Zie Wilmanns III, § 76; Zeitschr. f. D. Altert. L. Anz. p. 102; Kern, § 52 en § 320.
Evenals in het Oudsaksisch1 kon het partic. praet. van een mutatief werkw. verbonden worden met werden, oorspr. om een ingressief begrip te vormen; het afgeloopen zijn der handeling treedt echter meer op den voorgrond bij de omschrijving met het praeteritum van werden; door het praesens wordt meer het ingressieve begrip of het futurum uitgedrukt. In enkele der volgende voorbeelden is dit begrip echter reeds geheel verdwenen. || Si worden verresen alsoo saen, dat, enz. Dat gat dat te voren was open wert nu sciere toegheloken. Doe wert oppenbare gevloen (sloeg op de vlucht) dat here altemale. Dor dese noot wart sinte Bave ghevlucht uter stat van Ghent. Ter taflen daer die andre saten wart hem sijn ghepeins verlaten. Hoe wert snachts hem tween ghesciet?2 En wert noyt so coene daet van genen keyser hiervoren gesciet (gebeurde) alse men desen nu doen siet. Mit ongeval so stiet si aen hoors mans voet ende hi wert te hant ontspronghen. Nu wert den man verdwenen sijn goet. Daer en wert geen loof ontsprongen. Dat horen toern word becleven (voortduurt3) die nye ontrou en had bedreven. Die siele die wert droncken al in des heeren woort: in minnen wert si ontsoncken, si scheen van vruechden doot. Of te derre feesten wel geraect hongher den mensche salich maect, te so hogher weelde wert hi geresen (zal hij rijzen) die daer sullen versaet wesen. Ter stont wort dat onweder ghestilt (kwam tot bedaren). Alse die gods sone gheclommen wert in den hemel (ten hemel gaat stijgen), so sal hi laten sine macht in sinen xii knechten.
Opm. Komt het participium ook als gewoon adjectief voor, dan is tweeërlei opvatting mogelijk. Een zin als Daer worden hare verstijt de hande kan beteekenen Daar werden haar handen stijf of daar verstijfden haar handen. In het eerste geval heeft werden zij ingressieve beteekenis behouden, in 't tweede ligt het ingressieve begrip in de geheele verbinding opgesloten. Evenzoo in: So wanneer dat ic doot ende verscheeden worde. Zie Kern § 324 en 327.
Praesens-beteekenis kunnen hebben gestaen zijn (staan), gelegen zijn (liggen), geseten zijn (zitten), daar deze participia niet alleen verbaal, maar ook als adjectief kunnen worden opgevat. In zinnen als: Selden is ghelegen grooten windt sonder reghen. Sijn ghebuur quam metter vaert ende es in sijn bedde gheleghen. Hierna es si van enen kinde gelegen (bevallen) hebben we met het verbale adjectief te doen, en beteekent es ghelegen is gaan liggen; doch in Doe ic hoorde waer gi waert ghelegen is het participium adjectivisch op te vatten en dient sijn + volt. deelw. ter uitdrukking van een voortdurenden toestand. Zoo ook hebben we een perfectum in: Dat gesacht es ende geseten (= is gaan zitten, bedaard) die evelmoet der drie portiere, doch een adjectief in: Binnen desen palen geseten ende woenachtich. Een roke, daerop was geseten een stat. Die kerspelen also als si geseten ende gelegen sijn. Alse dat verstont E., wat in den brief was gestaen. Zie § 261 en vgl. Kern § 169 vlgg.
Geen participium, doch eene afleiding van het znw. prijs, kan zijn gepriset in den zin van prijzenswaard, in tel, waard. || Ene andere vrouwe es die mi mint, die mi geprijst es niet een twint. En ware sijn vrucht niet so ga, si waren gepriset (var. te prisene) vele te bet. Zoo ook zijn gehat (mhd. gehaz, hatend), gewillet (willende) en wellicht beraest (razend, woedend) geen participia, doch afleidingen van de znw. hat, wille en raes (woede1).
