2525. Boven water zijn,
d.w.z. uit den nood, uit de moeilijkheid zijn; eig. gezegd van iemand, die in het water is gevallen en het hoofd weer boven weet te krijgen; vgl. ook het hoofd boven (water) houden2), zich weten staande te houden; het fr. revenir sur l'eau, échapper à la ruine; hd. wieder über Wasser kommen; eng. to be above water. Zie Winschooten, 348: Booven Water syn, geen vrees hebben voor schaade; Halma, 768: Boven water zijn, behouden zijn, niet te vreezen hebben, être en sureté, n'avoir rien à craindre; Sewel, 138: Boven water zyn, to be save, out of the scrape; Ten Doornk. Koolm. III, 521 a: wër bafen water kamen od. wesen, wieder über Wasser kommen, nicht mehr in Gefahr sein. De uitdr. (weer) boven water zijn (of komen) wordt ook gebezigd van iemand, die een tijd onder water (weg, ziek of aan het zwieren) is geweest en weer te voorschijn komt; zie no. 2526; vgl. Sjof. 217: Die knul was altijd