Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

55. Iemand afpoeieren,

d.w.z. iemand afschepen, door hem onheusch te bejegenen; ook: maken dat hij aflaat, door zich met een zoet lijntje van hem af te maken;

[p. 24]

Ndl. Wdb. I, 1251; Harreb. III, 3 b. De eig. bet. van ‘poeieren’ is iemand met een (bijtend?) poeder bestrooien of inwrijven, vandaar: hem onvriendelijk bejegenen; vgl. iemand bepoeieren, met sneeuwballen gooien; dial. iemand inpoeieren, met sneeuw inwrijven; Waasch Idiot. 59 a: afpoeieren, afrossen; Rutten, 178: poeieren, afranselen; Claes, 187: poederen, afpreugelen; iemand eene poeiering geven; Teirl. 37: afpoeieren, hard bekijven of bestraffen; De Bo, 877 a: Iemand poeieren, iemand doorhalen; iemand een poeiering geven (of draaien), iemand afranselen; fr. poudrer qqn., iemand uitschelden (verouderd). Dezelfde beteekenisontwikkeling vindt men bij iemand afzouten (zie ald.) en het hd. pfeffern, gooien, slaan; Teirl. 36: afpeperen, afranselen.