Het part. praet. der transitieve ww. werd verbonden met hebben, evenals dat der schijnbare intransitieven (met verzwegen object), dat der intransitieven verbonden met een genitief bepaling en dat der niet-mutatieve intransitieven. Het part. praet. der mutatieve intransitieven wordt verbonden met zijn.
| a) | Trans. ww. || Die felle Fortier die gebrouwen had dat bier om die vrouwe te brenghen in pine. Hi heeft hem gedaen (gegeven) een clein palster. Ic moet al ander leven volgen dan ic hebbe gedreven. Sine jongeren hi gegadert heeft. God hevet mi nu gehoort (verhoord). Nu hebbic gevaen den ghenen die mine minne hevet ghekeert in droeven sinne; enz. |
| b. | Schijnb. intr. ww. || Hine hadde gedronken no geten. Des derds dacs sal ic hebhen voldaen. Brutus hevet gehavent in de Lore. Als die here hadde gecastiet. Die closter sere hadden afgenomen van |
| allen vromeliken dinghen. Die coninghinne der
ontfermherticheit heeft mi gheopenbaert inden veghevier. Tenden dat
hij ghezoent heeft mit sinen vianden; enz. Opm. Enkele ww. hebben door het passief gebruik mutatieve beteekenis gekregen en worden dan ook met zijn vervoegd. || Dit nuwe jaer is ons begonnen. |
|||
| c. | Intr. ww. met een genitief-object of een voorz.- bepaling. || Tgoet des si lange heeft gederft. God hadde haers te tide
gedocht. Wi hebben uwes ontbeit langen tijt. Dese hebben haers selfs
ontfermt. Hi heeft der doot verdient. Hi hevet sijns selfs
verloochent ende sijns willen vergheten. Du sals gelogent hebben al
mijns
iii
werf. (Tvleesch) dat
ant mesdoen es ghehecht ende gheens quaets heeft gheploen. Sine
broedere die sijns goedertierlike hebben ghewacht. Dese riddere na u
heeft ghebeit tote nu. Daer men al den nacht na hem heeft gewacht.
Hi altoes ghehaect heeft na die bitter passie. Herodes heeft
voerwaren van sinen sin ghemist. Van desen spele hebdi alte langhe
gheploen. Hare dinct si hevet al leets vergheten. Si des hebben
vergeten (zijn vergeten) wanen si selve sijn
gheboren. Opm. De latere constructie met zijn (18de eeuw?) kan zijn voortgevloeid uit de onpers. des es mi vergeten en onder invloed van hi es vergeten (vergeetachtig) + gen. Zie Kern, § 97 en Mnl. Wdb. VIII, 1753 vlgg. |
||
| d. | Niet mutatieve-intr. ww.
|
|
De mutatieve-intransitieve ww. worden vervoegd met sijn; zij duiden een verandering van toestand aan. || Daer na doen tfolc was ghedijt ende worden harde vele. Sijn sone aen tshertogen dochter ghehielict waer van Gelre. Omdat hi van goeden gecomen is ende verarmt is. Wilen was een liebaert van ouden ghecranct ende gheswaert. Die slange was geborsten. Doen dit orloge was al gehint (geëindigd). Sere gemint (var. ghemindert) was haar conroot. Nae dat zij bevinden dat zy gerijct of gearmt sijn. Ic woude wel dat (mijn hart)mi ware gespleten ende ic des levens hadde een ende. Wi sin so sere an der nature geswacht (zwak geworden) van dir sonden onser irster muder. Die nose was hem bina off verrot. So sal hem verdrueven des dat hi gheverdt (verwijderd) es van der ghelikenissen sijns selfs Jhesu Cristi. Ne hadde gheweest die soudaen, vercoevert waren die van binnen.
