Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

57. Iemand eene afroffeling geven.

Het wkw. afroffelen beteekent eigenlijk met een' roffel (d.i. een schaaf, die gebruikt wordt om het ruwste van het hout af te schaven) afschaven; de ruwe oppervlakte van een stuk hout wegnemen. Figuurlijk wordt dit toegepast op personen; ze met woorden ruw aantasten, duchtig doorhalen, een ferme schobbeering geven wegens gepleegd verzuim of verkeerd gedrag; iemand eene afroffeling geven wil dus zeggen: iemand den mantel uitvegen, hem een (af)rammeling geven. Vgl. hiermede iemand afkammen (vgl. Teirl. 25: afkammen, afrossen), afrossen (eig. met de roskam; vgl. fr. étriller), iemand afborstelen; het 17de-eeuwsche afpluizen (= den mantel uitkloppen); afpeluwen; over den hekel halen, enz. Zie Ndl. Wdb. I, 1294 en vgl. Waasch Idiot. 51: afroefelen (ook Antw. Idiot. 140; Teirl. 39); hd. einen Rüffel erteilen, kriegen en dialectisch einen rüffeln1); fr. une raclée; eng. a licking.2)