1914. Rakker(d),
d.w.z. een deugniet, een schelm, een strop. In de 16de eeuw vermeldt Kiliaen een znw. rakker in den zin van beulsknecht, pijniger; 17de eeuw schoutendienaar; in deze bet. moet rakker een afl. zijn van racken, mnd. racken, rekken, waarnaast racker, viller (vgl. fri. rakkert, paardenvilder?). Doch er komt sedert de 16de eeuw ook een ww. rakken, schoonmaken, reinigen voor (Molema, 340; Gallée, 35; 73; De Jager, Frequ. I, 486); ook oprakken naast rakkeren (vgl. Kalv. I, 113: de vuile boel rakkeren) en oprakkeren (Boekenoogen, 707) en een znw. rakker, een houten plank met een langen steel (lijkend op dat, waarmede men de sneeuw wegschuift), gebruikt bij 't baggeren3). Dit ww. kan verwant zijn met raken,