Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

1710. Hij kijkt alsof hij zijn laatste (of zondags)oordje versnoept had,

d.w.z. hij zet een bedremmeld gezicht, hetzelfde als het 18de-eeuwsche ‘kijken alsof men in de sneeuw gepist (of gekakt) heeft3) Vgl. Harreb. II, 150; Hij kijkt of hij zijn zondags (of laatste) oordje versnoept had; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 2; enz. Onder een oordje verstond men een penning, die de waarde had van het vierde gedeelte van een stuiver. In Zuid-Nederland is deze uitdrukking onbekend. Daar zegt men ‘hij kijkt alsof hij een panneken gebroken had of een telloorken (teilken) van 'nen cent gebroken hadde (Joos, 21; 29); hij staat daar of zijn ziel langs zijn gat uitkomt (in Antw. Idiot. 1483); vgl. ook het fri.: hy het syn sneins-oartsen forsnobbe, hij heeft zijn zondagsoordje versnoept (zijne krachten verspeeld in losbandigheid). Zie voor allerlei gezegden, waarin sprake is van een oordje, De Cock1, 301-304.