Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

27. Aap.

‘Daar de aap leelijk en boosaardig is, lachwekkende bewegingen maakt, sterk op den mensch gelijkt en diens handeling gaarne nabootst (naäapt; fr. singer, hd. nachäffen; eng. to ape a p.), komt hij veel in vergelijkingen, spreekw. zegswijzen en spreekwoorden voor’; Ndl. Wdb. I, 526. O.a. in:

[p. 10]

Iemand voor den aap houden, hem voor den gek houden, hem foppen; hd. einen äffen; sich äffen lassen. In de 17de eeuw kende men ergens den aep mee houden; evenzoo in de 18de eeuw Adag. 11: den Aep houden met Imant, posticâ sannâ ridêre quempiam. Thans is deze uitdrukking dialectisch nog bekend, ook in Zuid-Nederland; zie Schuermans, 5; Rutten, 5 b; Antw. Idiot. 113: iemand veur den aap houden (ook De Bo, 12; Draaijer, 1 a); Waasch Idiot. 45 b. Synoniem hiermede is het door Tuinman I, 347 opgegeven: den aap scheeren (Schuermans, Bijv. 4 a). In het Engelsch zeide men: to make any one his ape.