gegeve al knikte me knieë; Speenhoff, I, 25: Ik sta mijn man, dan geef ik ze hun vet; Mgdh. 276: Debatteere, dat is iemand z'n vet geve; De Tijd, 30 Mei 1914 p. 9 k. 3: De heer Schaper gaf daar de heeren Ter Spill en Nierstrasz hun vet; Handelsblad, 12 Dec. 1913 (avondbl.) p. 5 k. 4: Wanneer niet Briand was tusschen beide gekomen en de regeering en haar helper hun vet gegeven had; Nkr. IV, 10 Juli, p. 6; IX, 8 Mei p. 6: De werkvrouw, ook niet malsch, geeft 'm z'n vet terug; Nw. School III, 63: Maar vechten deden ze goed, de Noormannen kregen hun vet; VII, 358: Hij zou dien ‘haagschen meneer’ eens even op een nette manier z'n vet geven; De Amsterdammer, 8 Aug. 1915 (omslag) p. 4 k. 4: Ik ben door vijf Duitsche zeelui aangevallen en ik heb ze allen hun vet gegeven! Groningen IV, 190. Ook iemand op zijn vet geven in Lev. B. 139: We gaffe de scheerder en ze vrouw op d'r vet - niet zoo weinig hoor!; Molema, 574 a: iemand zien vet geven, met woorden tot zwijgen brengen, hem beschaamd maken; hd. einem sein Fett geben. Vgl. Grimm III, 1572: er soll sein Fett schon kriegen, seinen gebührenden Lohn empfangen; Woeste, 298: da hes du din fett!, so nun bist du schön angelaufen!; Eckart, 113: sin Fett hewwen, seinen Teil haben; Ten Doornk. Koolm. I, 473 a: de hed sîn fet dâr ôk gôd had. Synonieme uitdrukkingen zijn: hij zal er smout van hebben, hij zal er van lusten (Harreb. II, LXXVIII); iemand (af)vetten, slagen geven; vetting, pak slagen, rammeling (Antw. Idiot. 1365); iemand (af)boteren, afranselen (Teirl. 201); eng. schoolbutter, slaag (woordspel met to butt, stooten); iemand zijn peeën opscheppen (in Kl.-Brab. en zie Antw. Idiot. 905; 944; Ons Volksleven III, 27); iemand wat boter in de pap steken, hem straffen1); iem. den baard smouten (Schuerm. 635); iemand de rystebry gaar koken (zie Gew. Weeuw. I, 55); iemand zijn erwten geven (in Vlaanderen); iemand kersen geven (Kl.-Brab.); iemand zijn zaad, zijn soep, zijn haver geven (Joos, 73); iemand zijn posie (portie) geven of opscheppen (Antw. Idiot. 991); iemand zijne soep uitscheppen (Rutten, 210 b; Tuerlinckx, 575); iemand zijne saus geven (Schuermans, 567 a); iemand zijn salade geven, hekelen (Rutten, 186); iemand tabakken, afranselen (Van Dale), in Zuidndl. aftabakken (fr. passer au tabac qqn; bargoensch: vertobacken, mishandelen) naast tabak, pak slaag (Tuerlinckx, 607); iemand zijn maatje vullen (Schuerm. Bijv. 192 a); fri. immen syn grande jaen, een pak slaag geven (eig. competente portie van eten of drinken). Vgl. ook het eng. to give a p. his gruel; to coock a p. his goose; fr. faire à qqn sa sauce, en verder no. 2084 en 2220.