Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2162. Steek houden,

van eene redeneering, eene bewering gezegd: opgaan, aanneembaar zijn; hd. Stich halten; mnd. den steke holden; fri. string halde. ‘'t Is ontleent, meent Tuinman I, 358, van uitgesleten laken, dat geenen draad ter benaaying kan houden’, eene meening, die niet onwaarschijnlijk is; immers men zegt ook bij het naaien en het leggen van knoopen, dat de steek houdt of niet houdt. Hiermede is te vergelijken nagel houden, van oude planken of latten gezegd (Hooft, Brieven, 96). Bij Huygens, Zeestraet, vs. 117, komt ‘steeck houden’ van eene redeneering gezegd voor in den zin van baten, helpen, eene bet. die gemakkelijk voortvloeit uit de oorspr. van vast blijven zitten, pakken (zie no. 971 en 2124). In het Westvlaamsch wordt steke houden gezegd, van ‘grond, die onder 't delven, niet brijzelt noch brokkelt, maar vast en dicht blijft, zoo dat het spoor van de steek der spade er ongeschonden bewaard wordt’ (De Bo, 1095 b1)). Zie Harrebomée, II, 300; Afrik. sy argumente hou nie steek nie; De Génestet I, 329; enz. en vgl. steekhoudend, beproefd, degelijk, solide, vast.