Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

1525. Zijn moed koelen aan iemand,

d.w.z. zijne drift, zijne woede tot bedaren brengen door wraak, zich wreken op iemand. Het znw. moed beteekent hier gemoedsgesteldheid, bepaaldelijk die waarin het gemoed verkeert bij toorn en ziedende, kokende

[p. 33]

gramschap, mnl. evele moet, evelmoet, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen zich op iemand wreken, waardoor de gramschap afkoelt, bedaart. Sedert de middeleeuwen is sinen moet (ver)coelen bekend; zie het Mnl. Wdb. IV, 1810 en vgl. verder Vondel, Gijsbr. van Aemst. vs. 1491; Palamedes, vs. 1194; Joseph in Egypten, vs. 1177; Hooft, Ned. Hist. 783: Aan Winsum koelden de Grooningers hunnen moedt; Winschooten, 115: Syn moet koelen, sijn gramschap vreeken, en vreekende doen bedaaren: gelijk men seid: sijn moet ergens aan koelen; Tuinman I, 312; Halma, 376: Ergens zynen moed aan koelen, zijne gramschap aan toonen, assouvir sa colère, enz.; hd. sein Mütchen (oder Mütlein) an einem kühlen; nd. seinen Môd kölen (Eckart, 375); it. sfogar la bile (uit laten branden).