371. Over de brug komen,
d.w.z. betalen, zoowel van schulden als van toelagen; fri. oer de brêge komme, betalen, tracteeren, onthalen, dat de Engelschen to come down noemen en de Groningers (ad) koram (lat. coram?) komen (Molema, 220 a.) De oorsprong van deze, eerst in de vorige eeuw voorkomende, uitdr. is onbekend. Moet wellicht verband gezocht worden tusschen deze uitdr. en het bij Harrebomée I, 98 b vermelde: ‘als 't karretje, (t.w. met geld) maar over 't glazen bruggetje kan komen’, dat men bezigt, wanneer er geen geld voorhanden is en men steeds van koopen hoort spreken2)? Of moeten we denken aan de tol, die op vele bruggen, vooral