of meisje een luie tang genoemd wordt; in Kl. Brab. is eene tang, een serpent van een vrouw; zie Antw. Idiot. 1221; Rutten, 226; Tuerlinckx, 607. In het Friesch spreekt men van in divels-tange, - helhaek (vgl. Menschenw. 77; 168: helhaak), in boaze haek, een grimmig wijf; in fule foarke ta (fen) in wiif, een vinnig vrouwspersoon; in ystermint (instrument), een brutaal wezen1); in Gelderland is een dissel een onaangenaam, onvriendelijk persoon. Elders kent men een egge van een kerel, een lastige man (Dr. Bl. II, 55) en Wander V, 496 citeert si ist a rechti Zanga, habsüchtig und geizig, waarmede te vergelijken is Rutten, 199: scheer, gierig wijf; zie verder Harreb. I, 283 b: Zij is geene tang, om zonder handschoenen aan te tasten; Sjof. 246: O, da's toch zoo'n tang, dat ouwe kreng; Kalv. II, 25; 184: Ouwe tang.