Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2095. De snuf van iets (in den neus) hebben (of krijgen),

d.w.z. de lucht van iets krijgen, iets in de gaten hebben, mnl. iet smaken; iets in de neuze krijgen (De Bo), in de(n) snuf hebben (Joos, 85; Antw. Idiot. 1143), neuze, snuite hebben van iets (De Bo), in de gaten (neusgaten) krijgen, in het snotje hebben (Boekenoogen, 964; Nkr. I, 15 Sept. p. 2; V, 16 April p. 2; IX, 17 April p. 2; Schakels, 120: Hoor je 't kind? Die het 'm ook al in 't snotje); in den snuifer hebben (in Menschenw. 513); een snuf in den neus hebben (in Jord. II, 109); in 't snuitjen hebben (Antw. Idiot. 1144); eig. ‘de inademing van den reuk der dingen, of het genot van dien reuk’. Vgl. Hooft, Brieven, 271: Als hun (de paarden) de snof der stallen in den neus slaat; Warenar, vs. 102: Krijchtse de snof vande Pot mit ghelt inde neus, ick bin armer man as de ghevanghen slaven; Ned. Hist. 339; Mouf. 393; Pers, 419 a; 534 a; 606 a; Paffenr. 87: Den ouwe heeft de snuf al in den neus, en past op je handel naer ik merk; Sewel, 734: Hy heeft 'er de snuf van, he has the scent of it; het oostfri.: hê hed 't al in de snüf; hê hed d'r snüf fan kregen (Ten Doornk. Koolm. III, 249 a); in het nd. ook versnuff krigen; zie Grimm IX, 1385 en vgl. no. 1624.