Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

247. Een blauwe boon,

d.w.z. een kogel, aldus genoemd naar de blauwe kleur van het lood. Deze benaming komt in de 17de eeuw voor; zie Erasmus, Colloquia, 53: Daer gy in 't geraes en gedonder van 't geschut moet staen, dat u de blauwe bonen om de ooren vliegen. Zie verder het Ndl. Wdb. III, 440, waar de benamingen looden boon, huzarenboon, ook boon, in denzelfden zin vermeld worden en vgl. de synonieme benaming zwarte peperkorrel (in het Boere-Krakeel, 114); blauwe erreten (Paffenr. 109); in het hd. eine blaue Bohne, ein blaues Korn; dial. ook Teufelsbohnen, schwarze Erbsen, Pfefferkörner (kanonskogels), Zuckerhütchen (granaten1)); eng. a blue bean, a blue pill; a leaden pill; fr. une prune.