Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2027. Iemand over den schouder aanzien,

d.w.z. ‘van ter zijde naar hem zien, om hem even op te nemen, doch met minachting en zonder zich tot hem te richten’ (Ndl. Wdb. I, 510);

[p. 251]

syn. overdwars gluren (Hooft, Ged. II, 366) of zien. Zie Winschooten, 253: Iemand oover sij' aansien: dat is, oover dwars, oover schouwer, met veragting aansien; Pers, 833 b; Van Effen, Spect. V, 23: Zy hadden het zo drok, dat ze myn groet ter naauwer nood beantwoordden, en zagen my alleen eens over schouder aan; V. Janus, 30; Halma, 573: Iemand over schouder aanzien, regarder quelqu'un de travers; Sewel, 710; Eckart, 473: den süt se kûm över de Schullern an. In het hd. einen über die Achsel ansehen; fr. regarder quelqu'un par-dessus l'épaule; in het Vlaamsch is over zijne schouders zien bekend in den zin van hoovaardig zijn of (van een meisje) naar een man uitzien, op hem ‘pinken’; vgl. Joos, 89; Waasch Idiot. 583 en no. 1608. Bij Van Lennep in den zelfden zin: over den nek aangezien worden (Rom. 13, 55).