d.w.z. een middagslaapje doen, ‘naar het lek luisteren’, zooals de zeeman zegt, fri. nei 't lek lûsterje), naar 't lekken van de goot gaan luisteren (Goeree en Overflakkee1)); de kriekele beechte (Maastricht2)). Eene verbloemende uitdrukking, die eig. wil zeggen een uiltje (een vlinder) vangen, doch schertsenderwijze gebruikt wordt voor het zich even afzonderen om een slaapje te doen; vgl. no. 356. De uitdr. komt in de 17de eeuw o.a. voor bij Hooft, Ged. II, 463; Heemskerk, Minnekunst (anno 1626) bl. 459:
Zie verder Noord en Zuid XIX, 165-168; Kluchtspel II, 202; Rusting, 7; 584; C. Wildsch. V, 303: Dominées oude goede sloof, die onderwijl een zoet uiltje geknapt had; Halma, 713: Een uiltje vangen, een namiddagslaapje neemen, faire la méridienne; V. Janus, 2; Leopold, I, 42; Uit één pen, 119; Nederland, 1914, II, 7; Joos, 107; Waasch Idiot. 669 a; het hd. eine Eule fangen, ein Mittagschläfchen halten3). Te vergelijken is de Groningsche uitdr. vlinder knippen, den schooltijd verzuimen (Molema, 326); vinkertjes leggen (Frequ. I, 117); een poesje vangen, to ring at people's doors in the night time (Sewel), dus wat wij noemen een puisje (17de eeuw puis = poes4) vangen; een muisje pakken, minnehandel drijven (Rutten, 149); enz. Zie no. 2298 en vgl. Om zeep gaan (noot).