Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

576. Iemands macht fnuiken,

d.w.z. verzwakken, de kracht ontnemen; eig. beteekent fnuiken een vogel kortwieken, 17de eeuw ook lede- (of lee-) wieken1), kortwieken2), of zooals men in het Westvlaamsch zegt kortvlerken en in het Brab. kortvleugelen (lat. pinnas incidere; alas intervellere (Otto, 280); fr. rogner les ailes à qqn; hd. einem die Flügel stutzen; eng. to clip a p.'s wings. Zie Vondel, Bat. Gebr. 1204:

 
Wie kan een arentspen in vlught te boven komen,
 
Zoo hy gefnuickt geen maght in zyne pennen voelt?

Lucifer, vs. 565: Men zal uw mogentheit aldus de vleugels fnuiken; vgl. Hooft, Ged. II, 246, waar op de vraag van Harman v. Woerden: ‘Wat middel soudt ghy dan goedt vinden te ghebruycken’ Gysbert van Aemstel antwoordt: ‘Den Graef, en Graeflijckheyt haer wieken wel te fnuycken’; Sewel, 223: Iemands wieken fnuiken, to clip one's wings, to diminish his power; Halma, 145. In de 17de eeuw zeide men ook iemand den staart korten (zie o.a. V. Lummel, 3923), waarvoor men thans zegt: iemand een staartveder uitplukken of eene veder uit den staart trekken of ook iemand de slagpennen uittrekken; vgl. ook iemand de nagels korten (sedert de 17de eeuw); fr. rogner les ongles à qqn.