Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2109. Spaakloopen,

d.w.z. vastloopen; geen voortgang kunnen hebben; pal loopen; misloopen; eig. te spaak d.i. op een spaak loopen (vgl. no. 1766), gezegd

[p. 288]

van een ronddraaiend wiel, dat tegen een spaak loopt en niet verder kan? Vgl. Molema, 565 a: spoak loopen, misloopen; 'k bin spoak loopen, ik kwam te onpas, ik vond hem niet thuis; Harreb. II, 282 a: Het zal spaak loopen; en 287 b: Daar zal het ook nog wel eens op eene spie loopen (vgl. Antw. Idiot. 2053: 't loopt op een spie, er gaat een einde aan komen). Elders spanker loopen, misloopen (te Monnikendam); fri. speakje of (to) speak rinne, syn. van stomp rinne; Handelsblad, 26 Maart 1915 (ochtendbl.), p. 2 k. 2: Wie had nu ooit gedacht, dat het in de Eerste Kamer ooit spaak zou kunnen loopen met het ontwerp?