Ged. II, 423; Brederoo, Moortje, 290 (op zijn paard komen); Westerbaen II, 473: De man is op sijn paerd; bl. 727: Weest niet oploopende, noch al te ras te paerd; Rabelais II, 29: Je bent wel haest in je harnas, en op je paerdje; II, 388: Deze mannen zijn doorgaans grammoedig en haest op haer paerdje; Tuinman I, 197: Ja, als zy te paarde geraken, zy doen wel een mond op als een hooischuur; bl. 275: Hy is straks op zyn paard. Dit zegt men van ymand, die straks toornig word; C. Wildsch. III, 264; Sewel, 627; Harrebomée II, 164; Ndl. Wdb. XII, 53. In Zuid-Nederland gauw of seffens op zijn pèèrd zijn, lichtgeraakt, gauw gestoord zijn; iemand op zijn pèèrd zetten, iemand kwaad maken (Antw. Idiot. 945; Waasch Idiot. 5111). In Noord-Holland zegt men, volgens Bouman, 76: Hij is schielijk op de wit, spoedig boos; hij rijdt op de wit, hij is boos. Moet hier aan den schimmel, het vale paard van Wodan, gedacht worden? Zie no. 920 (noot) en vgl. Afrik. hy is baie gou op sy perdjie.