Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

73. Alarm blazen,

veel ophef maken van een dreigend gevaar, en daardoor onrust, schrik en angst in de gemoederen wekken; eigenlijk de trompet blazen, om de troepen in de wapenen te roepen. Vgl. Plantijn: Alarm slaen, sonner l'alarme, ad pugnam canere, conclamare ad arma. Kiliaen, 832: Alarm slaen oft roepen, ad arma conclamare, vocare. In de plaats van alarm blazen wordt ook gebruikt: de alarmklok luiden; mnl. clocke slaen, diè stormclocke luden, onrust, schrik en angst in de gemoederen wekken, alles in rep en roer brengen, als dreigden er de grootste gevaren.3) Vgl. ook den alarmkreet aanheffen, de alarmtrom roeren, de alarmtrompet steken, die alle in denzelfden zin gebruikt worden. In het Land v. Waas: nen alerm maken, groot misbaar maken; evenzoo in het Zuid-Oostvl. zie Teirl. 65: alarme maken; fri. alaerm slaen, utjaen, meitsje. hd. Lärm blasen, Lärm schlagen; fr. sonner l'alarme ou la cloche d'alarme; eng. to sound, beat an alarm.