gesjeesd worden, gedwongen heengaan van de universiteit; gekard zijn, van de Militaire Academie verwijderd zijn; opkrossen (eig. opkarossen1)), opkarren; in Zuid-Nederland sees, fr. chaise2); opsjeezen, wegloopen (Rutten, 163: Tuerlinckx, 457) naast seezen, sjeezen, loopen, vluchten (Rutten, 204; Antw. Idiot. 1101); afseezen, snel afloopen; deurseezen, snel voortloopen (Antw. Idiot. 142; 346); opseezen, zich wegspoeden; iemand iets opseezen, iemand iets aansmeren (Antw. Idiot. 906); wegseezen (in Kl.-Brab.), uitseezen, verseezen (Antw. Idiot. 1297; 1351); Boekenoogen, 923: seezen, zeer snel voortbewegen, hard loopen; Köster Henke, 61: sjeezen, hard loopen, wegvluchten.