Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

1458. Iemand kunnen maken en breken,

d.w.z. iemands meerdere zijn, hem verre overtreffen in lichaamskracht of in geestvermogen; zie Ndl. Wdb. III, 1228 en 1232; Mnl. Wdb. IV, 1045;

[p. 4]

I, 1430: Ghesonde of siecheit van live ne sal meer no min breken no maken minen zin (zal nooit eenigen invloed op mijn geest hebben); Sartorius, II, 9, 17: Ick wil hem breken, ende weder levendigh maken, de imbecillis, et viribus longe inferioribus dicebatur; Molema 266 a: hij ken hom wel moaken en breken, zegt men van twee vechtenden, waarvan de eene veel sterker is dan de andere; fri. hy ken dy wol meitsje en brekke, gij zijt niet tegen hem opgewassen.