23. Aanstoot lijden (of hebben),
d.i. aangevallen worden, vijandige bejegening ondervinden. Het znw. aanstoot heeft hier de beteekenis van aanval, aanranding, vijandelijke bejegening met daad of woord, en is de stam van het wkw. aenstoten, dat in de middeleeuwen ook bestoken, aanranden, aanvallen beteekende. Vgl. bijv. Exc. Cron. 204 d: Dye stede was seer vast ende starck.... wel voorsien ende bescermt van allen aenstoot; D.B. II. Chron, 36, 2: Alle die anstoot (Vulg. impetus) des strides wart gekeert tegen Jherusalem; zie Mnl. Wdb. I, 157.
Later krijgt de uitdr. ook de meer algemeene beteekenis van: te lijden hebben. Zoo bij Sartorius III, 10, 47: Hy heeft veel aenstoots, quadrabit in hominem omnibus omnium injuriis expositum; Hooft,