Aangaande den imperatief valt op te merken, dat ook de pluralisvorm gebezigd wordt, wanneer men tot slechts één persoon het woord richt, zelfs wanneer men iemand met du aanspreekt.
|| Thobias sprac, segt, jongelinc. Ferguut, blijft hier ende slapet met gemake. Helyas sprac, weest onvervaerd ende mac mi coekelkin ter vaerd. Weest gegroet, coninc der Joden. Minren blijft gestade ende trou, waerachtich in dijnre joghet. Thomaes com, tast mijn wonden ende zijt gheloovigh. Vgl. § 207 opm.; Vondel's Taal § 191 en Ferguut, gloss. 281.
Opm. I. Opmerkelijk is het, dat wij thans omgekeerd bij een meerv. gewoonlijk den
enkelvoudsvorm van het ww. bezigen. || Jongens, maak wat
voort!
Opm. II. Aan het ww. kan het bijw. nu of wel (wal, wael) up
voorafgaan ter aanduiding van de oogenblikkelijke handeling || Nu
ontfaermet miere scade. Nu hoort wat ic u segghen sal. Nu swiget alle ende
hoort. Ver Machtelt, wat sitti hier? Wael op ende wilt ghereiden deten!
In de tegenwoordige taal volgt nu op het ww. Zie § 123.
De imperatief kon, behalve door het ww. sullen, ook omschreven worden door middel van den imperatief van het ww. vanden1, wanen2 of willen. || Grimbeert vandet mi geraden. Ghi heren nu vant ten wapen vaen. Dusgedaenre tale waent ontberen. Ridder waent vollic opstaen. Isegrijn: sprac nu wilt kiesen. Hi seide: ne wil niet vreesen. Voor weten ter omschrijving van den adhortatief in Vlaamsche geschriften zie § 288.
Opm. I. De imperatief van het ww. laten schijnt ter omschrijving van den adhortatief gebruikt te worden bij een wederk. of een onpers. ww. Dit is evenwel slechts schijn, daar laten met den volgenden infinitief
één geheel vormt en de adhortatieve
kracht door den imperatief zelf wordt uitgedrukt. Wordt laet gevolgd door den infinitief van een trans. ww.,
dan heeft die inf. passieve beteekenis. || En laet ons niet
leiden in becoringhe (gedoog niet dat wij geleid worden of dat men
ons leide in verzoeking). Zie Mnl. Wdb. IV, 205-207 en
vgl. § 158 opm. II en § 288.
Opm. II. Van het tegenwoordig taalgebruik om den infinitief te bezigen
als imperatief (zitten blijven! rechts houden!) heb ik
geen voorbeeld opgeteekend. In het Ofr. komt de infinitief als imperatief
wèl voor na eene negatie: Sire compainz, amis, nel dire ja
(zie Gramm. Hist. § 441; Diez III, 212; Sn. de Vogel §
202; Paul, Prinz. 135). Vgl. voor het Mnl. || Men mach wel van houdt, dat zwack is, scubben afhalen van die
spintkandt, mar die meskant (?) niet te roeren
(R. v. Schiedam, 300, 10), en voor deze constructie in later tijd Wel te rusten, enz. Zie Noord en Zuid
XXIX, 135-138 en vgl. § 279 opm. V.
Opm. III. Voor de omschrijving
door middel van doen in zinnen als Doet wel
ende swiget stille, zie § 294 opm.