d.w.z. iemand die gekruld haar heeft, is wispelturig: ‘men meende dat kroes of gekrult hair een teken was van een hoofdigen en oploopenden inborst’ (Tuinman I, 34). Vgl. voor dit volksgeloof Barth. 88 a: Ist dat die haren seer cruust ende dicke sijn ende haestelicken wassen, beteykent hette des hoofts ende veel humoren2). Bij Campen, 57: kruys haer, kruyse sinnen; bij Idinau, 159:
Vgl. het hd. krauses Haar, krauser Sinn; Krauskopf Brauskopf; de. kruset Haar, kruset Sind; eng. curled heads are hasty; in Groningen: kroes hoar, kroeze zinnen (Molema, 228 b); in het Friesch: krolle hieren, krolle sinnen; oostfri. kruse Hâr un kruse Sinn, spitze Näs un spitzet Kinn, der sitt de Deifel drêmal in (Eckart, 177; Dirksen I, 39); in Zuid-Nederland: krulhaar, dul haar (Joos, 149); gekrolde haren, gekrolde zinnen (Antw. Idiot. 1704); lang haer, lange zinnen (in Kluchtspel, III, 8); zie De Cock2, 32; Volkskunde XXIII, 195; Harreb. I, 268; 270: Vrouwen met gekruld haar hebben wormen in het hoofd (17de eeuw); Wander II, 220.