Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2120. Geen spier om iets geven,

d.w.z. niets geven om iets, er zich niet om bekreunen. Onder een ‘spier’ moet men een grashalmpje verstaan, zooals blijkt uit de Teuthonista, 132: Gras, spyer, gramen2). Reeds in de middeleeuwen lezen we:

 
Roelant die stoute, noch Olivier
 
En hadden niet bi hem een spier.

Ook in het Duitsch is kein Spierchen; nig ein Spier, Spire gebruikelijk in den zin van ‘niet het allergeringste’; zie Molema, 565; Eckart 495; Hoeufft, 563, V. Schothorst, 203; Schuerm. 657 a; Antw. Idiot. 1157; Waasch Idiot. 615; fri. gjin spier of gjin sprutsel; Ten Doornk. Koolm. III, 277: spire, spîr, eine Aehre od. ein Halm, eine Faser, etc.; fr. pas un fétu, un brin. De Jager, Lat. Versch. 86 en Ndl. Wdb. V, 595.