Naast deze groepen komen intr. ww. voor die eene mutatieve en een niet-mutatieve beteekenis hebben. In 't eerste geval worden ze vervoegd met zijn, in het tweede met hebben. In 't Mnl. komen echter de meeste ww. alleen mutatief voor. Zie Kern § 168 vlgg. In de eerste plaats komen in aanmerking de ww. liggen, sitten, staen (zie § 266) en hun samenstellingen (die met ge zijn gewoonlijk mutatief). || Selden es ghelegen (gaan liggen) grooten windt sonder reghen naast Als si geleghen had siec drie weken. Des anderen daghes, doe sy opstonden ende den dach bekennen conden .... gheseten (opgestegen) syn sy op haer perde. Parys is weder opgheseten op sijn ors. Die knecht die in der herberghen hadde gheseten. Ic woude wel dat ghi van den bedde waert ghestaen (opgestaan). Vremde ende vriende ben ic afghestaen (afstand gedaan). Hoe dat Christus opverstaen is van der doot. Die stede daer Maria op ghestaen had. - Sinte Jeroen die in voortiden te Noortich gerustet (gestorven) was. Die riviere, die was met reyne ghewassen sciere. Dair heeft vortijts ghewassen (groeide vroeger) die alre beste wijn, die in alle dat lant mochte wassen. - Voornamelijk is dit verschil op te merken bij de ww. van beweging. || Du hebste langhe genoech ghedwaelt. Alle menschen die ghedwaelt sijn van minen lieven sone. Oriande, scone figure, die lange dolende hebt ghegaen. Binnen dien was Claris verdelike ten pilare gheghaen. Alsi een stuc waren ghegaen. Den wech daer si langhe in hebben ghekeert. Averecht was ghekeert haer cansse. Hi sach die hoefslage, daer twee ors hadden gelopen. Als dat grote water weder inder zee gelopen was. Omme wat dingen .... hi den pape hadde gheneghen (een buiging gemaakt). Oetmoedelic is hi gheneghen (zonk hij neer) voer der vrouwen op sinen knyen. Dus heft Ferguut den dach ghereden ende den nacht. Voer den coninc es hi ghereden. Sij en waren nauwe ene mijle ghereden. Darius es ontreden scone in dat lant van Babylone. Got heft gesprongen rechte alse een rese. Op haren orsen sijn si gespronghen. Sozimas viel in cniegebeden ende custe daer si hadde getreden. Nu is dat volc so verre ghetreden buten maten. Evax die heeft gevaren ie seder dat hi sciet van Athenen. Ic hebbe gevaren (mij gedragen) als een sot. Doen si enwege waren, es hi enen andren wech gevaren. Hier es nu wel gevaren (goed afgeloopen). Ene vrouwe, die van den bloede seven jaer adde gevloeit. Mettien waest hoge gevloeit (vloed geworden). Langhe hebbic u ievolghet ende veile. Hijs u
ontgaen ende ons ghevolcht. Ic heb mit hem gewandert veel weghen. Ende (ic) ben met hem ghewandert in (naar) vreemden landen; enz. Zie voor later tijd ook Ndl. Wdb. VI, 225; Bredero § 27; Vondel's Taal § 60.
Opm. I. In laat-mnl. komen verschillende, niet altijd verklaarbare,
afwijkingen van dit gebruik voor. Zie Kern, § 194 en § 225.
Opm. II.
Werkwoorden, die een natuurverschijnsel aanduiden, kunnen met hebben of sijn vervoegd worden. || Nu en hadt in den lande daer nie gereint. Het ww. zijn komt voor bij 't onpers. gebruik. || Doet weder
droech gheebbet was. Ten naten es lichte ghereent. Nochtan waest vorst
ende gesnuwet sere. Het was ooc gevroren sere. Zoo nog in 't
Antwerpsch. Persoonlijk gebruikt, vooral verbonden met een praefix, zijn ze
mutatief. || Ghelijc enen marberstene was Vrieslant al hert
vervroren. Zie Kern, § 271.
