|
|
|
| |
1598. Nachtmerrie.
Hieronder verstaat men een gevoel van drukking, dat een slapende benauwt en angstig doet droomen, en dat ontstaat door eene storing in de spijsverteringsorganen1). Oorspr. luidde de naam nachtmare2) (eng.
| | | |
nightmare), waarmede men aanduidde ‘een bovennatuurlijk wezen (een alf, hd. alp), dat verondersteld werd den mensch vijandig gezind te zijn, en hem in het bijzonder kwelde door hem in den slaap te benauwen door zijne ademhaling te belemmeren; nachtspook, nachtgeest, nachtelijke kwelgeest’1). Reeds in de middeleeuwen was het woord door volksetymologie gewijzigd tot nachtmerrie; vgl. o.a. Dodonaeus, 299: Die swaere droomen oft overvallinghen der dompen, die de herssenen pleghen te beswaeren, diemen ghemeynlijck de Maere oft Nachtmerrie pleegh te noemen. - Over de middelen om deze heks te verjagen (bijv. het op de borst plaatsen van een scherp mes met de punt naar boven of het zetten van de schoenen gekruist of met de opening naar het bed) vgl. men de belangrijke mededeelingen van A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 177-184; Volkskunde XIV, 1-4; Onze Volkstaal I, 216. In Zuid-Nederland is de naam maar het meest gewoon in de uitdr. van de maar bereden worden (of zijn), de nachtmerrie hebben (zie o.a. Teirl. 126; Antw. Idiot. 787). In de 17de eeuw in tegenstelling met merrie ook nachthengst en nachtruin.
|
1)Woordenschat, 785; Van Beverwijck, Schat der Ongesonth. II, 68-70.
2)Volgens Paul, Grundrisz der Germ. Philologie I, 1013 1 staat hoogstwaarschijnlijk dit mare (in Nachtmahr) in verband met het lat. mori, sterven. ‘Die Mare ist demnach von Haus aus eine Totenerscheinung, die einen Lebenden quält oder ihn selbst mit sich führt, wie es ja andere Totenerscheinungen ebenfalls oft tun. Den Tod führt sie aber dadurch herbei, dass sie sich auf den Menschen, während dieser schläft, setzt und ihn zu Tode tritt.’ E.H. Meyer in zijne Mythologie der Germanen (Straszburg, 1903) is van eene andere meening: ‘Trotz einer lautgesetzlichen Schwierigkeit wird das vielgestaltige Wort wohl auf althochdeutsches marren, hemmen, hindern, altnordisch merja, pressen, zurückgehen und die Presserin bedeuten’. Nog andere gissingen vindt men bij Franck - v. Wijk, 450 met de toevoeging: ‘aangezien de grondbet. van dit znw. zeer onzeker is, is geen van de voorgeslagen combinaties meer dan een vermoeden’.
1)Mnl. Wdb. IV, 1167; Ndl. Wdb. IX, 1441; en vgl. Bilderdijk's dichterlijke beschrijving van dezen ‘ruiter zonder paard’ in zijn gedicht De Nachtmeer en de Dekbedden. Ook in het fr. cauchemar van mar en cauche, picard. voor chauche van ofr. chaucher, lat. calcare, treden op, drukken (Hatzfeld, 373).
|
|