Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

574. Fluiten gaan,

d.w.z. er vandoor gaan; vgl. Harreb. III, 23 a: Hij gaat ermede fluiten; Waasch Idiot. 219 b: De kerel is gaan fluiten (of fluizen); Teirl. 430: Gaan fluiten, weggaan, wegloopen; in Twente: Loop en fluiten, scheer je weg!; hiernaast: fluiten, weg is het!; ook in het hd. zegt men flöten gehen, -machen naast fleiten gahn (Wander I, 1079) en valeten gehen. Wellicht moet men in ‘fluiten’ het hebr. fleito (Portug.-hebr. feleta) zien, dat ontsnapt beteekent en in de verkeerstaal der Joden in den vorm pleite gaan d.i. op den loop gaan, bankroet gaan, gebruikt wordt (zie o.a. Dievenp. 90; Jord. 73: Maak je pleite!; Kalv. I, 96: De Leeuw is pleite; ook Nkr. V, 25 Mei, p. 6). Opmerkelijk is het evenwel, dat sedert de 16de eeuw de uitdrukking fluiten gaan vrij gewoon is (Trou m. Bl. 13; Coster, 532, vs. 1119; Kluchtspel III, 36; Hooft, Stijve Piet 4 v; heenfluiten bij Westerbaen II, 275 enz.), wat zeker niet pleit voor de afleiding uit het Hebreeuwsch. Eerder zal men moeten denken aan weggaan om te fluiten (d.i. urineeren; reeds in de 17de eeuw); daarna zich verwijderen in het algemeen. Vgl. Rutten, 175: met iets gaan

[p. 229]

pissen, er mede heengaan; ga wat pissen, pak u weg, syn. van gaat kakken of loopt kakken (Teirl. II, 101); eene pisser maken, stilletjes wegloopen (Onze Volkstaal II, 225); Teirl. 57: afzeeken, heimelijk en beschaamd heentrekken; fr. envoyer pisser (ou chier) qqn, iemand wegjagen; pisser à l'anglaise, stil wegloopen, zonder afscheid te nemen; Wander III, 1352: ha pösst säck weg, von einem, der sich unter dem Vorwande eines natürlichen Bedürfnisses davonschleicht; Grosz, Handbuch, 317: verpissen, beseitigen; sich wegpissen, davonschleichen. Zie Tijdschrift VIII, 319; Borchardt no. 379; Reuter, 30 en Schrader, 372-374; Korrespbl. XXVIII, 39; XXIX, 3, 29; XXXV, 61-62; Pa[u bakje]l u. Bra[u bakje]ne's, Beiträge XL, 61-62, waar allerlei gissingen te vinden zijn. In Limburg: hä is fleutepipe (tautologische samenstelling), d.i. hij is weg.