In de irrealis komt naast sijn het hulpw. hebben voor bij mutatieve intr. ww. onder invloed van de constructies met dorren, moeten, mogen of willen. Zie Kern § 298 vlgg. en Tijdschrift XI, 169 vlgg. || Waersi also staande bleven, .... si hadden verbernt. Haddict gheweten, ic hadde ghecomen te hare. Al hadder elc noch een gehat, daer en had niet veel ghebleven. Haddic geclommen op den stoel des bisdoems, ic had gevallen int perikel der ewiger verdoemenisse. Robrecht die dat conincrike soude hebben verworven, hadde die coninc sonder oer ghestorven. En had hy hem so saen niet ontfaeren, die sclach waer ghewroken. Si hadden gheworden stridens mat, maer si quamen toeghesleghen met meneghen stouten deghen. Hadden die naghele uut sinen voeten ghesprongen .... si hadse weder in ghesleghen. Die ondadege ridder hadde gerne ontreden daer. Hadde die halsberch oec niet geweken, hi hadde; enz.
Opm. I. Komt in de irrealis een woord voor met het begrip ‘bijna’, dan
ontmoet men naast het hulpww. hebben ook zijn. || Daer die kerke mede schiere hadde verbrant. Dat
sij soude haest hebben ghestorven, mer, enz. naast Ic
wasser nalinx met al nu bleven daer int net. Welna hi teborsten
was. Zie Kern, § 318.
Opm. II. In dialect komt dat gebruik van
hebben in de irrealis nog voor: || Este
wijnd anders waar gewiest, hâ al ons hooi verbrand (V. d. Water,
45); Boekenoogen, 300.
geschiedt gewoonlijk in verbinding met baten, doen, dogen, dieden, helpen, te staden staen, goet sijn, nutte sijn, goet duncken, scaden, quaet sijn, onnutte sijn, verloren sijn. Zie (ook voor de verklaring) Van Helten in Tijdschr. XI, 180-187 en vgl. verder Wilmanns III § 345, 3; Paul § 292; Franck, Beiträge, 30, 334 vlgg. || Dit is grote zonde gedaen (het is eene groote zonde, als men dit doet). Dits Gode grote onwertheit gedaen. Het grote lelicheit is gedaen Gode, als zine vercorne bruut haer selven werpt zijnre graciën uut bi onsuverheden. Wat is dese pine te verstaen dan penitencie ghedaen? Wat dede dat woort gheseit? Si en doghen geset in sulken regement. Hets goet ghedaen. Het ware quaet gedaen. Haerre geen es goet versmaet. Dats verloren geseit. Dingen, die niet nutte en sijn geweten. Die dinghe sijn ons orboerleec ghehoort. Het ware mi liever vele gelaten. Hier en helpt niet toe geseit (= niets, dat hier toe gezegd is, baat). Die schalken en doghen verheven (de schalken zijn, wanneer ze verheven zijn, niet op hun plaats). Dese rime ende wort, die hem onnutte sijn ghehort (die, als zij gehoord zijn, hun niet baten). Het participium drukt hier een bijkomend begrip uit ter verklaring der aan het subject toegekende werking. Niet als verklarend element, doch als hoofdbestanddeel der gedachte met de beteekenis van een infinitief vinden we het participium praet. in de volgende zinnen: Loghene en dochte niet gheseit. En dochte oec gheen dinc begonnen, dat men niet volherden en wille. Voer Gode diet geen mantel gemaect. Wat holpt verholen? Wat sal dit verholen? Wat soude dan redene meer daer toe gesocht. Harde goet waert offghelaten datmen besuyrt buten baten. Wat schaet goede woerden ghegheven? Die vriende sijn altoos best besocht. Dese hoeftsonde waer goet omboren. Dat veel nutter waer ontboren. Weldaet gheleert ende niet ghedaen en mach niet te staden staen. Te verre betrauwt es dickent quaet. Het is beter stille gheseten dan scade begaen. Ons en doech niet langer gelet. Wat helpter om ghestreden. Hem waer beter geswegen stille. Wat diet omme niet gesorghet? Hets beter die doet ontfaen dan des gheloefs ave ghegaen. Die minnen wille hem en voeghet niet gheseit noch ghesonghen enegherande dorperheit. Die twee weghen heeft bestaen die weet wail welc best is gheghaen. Ic segge dat goet benomen orloghe ware. Die huut es goet ofghedaen als mense (noten) sal in spise ontfaen. Die claghe ware bet verholen. Ghij waert weerdich ghesmeten met vurte sleteren.