763. Haarlemmerdijkjes maken,
d.w.z. ruzie, drukte maken, standjes zoeken op straat, zooals dat door de bewoners van of de wandelaars op den Haarlemmerdijk, een straat te Amsterdam, geschiedt4); vgl. Ndl. Wdb. V, 1450; Kmz. 375: Toen zei de agent, ik waarschuw jullie: maak me geen haarlemmerdijkies.... vooruit! doorloopen. - Ook komt de uitdr. voor in den zin van grapjes, praatjes verkoopen; vgl. Sjof. 98: Och, ja, praatjes, haarlemmerdijkies; Lvl. 52: Martin zet 'n stram gezicht, ten einde 'n welig voorttieren der haarlemmerdijkies te coupeeren; Nkr. VI, 3 Febr. p. 2: Zeg, verkoopt